Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-05-27
ECLI:NL:GHDHA:2025:1053
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep kort geding
2,058 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.352.026/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/678523 / KG RK 25-33
Beschikking van 27 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. T. Meevis, kantoorhoudend in Eindhoven,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats],
verweerder.
Het hof noemt partijen hierna verzoeker en verweerder.
1De zaak in het kort
1.1
Deze zaak gaat om een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op een woning. De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat summierlijk niet van de deugdelijkheid van de vordering was gebleken. Het hof is het daarmee eens en bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter.
Procesverloop
2.1
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 14 februari 2025, is verzoeker in hoger beroep gekomen van de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 januari 2025.
2.2
Bij e-mail van 8 april 2025 heeft mr. Meevis, in reactie op een verzoek tot doorgifte van verhinderdata voor de mondelinge behandeling, namens verzoeker aan het hof meegedeeld afstand te doen van het recht op een mondelinge behandeling en het hof verzocht zo spoedig mogelijk uitspraak te doen. In verband met de aard van het geding en het voorliggende verzoek is verweerder niet opgeroepen voor een mondelinge behandeling en evenmin in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
2.3
Vervolgens heeft het hof de datum van de af te geven beschikking bepaald op 10 juni 2025.
Feiten
3.1
Verzoeker treedt door middel van een tiental volmachten op namens gedupeerden van de toeslagenaffaire. In een zowel tegen de Staat als tegen verweerder gevoerde bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag vordert hij schadevergoeding in verband met de affaire rond de kinderopvangtoeslagregeling (‘de toeslagenaffaire’).
4Procedure bij de rechtbank
4.1
Bij (aangepast) verzoekschrift van 16 januari 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter in de rechtbank verzocht conservatoir beslag te kunnen leggen op het woonhuis van verweerder, teneinde verhaal mogelijk te maken voor schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van de toeslagenaffaire.
4.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen.
5Verzoek in hoger beroep
5.1
Verzoeker verzoekt de beschikking te vernietigen, de vordering op verweerder te begroten op EUR 325.000 en verlof te verlenen om conservatoir beslag te leggen op de woning van verweerder.
Beoordeling
6.1
Met zijn grieven 1 en 2 voert verzoeker aan dat de voorzieningenrechter te hoge eisen heeft gesteld aan de onderbouwing van de vordering waarvoor hij conservatoir beslag wenst te leggen. Volgens verzoeker heeft hij het vorderingsrecht en de grondslag daarvan in het beslagrekest meer dan voldoende concreet onderbouwd en heeft de voorzieningenrechter miskend dat de deugdelijkheid van de vordering slechts summierlijk mag worden getoetst.
6.2
Het hof stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een verzoek tot het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf neergelegd in artikel 700, tweede lid, Rv. Daarin is bepaald dat de voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. Dat onderzoek vereist dat op grond van de stellingen van de verzoeker en hetgeen deze ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, summierlijk moet blijken van de deugdelijkheid van de vordering tot verzekering waarvan het beslag strekt. Het is daarbij aan de verzoeker om feiten en omstandigheden te stellen die summierlijk de deugdelijkheid van de door hem gestelde vordering aantonen. Het voorgaande brengt niet mee dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek om beslagverlof een voorlopig oordeel moet geven over de gegrondheid van die vordering, maar wel dat hij na het door artikel 700, tweede lid, Rv bepaalde summiere onderzoek de deugdelijkheid daarvan zal moeten kunnen aannemen. In hoger beroep is het hof aan dezelfde maatstaf gebonden.
6.3
Beoordeeld aan de hand van deze maatstaf, kunnen de door verzoeker aangevoerde gronden bij summier onderzoek de vordering niet dragen zodat het verzoek moet worden afgewezen en de grieven falen. Het hof licht dit als volgt toe.
6.4
Verzoeker wenst beslag te leggen voor een vordering tot schadevergoeding wegens een door verweerder gepleegde onrechtmatige daad. Deze onrechtmatige daad zou volgens verzoeker met name bestaan in de schending van de door verweerder afgelegde ambtseed doordat hij gedupeerden met opzet zou hebben misleid omdat strafrechtelijke aangifte door het ministerie van Financiën slechts een symbolische actie voor de bühne was die tot niets heeft geleid. Uit het verzoekschrift blijkt echter niet op grond waarvan het doen van een volgens verzoeker kansloze strafrechtelijke aangifte door het ministerie van Financiën, jegens gedupeerden van de toeslagenaffaire onrechtmatig zou zijn, zij daardoor schade zouden hebben geleden en evenmin waarom verweerder daarvoor persoonlijk (civielrechtelijk) aansprakelijk zou zijn. Voor zover verzoeker verweerder meer algemeen verwijt te hebben nagelaten eerder in te grijpen, heeft hij onvoldoende concrete feiten aangedragen waaruit de persoonlijke civielrechtelijke aansprakelijkheid van verweerder voortvloeit. Het overgelegde krantenartikel in De Telegraaf van 3 februari 2021 is daarvoor onvoldoende en ook overigens ontbreekt een voor toewijzing van het verzoek tot beslaglegging vereiste onderbouwing van de (deugdelijkheid van de) onderliggende tegen verweerder in persoon ingestelde vordering. In de gerechtelijke uitspraken waarnaar verzoeker verwijst lag de persoonlijke aansprakelijkheid van verweerder niet ter beoordeling voor. Dat verweerder zulke aansprakelijkheid zou hebben erkend, volgt niet uit de door verzoeker aangehaalde publieke uitlatingen waarin verweerder heeft gezegd formeel eindverantwoordelijk te zijn en zich verantwoordelijk te voelen, noch uit zijn namens het kabinet aan gedupeerden aangeboden excuses vanwege de fouten die zijn gemaakt met de kinderopvangtoeslagregeling. Er is, kortom, niet summierlijk van de deugdelijkheid van de vordering gebleken.
6.5
Bij het voorgaande komt dat het hier gaat om een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op een onroerende zaak. Voor toewijzing daarvan is op grond van art. 725 jo. 711 lid 1 Rv gegronde vrees voor verduistering vereist. De door verzoeker in dit verband aangevoerde omstandigheid dat het risico bestaat dat verweerder de woning kan verkopen nu verweerder voor langere tijd in Brussel woont en daar immuniteit geniet, levert nog geen redelijke verwachting op dat deze zijn Haagse woning aan effectief verhaal door verzoeker zal onttrekken aan het beslag.
6.6
Bovendien staat een belangenafweging aan toewijzing in de weg (onder meer) nu verzoeker het beslag wil leggen in verband met een primair tegen de Staat gevoerde bodemprocedure en nergens uit blijkt dat daarin eventueel toe te wijzen schadevorderingen niet verhaalbaar zullen zijn.
Conclusie
6.7
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. De kosten van het geding in hoger beroep komen voor rekening van [verzoeker]. Aangezien verweerder niet is verschenen (zie onder 2.2 hiervoor), is voor een daartoe strekkende proceskostenveroordeling geen aanleiding, zodat deze achterwege wordt gelaten.
Dictum
Het hof:
- bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 januari 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Lenselink, mr. E.I. Mentink en mr. A.A. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier.