Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-20
ECLI:NL:GHDHA:2025:1106
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,717 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-24/218
Uitspraak van 20 maart 2025
in het geding tussen:
[X] , te [Z] , belanghebbende
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer SGR 22/4678.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.130. Er is daarbij € 427 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is € 184 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op de vergoeding en de proceskosten te betalen op een bankrekening die op naam van eiser staat;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 279. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 3 februari 2025 een pleitnota toegezonden aan het Hof.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft ten behoeve van de registratie van een gebruikte Land Rover Range Rover 3.0 TDV6 Vogue (de auto) € 3.073 aan bpm op aangifte voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 7 november 2016.
2.2.
De verschuldigde bpm is berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam] van 29 november 2018 (het taxatierapport). Belanghebbende is in de aangifte uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 145.404, een netto catalogusprijs van € 90.886 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 70.760. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 54.142,10 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op afgerond € 16.618. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 26.892 (CO2-uitstoot van 182 gr/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 6.054 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 18 december 2018. De historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 145.404 en de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is vastgesteld op € 67.149 (AutotelexPro). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 67.149. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 26.892 (CO2-uitstoot van 182 gr/km).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Het Europese recht
6. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
7. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
8. Eiser heeft gesteld dat verweerder het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet verder strekt dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 21 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Overigens heeft eiser hiertegen ook bezwaar ingediend, zodat hij zich hierover ook heeft uitgelaten.
Onafhankelijke deskundige
9. Eiser heeft gesteld dat het rapport van DRZ buiten het geschil moet worden gelaten, nu DRZ geen onafhankelijke deskundige is. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.
Bewijslast en schade
10. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies over de schade uit het door eiser overgelegde taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank volgt eiser ook niet in de door hem voorgestane handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de handelsmarge van 20% op geen enkele wijze door eiser is onderbouwd.
11. Verweerder stelt dat moet worden uitgegaan van de koerslijst van AutotelexPRO. Voor de berekening van het na te heffen bedrag is verweerder uitgegaan van de door eiser aangegeven historische nieuwprijs. Ook heeft eiser niet met voor de rechtbank inzichtelijke gegevens aannemelijk gemaakt dat de door verweerder vastgestelde netto catalogusprijs dan wel schade onjuist is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
Belastingrente
12. Het beroep wordt mede geacht tegen de belastingrente gericht te zijn. Hiertegen heeft eiser geen gronden aangevoerd. De rechtbank is ook niet gebleken dat de belastingrente te hoog is vastgesteld.
Hoorrecht
13. Eiser heeft verder gesteld dat het hoorrecht is geschonden. Verweerder heeft in ieder geval bij brieven van 23 augustus 2021, 20 september en 23 september uitnodigingen aan de gemachtigde gestuurd voor hoorgesprekken op 27 september 2021 om 10.00 uur, 7 oktober 2021 om 10.00 uur en 14 oktober 2021 van 10.00 tot 16.00 uur. Bij e-mail van 22 september 2021 heeft de gemachtigde gemeld op 27 september 2021 en 7 oktober 2021 verhinderd te zijn. Bij e-mail van 7 oktober 2021 heeft de gemachtigde laten weten dat het contact uitsluitend nog zal plaatsvinden met mevrouw [A] . In de e-mail staat verder:
“Mevrouw [A] begint 14 oktober 2021 weer met werken. Ik stel voor dat u haar op18 oktober 2021 de dossier voor 100 voertuigen stuurt ter inzage in de week van 18 oktober 2021 en haar op 25 oktober 2021 via een beeldverbinding benadert om haar opmerkingen kenbaar te kunnen maken.”
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en dat het hoorrecht niet is geschonden. Hoewel uit de e-mail van 7 oktober 2021 impliciet volgt dat mevrouw [A] niet bij het hoorgesprek aanwezig zal zijn, is geen duidelijke reden voor verhindering aangegeven. Overigens had de gemachtigde ook een vervanger kunnen sturen.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 12 mei 2021 door verweerder ontvangen, zodat de redelijke termijn met ruim acht maanden is overschreden.
Geschil
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en
- subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 8.262.
Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten dan wel toepassing van een factor 3 bij toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van het door haar betaalde griffierecht vermeerderd met een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. De Rechtbank heeft, aldus belanghebbende, zijn grieven afgewezen, zonder enige draagkrachtige motivering, louter suggestief en buiten rechtens.
5.2.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.3.
De hiermee verband houdende stellingname van belanghebbende dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de uitspraak van de Rechtbank snijdt geen hout. De Rechtbank is uitvoerig op elke stellingname van belanghebbende ingegaan. Dat belanghebbende het niet eens is met de beslissing van de Rechtbank, maakt niet dat aan die beslissing een motiveringsgebrek kleeft.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en hoorrecht
5.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Ook de stelling van belanghebbende dat het hoorrecht is geschonden faalt. Gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld in overweging 13 is een schending van het hoorrecht niet aan de orde nu de Inspecteur belanghebbende meerdere malen heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek en aldus belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord.
Bevoegdheid tot naheffen en heffingsmodaliteiten
5.5.
Belanghebbende stelt dat naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is en dat het Unierecht zich om die reden tegen naheffing van bpm op gebruikte auto’s uit andere lidstaten verzet. Volgens belanghebbende levert dit schending van artikel 110 VWEU op. Belanghebbende maakt naar het oordeel van het Hof een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Het Hof verwijst hier voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1. t/m 3.4.7., waarin de Hoge Raad oordeelde dat de heffingsmodaliteiten van de bpm, of wel de wijze van (na)heffing en betaling van bpm, niet in strijd zijn met het Unierecht. De stellingen van belanghebbende falen dan ook.
Waardevermindering als gevolg van schade en bewijslastverdeling
5.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, indien de Inspecteur een lager bedrag aan schade in aanmerking wil nemen dan in het taxatierapport van belanghebbende naar voren is gekomen, dit alleen mogelijk is als de Inspecteur dit met gelijkwaardige bewijsmiddelen – dus met een onafhankelijk taxatierapport – onderbouwt. De Inspecteur heeft dit bewijs, aldus belanghebbende, niet geleverd met het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, zodat van de door belanghebbende met behulp van een onafhankelijk taxatierapport onderbouwde waardevermindering wegens schade moet worden uitgegaan.
5.7.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). Het is dus aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat er waarde verminderende omstandigheden zijn. Dat de Inspecteur de gegevens en omstandigheden die belanghebbende aandraagt, met gelijkwaardige wapens (bewijsmiddelen) zou moeten bestrijden of weerleggen, vindt geen steun in het recht. De Inspecteur is vrij in de keuze van welke bewijsmiddelen hij gebruik wil maken.
5.8.
Ten aanzien van de in aanmerking te nemen schade overweegt het Hof verder als volgt. DRZ heeft geen schade aan de auto aangetroffen. In het rapport onderzoek waardebepaling van 18 december 2018 is opgenomen dat geen van de door belanghebbende in zijn taxatierapport opgegeven schadeposities zijn aangetroffen dan wel dat deze als gebruikersschade moeten worden aangemerkt. Bij gebruikersschade is daarnaast rekening gehouden met leeftijd en kilometerstand van de auto, aldus het rapport. Ten tijde van het onderzoek door DRZ was dus niet meer vast te stellen of op het moment van aangifte schade aanwezig was en was eventuele schade zo die eerder aanwezig was kennelijk al hersteld. Belanghebbende had de auto gedurende zes dagen na aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moeten houden om het motorvoertuig te tonen bij DRZ. Nu dit niet is gebeurd kon DRZ de gestelde schade en de omvang daarvan niet bevestigen. Daarbij komt dat de foto’s in het taxatierapport van belanghebbende klein en donker zijn en tonen deze foto’s de gestelde schadeposten niet. Gelet op een en ander heeft de Inspecteur terecht geen rekening gehouden met het schadebedrag als vermeld in het ten behoeve van belanghebbende opgestelde taxatierapport.
Teruggaaf Bpm in verband met sloop
5.9.
Belanghebbende stelt voorts dat de naheffingsaanslag ter zake van de auto in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat de auto op 20 augustus 2020 is gesloopt. Belanghebbende stelt dat artikel 110 VWEU vereist dat de bpm ten aanzien van de auto tijdsevenredig geheven wordt. Alsdan zou de na te heffen bpm maximaal € 2.523 zijn.
5.10.
Het Hof stelt voorop dat uit artikel 1, lid 2, Wet Bpm (tekst 2018) volgt dat bpm is verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het kentekenregister. De inschrijving in het kentekenregister en de tenaamstelling hebben op 12 december 2018 plaatsgevonden. Derhalve is ter zake van de auto bpm verschuldigd. Dat de auto op 20 augustus 2020 zou zijn gesloopt, waar overigens geen bewijs voor is overgelegd, maakt dit niet anders.
Conclusie
5.16.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060).
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.814 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.3.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 453,50 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,25 € 907). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. De gemachtigde, een no cure no pay bureau, heeft zich in zijn hogerberoepschrift overwegend bediend van standaardgrieven, zodat niet aannemelijk is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
6.4.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep van € 279 te worden vergoed.
6.5.
Het Hof als bestuursrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag (zie HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.889;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.561,50;
gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te vergoeden; en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon W. de Wit
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
Artikel 110 VWEU staat er niet aan in de weg staat dat Nederland een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting onderwerpt, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt. In die gevallen noopt noch het VWEU noch het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel tot een (wettelijke) regeling die voorziet in (gedeeltelijke) teruggaaf van bpm wanneer een personenauto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland (HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281, BNB 2014/74, r.o. 3.4.3, en HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, r.o. 2.3.2.). Anders dan belanghebbende voorstaat, verplicht artikel 110 VWEU Nederland niet tot deze tijdsevenredige heffing in een situatie als de onderhavige. Daarbij overweegt het Hof dat ook in het geval een binnenlandse auto wordt gesloopt, geen recht op teruggaaf van betaalde bpm bestaat. Er bestaat derhalve geen onderscheid in fiscale behandeling in die situatie tussen een binnenlandse auto en een vanuit een andere EU-lidstaat geïmporteerde auto. Met betrekking tot de door belanghebbende ter zitting van het Hof ingenomen stelling dat geen gerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen de situatie waarin een auto vanuit Nederland naar een andere lidstaat wordt geëxporteerd, waarin wel een teruggaaf van bpm wordt verleend, en de onderhavige situatie, waarin de auto wordt gesloopt maar geen teruggaaf van bpm wordt verleend, overweegt het Hof dat geen sprake is van gelijke gevallen. In de situatie waarmee belanghebbende het onderhavige geval vergelijkt, wordt de auto immers in de andere lidstaat duurzaam geregistreerd en het gebruik van de auto aldaar voortgezet. Met de tijdsevenredige teruggaaf van bpm wordt in een dergelijk geval voorkomen dat dubbele heffing optreedt indien de andere lidstaat een soortgelijke registratiebelasting heft bij aankomst van de auto. Een dergelijke dubbele heffing kan zich in het geval van sloop niet voordoen. De klacht faalt dan ook.
Toepassing koerslijst EurotaxGlass en vermindering wegens markt- en dealersituatie
5.11.
Belanghebbende stelt dat in plaats van de taxatiemethode de koerslijstmethode moet worden toegepast en dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden vastgesteld op basis van de koerslijst EurotaxGlass met toepassing van de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven in te stemmen met het gebruik van de koerslijstmethode op basis van Eurotaxglass en de toepassing van de 15% vermindering op de waarde volgens deze koerslijst op basis van ‘markt- en dealersituatie’. Rekening houdend met een leeftijdskorting van € 217 moet de naheffingsaanslag dan worden vastgesteld op € 8.342. Hof vermindert de naheffingsaanslag tot € 8.342.
Verzoek hogere vergoeding van immateriële schade
5.12.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te laag heeft vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase samen met afgerond acht maanden is overschreden, waarbij de overschrijding is toe te rekenen aan de bezwaarfase.
5.13.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775 en 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, in samenhang bezien, volgt als uitgangspunt dat voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Daar wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, alleen dan van afgeweken indien het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Aangezien de overschrijding in deze zaak acht maanden bedraagt en het belang meer dan € 1.000 bedraagt, heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.000. De Rechtbank heeft de schadevergoeding dus juist vastgesteld.
Hoogte proceskostenvergoeding beroep
5.14.
De stelling dat de beperkte proceskostenvergoeding in strijd komt met het Unierecht treft geen doel. Zoals valt af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, zijn beperkingen aan de proceskostenvergoeding in bpm zaken niet strijdig met het doeltreffendheid- en gelijkwaardigheidsbeginsel, terwijl van strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie evenmin sprake is. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een hogere of zelfs integrale proceskostenvergoeding.
Griffierecht
5.15.
Belanghebbende klaagt dat de heffing en hoogte van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).