Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-20
ECLI:NL:GHDHA:2025:1105
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,796 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-24/143
Uitspraak van 20 maart 2025
in het geding tussen:
[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 december 2023, nummer SGR 21/7024.
Procesverloop
1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte € 9.834 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan bpm. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft de verschuldigde bpm ambtshalve verminderd tot € 9.831.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 360. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 9.834 aan bpm voldaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte Audi A3 Sportback 2.5 TFSI RS3 Quattro (de auto). Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van de koerslijst XRay (Marge) (€ 38.763). De datum eerste toelating van de auto is 9 februari 2018. In de aangifte heeft belanghebbende een CO2-uitstoot van de auto vermeld van 192 gr/km.
2.2.
De aangegeven en betaalde bpm bedraagt voor de auto € 9.834 en is bepaald met inachtneming van voormelde CO2-uitstoot.
2.3.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft dat bezwaar bij de bestreden uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft de toepassing van artikel 16a Wet bpm ambtshalve beoordeeld en de verschuldigde belasting verminderd met € 3.
2.4.
Een afschrift van de uitspraak van de Rechtbank is op 22 december 2023 aan partijen verzonden. Belanghebbendes pro-formaberoepschrift is op 5 februari 2024 bij het Hof binnengekomen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
Formele standpunten eiseres
3. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen en dat er meer griffierecht is geheven dan het fiscaal belang van eiseres. Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.[1] Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel
47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[2] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[3] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. Eiseres heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Nu het griffierecht terecht van eiseres is geheven, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het verzoek om wettelijke rente te vergoeden over (de teruggave) van het griffierecht.
4. Eiseres voert verder aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid zou hebben. Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen.[4] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In de onderhavige procedures ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.[5]
5. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Verweerder heeft in de bezwaarfase op grond van artikel 16a Wet Bpm voor een bedrag van € 3 teruggave verleend. Op grond van het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In belastingzaken zal in gevallen waarin de belastingplichtige een te hoog belastingbedrag op aangifte betaalt, een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid zich in het algemeen niet voordoen. Bij het voldoen van Bpm op aangifte was eiseres in de gelegenheid om een verdere vermindering in aanmerking te nemen. Van die gelegenheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt. De stukken van het geding bieden geen aanwijzing dat aan het niet in aanmerking nemen van die vermindering een onrechtmatige handeling van verweerder ten grondslag lag, dan wel een ander onrechtmatig overheidshandelen dat voor rekening van verweerder moet komen zoals het geval was in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014,.[6] Bovendien was het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2020[7] reeds gepubliceerd ten tijde van het doen van de onderhavige aangifte, zodat eiseres hiervan op de hoogte kon zijn.
6. Eiseres stelt voorts dat zij bij de teruggave van € 3 wegens toepassing van artikel 16a Wet Bpm geen rentevergoeding heeft gekregen. De wetgever heeft erin voorzien dat voor een dergelijke rentevergoeding een verzoek aan de ontvanger kan worden gedaan op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (de Invorderingswet). In deze procedure ligt niet (de uitspraak op bezwaar tegen) de beschikking van de ontvanger voor. De rechtbank is in zoverre onbevoegd om daarover te oordelen in deze procedure. Het Unierecht maakt dat niet anders.[8] Voor zover eiseres stelt dat artikel 28c van de Invorderingswet in strijd is met het Unierecht, verwerpt de rechtbank dit betoog en verwijst zij voor een onderbouwing van deze beslissing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018.[9]
De verschuldigde Bpm
7. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017,
17 januari 2020 en 15 juli 2022[10] volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte voldane Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. De enkele stelling dat de nationale wettelijke bepalingen in strijd zijn met het Unierecht, is daarvoor onvoldoende.
Korting wegens ex-rental?
8. Eiseres stelt dat bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bij gebruik van een koerslijst X-ray moet worden uitgegaan van een ex-rental voertuig en dat een korting van 10% dient te worden toegepast. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. De omstandigheid dat sprake is van een ex-rental auto is een relevante eigenschap. Gesteld noch gebleken is dat onderhavige auto een ex-rental auto is. Een niet ex-rental auto bevindt zich, gelet op die eigenschap, bovendien ten opzichte van ex-rental auto’s niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2013.[11] Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de auto, gelet op het gebruiksverleden, vergelijkbaar is met ex-rental voertuigen. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een voertuig met een verhuurverleden.[12]
Betalings-en heffingsmodaliteiten
9.
Conclusie
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
14. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van een situatie als de zaak van het Gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2023[15]. Dat uit de machtiging volgt dat gemachtigde alle ter zake van de procedures toegekende bedragen namens eiseres rechtstreeks in ontvangst mag nemen, maakt niet dat eiseres afziet van die bedragen. Gemachtigde heeft daarnaast ter zitting verklaard dat hij de vergoedingen in ontvangst neemt en deze doorbetaalt aan zijn cliënten.[16]
15. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 19 januari 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 15 oktober 2021. De uitspraak van de rechtbank is op 21 december 2023 gedaan. Dat is dus ruim twee jaar en 11 maanden na indiening van het bezwaarschrift. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 11 maanden, zodat eiseres in beginsel recht heeft op een isv. De rechtbank stelt echter vast dat niet is gebleken dat sprake is van een meer dan een gering financieel belang. Eiseres heeft namelijk in het bezwaarschrift en in het beroepschrift en ter zitting niet inzichtelijk gemaakt wat de cijfermatige gevolgen zijn van haar betoog. Ook anderszins is niet gebleken van een meer dan gering belang zodat ook daarom geen reden is tot vergoeding van immateriële schade. De spanning en frustratie met betrekking tot het belang van € 3 (zie 6 hiervoor) is weggenomen met de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2021. In het onderhavige geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiseres heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[17]
Proceskosten
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De vraag of eiseres recht heeft op een vergoeding van de werkelijke proceskosten behoeft, gelet hierop, geen behandeling.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
[2] vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.
[3] ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
[4] Zie HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.
[5] Zie onder meer rechtsoverweging 2.3 van ECLI:NL:GHARL:2023:6391.
[6] Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603 en in vergelijkbare zin ECLI:NL:HR:2022:1040, r.o. 3.4.5 en 3.4.6.
[7] Hoge Raad van 20 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821.
[8] Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341 en Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790.
[9] Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, rechtsoverweging 5.
[10] Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, Hoge Raad van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63 en Hoge Raad van 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1087.
[11] ECLI:EU:C:2013:857.
[12] Zie ECLI:NL:HR:2020:331. Zie ook ECLI:NL:GHDHA:2023:1592.
[13] ECLI:NL:HR:2022:1277.
[14] Zie ook r.o. 3.5.3 van ECLI:NL:HR:2022:1277. Zie ook r.o. 4.8.3. t/m 4.9 van ECLI:NL:GHARL:2021:11824.
[15] Gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1692.
[16] Zie ook ECLI:NL:HR:2017:965.
[17] Zie r.o. 3.3.2. van ECLI:NL:HR:2013:1361.”
Omschrijving geschil en conclusies van partijen
4.
4.1.
In geschil is of het hoger beroep ontvankelijk is. Indien dat het geval is, is in geschil of de verschuldigde bpm, nadat deze is verminderd in de bezwaarfase, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of:
de Nederlandse rechter bevoegd is om het geschil te beslechten;
of de historische nieuwprijs van de auto op het juiste bedrag is vastgesteld;
de handelsinkoopwaarde van de auto op het juiste bedrag is vastgesteld;
de CO2-uitstoot juist is vastgesteld;
belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding;
belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; en of
het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm met € 283. Belanghebbende concludeert daarnaast tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase alsmede een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij verzoekt belanghebbende om toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding met toepassing van wegingsfactor 5 dan wel voor de bezwaarfase wegingsfactor gemiddeld en voor de beroeps- en hogerberoepsfase wegingsfactor 5. Tot slot verzoekt belanghebbende om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, alles vermeerderd met een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
5.
5.1.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift zes weken. Artikel 6:8, lid 1, Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
5.1.2.
Artikel 8:79, lid 1, in verbinding met artikel 8:37, lid 1, Awb bepalen dat de bekendmaking van een uitspraak geschiedt door toezending bij aangetekende brief door de griffier van een afschrift van de uitspraak aan partijen. Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 bepalen vervolgens dat een hogerberoepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
5.1.3.
De uitspraak van de Rechtbank is verzonden op 22 december 2023. De termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift is daarom geëindigd op 2 februari 2024. Het hogerberoepschrift is op 5 februari 2024 om 11:25 uur digitaal ingediend. Het hogerberoepschrift is derhalve na het verstrijken van de indieningstermijn en dus te laat ingediend. Het hoger beroep moet dan in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden niet kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen (HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625).
5.1.4.
In dit verband heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting desgevraagd verklaard dat hij het hogerberoepschrift niet eerder heeft ingediend, omdat op 24 januari 2024 bij hem een FIOD-inval heeft plaatsgevonden, waarbij alle dossiers en elektronische apparaten zoals computers en telefoons in beslag zijn genomen. Vervolgens is de gemachtigde van belanghebbende acht dagen in bewaring genomen en was hij de enige die kennis van de onderhavige zaak had. Naar eigen zeggen heeft de gemachtigde van belanghebbende een en ander als traumatisch ervaren.
5.1.5.
Gelet op het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat de gemachtigde van belanghebbende fysiek en geestelijk niet in staat kon worden geacht de gronden van het hoger beroep binnen de gestelde termijn in te dienen.
5.1.6.
Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat (de gemachtigde van) belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 Awb.
5.1.7.
De Inspecteur heeft nog gesteld dat de machtiging ontoereikend zou zijn. Het Hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de machtiging te twijfelen. De machtiging dateert van 15 maart 2024 en is voorzien van een kopie van een geldig paspoort van belanghebbende. Daarbij is belanghebbende het Hof bekend en heeft de gemachtigde belanghebbende in meerdere procedures bij het Hof vertegenwoordigd, ook in zaken waar (de bestuurder van) belanghebbende zelf ter zitting aanwezig was.
5.1.8.
Gelet op het voorgaande verklaart het Hof het hoger beroep ontvankelijk.
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.
5.2.2.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.2.3.
Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.
Vermindering waarde in onbeschadigde staat
5.3.1.
Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt derhalve.
5.3.2.
Voor zover belanghebbende met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 stelt dat de volgens de koerslijst van AutotelexPro bepaalde handelsinkoopwaardes van de auto moet worden verminderd met een bedrag van € 500, omdat AutotelexPro de mogelijkheid biedt om te kiezen voor een forfaitaire aftrek van 2 x € 250 voor de staat van het interieur en exterieur, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het in- en exterieur van de auto in een mindere staat verkeert. Het Hof wijst er daarbij op dat de bewijslast op belanghebbende rust (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63).
Historische nieuwprijs
5.4.
Partijen hebben ter zitting erkend dat de (historische) bruto bpm van 2018 moet worden toegepast. Het Hof stelt deze vast op € 26.333. De historische nieuwprijs bedraagt aldus de niet in geschil zijnde netto catalogusprijs van € 61.637 + 21% btw + € 26.333 = 100.913. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 100.913 en een handelsinkoopwaarde van € 38.763 bedraagt de afschrijving 61,59%. Met inachtneming van de (historische) bruto bpm van € 26.333 bedraagt de verschuldigde bpm alsdan € 10.115.
Conclusie
5.6.
Er bestaat geen aanleiding voor teruggaaf van (een deel van) de bpm.
Rentevergoeding
5.7.
Belanghebbende heeft voor het geval zijn hoger beroep gegrond is, verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding. Belanghebbende heeft geen recht op een teruggaaf, zodat dit standpunt geen behandeling behoeft.
Proceskosten bezwaarfase
5.8.1.
Op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb worden kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De inspecteur dient bij het vaststellen van de verschuldigde bpm kennis te nemen van en rekening te houden met de daarvoor relevante gegevens waarover hij de beschikking heeft.
5.8.2.
Anders dan belanghebbende is het Hof van oordeel dat voor de bezwaarfase geen proceskostenvergoeding hoeft te worden toegekend. Pas in het bewaarschrift heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op de extra leeftijdskorting, terwijl hij over alle relevante gegevens beschikt om te beoordelen of en zo ja, voor welk bedrag hierop recht bestaat. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur niet verplicht om deze datum uit eigen beweging op te zoeken in het kentekenregister.
Vergoeding van immateriële schade
5.9.1.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade in haar overwegingen 14 en 15 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Belanghebbende heeft in hoger beroep uitsluitend gesteld dat een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, beslist:
“3.3.5 In de regel zal hetgeen de belanghebbende in de procedure ter zake van een of meer fiscale beschikkingen heeft gevorderd, voldoende duidelijk maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is.”
5.9.2.
Gezien de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van de afwijzing van de vergoeding van immateriële schade en de motivering daarvan, die het Hof de zijne heeft gemaakt, had het op de weg van belanghebbende gelegen in zijn hogerberoepschrift of uiterlijk ter zitting van het Hof de feiten te stellen op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld. De Rechtbank heeft dan ook terecht volstaan met de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden zonder daarbij vervolgens om redenen zoals verwoord in overwegingen 14 en 15 van haar uitspraak een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.
Griffierecht
5.10.
Belanghebbende klaagt dat de heffing van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).
Conclusie
5.11.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6.
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. Hoewel er geen aanleiding is tot een veroordeling in de proceskosten, overweegt het Hof dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter (zie HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon W. de Wit
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.