Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-20
ECLI:NL:GHDHA:2025:1101
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,416 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/1182
Uitspraak van 20 maart 2025
in het geding tussen:
[X] , te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 oktober 2023, nummer SGR 22/3835.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.054. Er is daarbij tevens € 40 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is € 184 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 3 februari 2025 een pleitnota ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2025. Partijen zijn verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.019 aan bpm voldaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline (de auto). De datum van eerste toelating is 23 mei 2017.
2.2.
Belanghebbende heeft de auto gekocht voor € 16.800. Blijkens een factuur van 6 mei 2019 van [Bedrijf 1] heeft belanghebbende voor een bedrag van € 1.862,19 onderdelen gekocht. Uit een factuur gedateerd 19 maart 2019 blijkt dat een bedrag van € 550 is betaald aan [Bedrijf 2] voor ‘VW Tiguan interieur’.
2.3.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [Bedrijf 3] van 25 april 2019. De historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 51.053 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 30.326,67. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 26.715,06 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 3.611,61. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 14.415 (CO2-uitstoot van 170 gr/km).
2.4.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 6.054 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 14 mei 2019. De historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 54.073 en de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is vastgesteld op € 27.877 (Eurotax XchangeNet). DRZ heeft een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen van € 1.341 (72% van het door [Bedrijf 1] gefactureerde bedrag van € 1.862,19), waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 26.536. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 14.415 (CO2-uitstoot van 170 gr/km).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“9. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (Wet Bpm) is Bpm verschuldigd terzake van de registratie van een personenauto in het kentekenregister. Voor de hoogte van de verschuldigde Bpm moet worden uitgegaan van de waarde van de auto ten tijde het belastbare feit.
10. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting terzake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
11. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 18 december 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
12. Eiser heeft gesteld dat verweerder op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van Eurotax ten onrechte geen vermindering van 15% heeft toegepast. De rechtbank volgt eiser hierin niet omdat eiser niet heeft geconcretiseerd waarom in dit geval de desbetreffende correctiefactoren van toepassing zijn.[1] Ook in het taxatierapport kan hiervoor geen steun worden gevonden. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder van een te hoge handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is uitgegaan.
13. Verweerder heeft bij het bepalen van waardevermindering door schade enkel rekening gehouden met het door [Bedrijf 1] gefactureerde bedrag. De bewijslast dat meer waardevermindering door schade in aanmerking moet worden genomen, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet aangetroffen door DRZ. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) het motorrijtuig gedurende zes dagen na de indiening van de aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden teneinde het motorvoertuig te tonen. Dat eiser al eerder was begonnen met schadeherstel, kan verweerder niet worden tegengeworpen.
14. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het door DRZ opgestelde rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.[2]
15. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, lid 4, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende. Dat rekening is gehouden met 72% heeft niet tot gevolg dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer Bpm wordt geheven dan ter zake van binnenlandse gebruikte voertuigen.
16. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is aangesloten bij de door eiser in zijn aangifte vermelde CO2-uitstoot van 170 gram per kilometer. Blijkens het RDW voertuigbeeld is dat de uitstoot van de auto zoals bepaald aan de hand van de NEDC-meetmethode. De stelling dat de CO2-uitstoot van de auto wegens de overgang van de NEDC-meetmethode naar de WLTP-meetmethode met 7,3 gram per kilometer moet worden verlaagd, behoeft dan ook geen behandeling.
17. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
18.
Geschil
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en
subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.801;
- meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.940.
Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten, toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van het door haar betaalde griffierecht vermeerderd met een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. De Rechtbank heeft, aldus belanghebbende, zijn grieven afgewezen, zonder enige draagkrachtige motivering, louter suggestief en buiten rechtens.
5.2.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.3.
De hiermee verband houdende stellingname van belanghebbende dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de uitspraak van de Rechtbank snijdt geen hout. De Rechtbank is uitvoerig op elke stellingname van belanghebbende ingegaan. Dat belanghebbende het niet eens is met de beslissing van de Rechtbank, maakt niet dat aan die beslissing een motiveringsgebrek kleeft.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
5.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 11 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dit standpunt faalt.
Bevoegdheid tot naheffen en heffingsmodaliteiten
5.5.
Belanghebbende stelt dat naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is en dat het Unierecht zich om die reden tegen naheffing van bpm op gebruikte auto’s uit andere lidstaten verzet. Volgens belanghebbende levert dit schending van artikel 110 VWEU op. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 10 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Het Hof verwijst hier voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1. t/m 3.4.7., waarin de Hoge Raad oordeelde dat de heffingsmodaliteiten van de bpm, of wel de wijze van (na)heffing en betaling van bpm, niet in strijd zijn met het Unierecht. De stellingen van belanghebbende falen dan ook.
Waardevermindering als gevolg van schade en bewijslastverdeling
5.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, indien de Inspecteur een lager bedrag aan schade in aanmerking wil nemen dan in het taxatierapport van belanghebbende naar voren is gekomen, dit alleen mogelijk is als de Inspecteur dit met gelijkwaardige bewijsmiddelen – dus met een onafhankelijk taxatierapport – onderbouwt. De Inspecteur heeft dit bewijs, aldus belanghebbende, niet geleverd met het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, zodat van de door belanghebbende met behulp van een onafhankelijk taxatierapport onderbouwde waardevermindering wegens schade moet worden uitgegaan.
5.7.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). Het is dus aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat er waarde verminderende omstandigheden zijn. Dat de Inspecteur de gegevens en omstandigheden die belanghebbende aandraagt, met gelijkwaardige wapens (bewijsmiddelen) zou moeten bestrijden of weerleggen, vindt geen steun in het recht. De Inspecteur is vrij in de keuze van welke bewijsmiddelen hij gebruik wil maken.
5.8.
Ten aanzien van de in aanmerking te nemen schade overweegt het Hof verder als volgt. De beoordelaar van DRZ heeft geen schade aan de auto aangetroffen. In het rapport onderzoek waardebepaling is opgenomen dat geen schadeposities zijn aangetroffen en is voorts vermeld ‘het voertuig is volledig hersteld’. Ten tijde van het onderzoek door DRZ was dus niet meer vast te stellen of schade aanwezig was en was eventuele schade, zo eerder aanwezig, kennelijk al hersteld. Belanghebbende had de auto gedurende zes dagen na aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moeten houden om het motorvoertuig te tonen bij DRZ. Gelet op deze omstandigheden was DRZ niet in staat de gestelde schade en de omvang daarvan te bevestigen. Gelet op een en ander heeft de Inspecteur terecht geen rekening gehouden met het schadebedrag als vermeld in het ten behoeve van belanghebbende opgestelde taxatierapport.
5.9.
De Inspecteur heeft vervolgens 72% van het bedrag dat [Bedrijf 1] aan belanghebbende heeft gefactureerd, in mindering toegelaten als schade. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur dit bedrag volledig in aanmerking had moeten nemen, terwijl daarnaast de factuur van [Bedrijf 2] eveneens in mindering dient te komen op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet onderbouwd waarom meer dan 72% van de reparatiekosten in mindering zou moeten worden gebracht en heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere conclusie kan leiden. Het door de Inspecteur toegepaste aftrekpercentage van 72 betreft een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. Gelet op het feit dat het hier op het moment van aangifte een twee jaar oude auto met 26.298 aan gereden kilometers betreft, kan worden aangenomen dat normale gebruikersschade aanwezig was. Het stond de Inspecteur dan ook vrij dit percentage toe te passen zonder nadere onderbouwing. Belanghebbende heeft voorts niets gesteld waaruit zou volgen dat de factuur van [Bedrijf 2] in mindering zou moeten komen op de handelswaarde van de auto. Niet duidelijk is gemaakt of deze kosten reparatiekosten betreffen of kosten van onderhoud. De stellingen van belanghebbende falen dan ook.
Conclusie
5.17.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060).
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.814 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.3.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 1.814 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.4.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep te worden vergoed.
6.5.
Het Hof als bestuursrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag (zie HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.889;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.922;
gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 274 te vergoeden; en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon W. de Wit
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
Koerslijst EurotaxGlass, vermindering wegens markt- en dealersituatie en historische nieuwprijs
5.10.
Belanghebbende stelt dat in plaats van de taxatiemethode de koerslijstmethode moet worden toegepast en dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden vastgesteld op basis van de koerslijst EurotaxGlass met toepassing van de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven in te stemmen met het gebruik van de koerslijstmethode op basis van Eurotaxglass en de toepassing van de 15% vermindering op de waarde volgens deze koerslijst op basis van ‘markt- en dealersituatie’.
Belanghebbende heeft ter zitting er mee ingestemd dat de door de Inspecteur gebruikte historische nieuwprijs gehanteerd wordt. Mede op basis daarvan concludeert de Inspecteur met instemming van belanghebbende dat de naheffingsaanslag alsdan moet worden verminderd tot € 4.889. Het Hof sluit zich aan bij partijen en vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.889.
Vermindering waarde in onbeschadigde staat (ex-rental)
5.11.
Belanghebbende stelt voorts dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt derhalve.
Verzoek hogere vergoeding van immateriële schade
5.12.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te laag heeft vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase samen met afgerond acht maanden is overschreden, waarbij de overschrijding is toe te rekenen aan de bezwaarfase.
5.13.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775 en 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, in samenhang bezien, volgt als uitgangspunt dat voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Daar wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, alleen dan van afgeweken indien het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Aangezien de overschrijding in deze zaak acht maanden bedraagt en het belang meer dan € 1.000 bedraagt, heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.000. De Rechtbank heeft de schadevergoeding dus juist vastgesteld.
Hoogte proceskostenvergoeding beroep
5.14.
Het Hof leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:572, af dat de rechter die de proceskostenvergoeding toekent, zelf beslist over het gewicht van de zaak. In hoger beroep of cassatie is slechts ruimte voor een marginale toets. De Rechtbank heeft het gewicht van de zaak gewogen en deze als licht gekwalificeerd. Het Hof laat deze beslissing in stand. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade is niet moeilijk of bewerkelijk. De Rechtbank heeft het gewicht van dit verzoek mogen bepalen op licht.
5.15.
Ook de stelling dat de beperkte proceskostenvergoeding in strijd komt met het Unierecht treft geen doel. Zoals valt af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, zijn beperkingen aan de proceskostenvergoeding in bpm zaken niet strijdig met het doeltreffendheid- en gelijkwaardigheidsbeginsel, terwijl van strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie evenmin sprake is. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een hogere of zelfs integrale proceskostenvergoeding.
Griffierecht
5.16.
Belanghebbende klaagt dat de heffing en hoogte van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).