Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-20
ECLI:NL:GHDHA:2025:1107
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,177 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-24/213
Uitspraak van 20 maart 2025
in het geding tussen:
[X] , te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer SGR 22/6553.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.176 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
draagt verweerder op de vergoeding en de proceskosten te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser;
draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2025. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 6 februari 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 112 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Audi A3 Limousine1.8 TFSI Ambition Pro Line S (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 30 juni 2015. De auto is voor de Amerikaanse markt gefabriceerd.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] van 2 november 2020. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 66.071 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 9.978,75. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 9.628,75 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 350. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 21.653 (CO2-uitstoot van 201 gr/km).
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 13 november 2020. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.145 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 13.117 (Eurotax XchangeNet). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 13.117.
2.4.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 5.176 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van de forfaitaire tabel, omdat dit volgens de Inspecteur gunstiger is voor belanghebbende in vergelijking met de bpm berekend op basis van de werkelijke afschrijving.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
Het Europese recht
7. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
8. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
9. Eiser heeft gesteld dat verweerder het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet verder strekt dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 21 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Overigens heeft eiser hiertegen ook bezwaar ingediend, zodat hij zich hierover ook heeft uitgelaten.
Onafhankelijke deskundige
10. Eiser heeft gesteld dat het rapport van DRZ buiten het geschil moet worden gelaten, nu DRZ geen onafhankelijke deskundige is. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.
Bewijslast en schade
11. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies over de schade uit het door eiser overgelegde taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. Ook heeft eiser niet met voor de rechtbank inzichtelijke gegevens aannemelijk gemaakt dat de door verweerder vastgestelde schade onjuist is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
Immateriële schade
12. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 18 juni 2021 door verweerder ontvangen, zodat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. De termijnoverschrijding is geheel aan de bezwaarfase toe te rekenen.
13. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[1] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25).
14. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden. De stelling van eiser dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering, behoeft daarom geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[2] De rechtbank honoreert die aanspraak wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit heeft ook te gelden voor de overige op grond van deze uitspraak aan eiser te betalen vergoedingen.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2023:1526
[2] Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.”
Omschrijving geschil en conclusies van partijen
4.
4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag, nadat deze is verminderd in de bezwaarfase, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld, meer specifiek of de handelsinkoopwaarde van de auto juist is vastgesteld.
Overwegingen
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.
5.1.2.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.1.3.
Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende aangaande de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.
Bevoegdheid tot naheffen
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Ook deze stelling faalt.
Heffingsmodaliteiten
5.3.
Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet Bpm leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
5.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dit standpunt faalt.
Soortgelijke voertuigen
5.5.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat er soortgelijke, vanuit de Verenigde Staten afkomstige, gebruikte voertuigen in het nationaal kentekenregister zijn ingeschreven met een lagere CO2-uitstoot.
5.5.2.
Artikel 110 VWEU luidt, voor zover hier van belang:
“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks op gelijksoortige nationale producten worden geheven.”
5.5.3.
Het Hof stelt voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 110 VWEU. Het gaat daarbij in het bijzonder om feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat de onderhavige auto een product van een andere lidstaat is.
5.5.4.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De auto, zo is niet in geschil, is voor de Amerikaanse markt gebouwd en is ingevoerd vanuit de Verenigde Staten.
5.5.5.
Gelet op het voorgaande behoeft het beroep van belanghebbende op de CO2-uitstoot van mogelijk reeds eerder ingevoerde soortgelijke referentievoertuigen geen nadere behandeling.
Historische nieuwprijs
5.6.
Belanghebbende heeft onvoldoende weersproken gesteld dat de (historische) bruto bpm van de auto € 21.653 bedraagt en dat de netto catalogusprijs € 36.709 bedraagt. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 66.070 (€ 36.709 + 7.708 (21% btw) + € 21.653).
Waardevermindering wegens schade(verleden)
5.7.1.
De Rechtbank heeft in haar overweging 11 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de auto sprake is van een waardevermindering wegens schade. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm schade had die het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. De enkele verwijzing naar het taxatierapport met de bijgevoegde schadecalculatie is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en het rapport van DRZ.
Conclusie
5.13.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060)).
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.814 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.3.
Aangezien de uitspraak van de Rechtbank waartegen het hoger beroep zich richt is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de proceskostenvergoeding acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat sprake is van een bijzonder geval. De gemachtigde, een no cure no pay bureau, heeft zich in zijn beroepschrift en hogerberoepschrift overwegend bediend van standaardgrieven, zodat niet aannemelijk is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Van strijd met het Unierecht is evenmin sprake. Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 453,50 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,25 € 907).
6.4.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te worden vergoed.
6.5.
Het Hof als bestuursrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag (zie HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.541;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.561,50;
gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te vergoeden; en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon W. de Wit
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast.
5.7.2.
Indien en voor zover belanghebbende betoogt dat rekening moet worden gehouden met het schadeverleden van de auto, faalt dit, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, aangezien belanghebbende geen deskundigenonderzoek heeft laten uitvoeren.
Handelsinkoopwaarde
5.8.1.
Belanghebbende stelt dat in plaats van de taxatiemethode de koerslijstmethode moet worden toegepast en dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden vastgesteld op de koerslijstwaarde Eurotaxglass’s (€ 13.117) met toepassing van de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’. Volgens belanghebbende leidt toepassing van de koerslijstmethode Eurotaxglass’s inclusief bijstellingen tot een handelsinkoopwaarde van € 11.149.
5.8.2.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende het werkelijke afschrijvingspercentage aannemelijk kan maken aan de hand van een taxatierapport of een in de branche algemeen gebruikelijke koerslijst zoals die wordt gehanteerd voor de verkoop aan particulieren in Nederland. Het Hof overweegt daarbij dat bij het aanwenden van rechtsmiddelen het wijzigen van de afschrijvingsmethode aan de hand van een taxatierapport naar de koerslijstmethode is toegestaan, mits voor de controle op de juistheid van deze nieuwe waarde geen fysieke opname van de auto vereist is. Indien een historische uitdraai van de koerslijst Eurotaxglass’s aanwezig is, mag deze alsnog worden gebruikt, omdat een nieuwe fysieke opname in dat geval niet nodig is. Ingeval een historische uitdraai Eurotaxglass’s aanwezig is, mag voorts rekening worden gehouden met alle in deze koerslijst gespecificeerde correctiefactoren, waaronder begrepen de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’.
5.8.3.
Het Hof stelt vast dat een historische uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s tot de gedingstukken behoort en dat de Inspecteur deze koerslijst heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Hieruit leidt het Hof af dat de Inspecteur de koerslijst Eurotaxglass’s geschikt heeft bevonden voor de bepaling van de waarde en dat het referentievoertuig uit deze koerslijst als voldoende vergelijkbaar met de auto kan worden beschouwd.
5.8.4.
Het Hof stelt de handelsinkoopwaarde vast op € 11.149.
Naheffingsaanslag
5.9.
Uitgaande van een (historische) bruto bpm van € 21.653 en de historische nieuwprijs van € 66.070 wordt de afschrijving op basis van de handelsinkoopwaarde van € 11.149 vastgesteld op 83,12%. De naheffingsaanslag wordt dientengevolge verminderd tot € 3.541.
Proceskostenvergoeding bezwaar- en beroepsfase
5.10.
Nu het hoger beroep reeds gegrond is en de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar niet in stand kunnen blijven, komt het Hof niet toe aan de grieven van belanghebbende over de proceskostenvergoedingen in de bezwaar- en beroepsfase. Het Hof zal deze proceskostenvergoedingen opnieuw vaststellen.
Verzoek vergoeding van immateriële schade
5.11.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade in haar overweging 12 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden.
Griffierecht
5.12.
Belanghebbende klaagt dat de heffing van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).