Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:GHDHA:2025:1031
Civiel recht
Hoger beroep
6,688 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.344.386/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/645910 / HA ZA 22-811
Arrest van 18 februari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. W.P. Groenendijk, kantoorhoudend in Zwijndrecht,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.D. Winter, kantoorhoudend in ’s-Gravenhage .
Het hof noemt appellant hierna [appellant] en geïntimeerden gezamenlijk [geïntimeerde 1] c.s. en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn vrienden van elkaar geweest. Begin 2021 heeft [appellant] een schadevergoeding van Defensie ontvangen. [appellant] heeft vervolgens twee bedragen (€ 25.300,00 en € 5.000,00) op de rekening van [geïntimeerde 1] gestort zonder dat daarvoor naar zijn zeggen een reden was. [geïntimeerde 1] zegt dat het om de terugbetaling van een lening en een gift ging. [geïntimeerde 1] moet eerst de stukken waarover hij beschikt en waaruit het verloop van de lening en de hoogte blijkt in het geding brengen.
1.2
Vervolgens heeft [geïntimeerde 1] een bedrag van € 40.000,00 aan [appellant] geleend. Afgesproken was dat [appellant] dat bedrag binnen twee maanden met een vergoeding van € 10.000,00 zou terugbetalen. Het hof oordeelt dat [geïntimeerde 1] bij het maken van de afspraak over de vergoeding van € 10.000,00 misbruik heeft gemaakt van de psychische en financiële nood waarin [appellant] op dat moment verkeerde, zodat [appellant] alleen de € 40.000,00 en rente terug moet betalen. [appellant] mag bewijzen dat hij daarvan al € 10.000,00 heeft terugbetaald.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 9 april 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2024;
het arrest van dit hof van 17 september 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
de memorie van grieven van [appellant] ;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] c.s.
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2024.
2.2
Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling laten weten af te zien van een nadere meervoudige mondelinge behandeling en om arrest gevraagd.
Feiten
3.1
Tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] heeft een langdurige vriendschapsrelatie bestaan.
3.2
[appellant] is veteraan. Bij hem is onder meer PTSS vastgesteld. In verband daarmee heeft [appellant] begin 2021 van Defensie een schadevergoeding van € 637.500,00 ontvangen.
3.3
Op 26 januari 2021 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] het volgende WhatsAppbericht gestuurd:
“Je hebt niet terug gebeld, maar ik wil je vragen het geld over te maken. Ik kom anders in problemen met dingen die ik moet betalen.
Ik ben blij met het bedrag dat je mij extra hebt gegeven, maar als ik daarmee een andere auto zou moeten kopen zou ik het niet halen.”
3.4
Diezelfde dag, op 26 januari 2021, heeft [appellant] € 25.300,00 overgemaakt naar de bankrekening van [geïntimeerde 1] met als omschrijving: “Bedankt voor het lenen” .
3.5
Op 30 januari 2021 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] het volgende WhatsAppbericht gestuurd:
“Ben nog steeds bezig met betalingen. Zou je die 5 voor mij over willen maken?”
3.6
Op 22 april 2021 heeft [appellant] € 5.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [geïntimeerde 1] , dit keer zonder omschrijving.
3.7
Op 26 augustus 2021 zou de levering plaatsvinden van een woning die [appellant] samen met zijn vriendin had gekocht. Enkele dagen daarvoor, op 24 augustus 2021, hebben partijen een document ondertekend waarboven staat “SCHULDBEKENTENIS” . De inhoud van de bekentenis luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Hierbij verklaart ondergetekende [appellant] , […] een lening te zijn aangegaan van € 40.000,- (veertigduizend euro's). Voor deze lening is een zekerheidstelling van een garage, gelegen aan […]. Behalve dit onderpand treden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als garantstellers op.
Het geleende bedrag zal vermeerderd met een bedrag van €10.000,- (tienduizend euro's) uiterlijk 31 oktober 2021 worden ingelost.”
3.8
Op 25 augustus 2021 heeft [geïntimeerde 1] € 35.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] met als omschrijving: “Eigenbijdrage nieuwe woning [woonplaats 1] ”. Op 26 augustus 2021 heeft [geïntimeerde 1] € 5.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] met als omschrijving: “restantbedrag van 40.000”.
3.9
Op 7 september 2021 heeft [geïntimeerde 1] € 2.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] met als omschrijving: “lening”.
3.10
Op 31 augustus 2022 hebben [geïntimeerde 1] c.s. ten laste van [appellant] conservatoir beslag laten leggen op een garagebox en woning waarvan [appellant] (gedeeltelijk) eigenaar is en onder de ING Bank.
3.11
Bij e-mail van 6 december 2022 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde 1] verzocht om “de aan hem ter leen verstrekte gelden” van € 30.300,00 binnen veertien dagen terug te betalen.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[geïntimeerde 1] c.s. hebben [appellant] gedagvaard en gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 1] c.s. van € 67.600,00 te vermeerderen met rente en kosten. [geïntimeerde 1] c.s. hebben hieraan ten grondslag gelegd dat:
[geïntimeerde 1] c.s. hebben een bedrag van € 40.000,00 aan [appellant] uitgeleend. Partijen hebben afgesproken dat [appellant] een rentevergoeding van € 10.000,00 verschuldigd is.
Later hebben [geïntimeerde 1] c.s. nog eens € 2.000,00 aan [appellant] uitgeleend.
De hoofdsom van € 52.000,00 moet conform de beslagpraktijk worden vermeerderd met 30% opslag voor rente en kosten, wat neerkomt op een bedrag van € 15.600,00.
4.2
[appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten. Hierbij heeft hij het volgende aangevoerd:
De bedragen zijn afkomstig van de bankrekening van [geïntimeerde 1] , zodat [geïntimeerde 2] geen uitlener is. De vorderingen van [geïntimeerde 2] moeten daarom worden afgewezen.
De afspraak over de rentevergoeding van € 10.000,00 is in strijd met de goede zeden, althans die afspraak is door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen. [appellant] en [geïntimeerde 1] zijn immers jeugdvrienden van elkaar. [geïntimeerde 1] heeft misbruik gemaakt van die vriendschap. Daarbij komt dat [geïntimeerde 1] wist dat [appellant] met zijn rug tegen de muur stond en dat hij als veteraan met PTSS niet goed met zijn geld kon omgaan.
[appellant] betwist dat [geïntimeerde 1] c.s. hem € 2.000,00 hebben uitgeleend.
[appellant] heeft € 10.000,00 contant terugbetaald aan [geïntimeerde 1] .
De opslag van 30% uit de Beslagsyllabus is niet van toepassing op een vordering in een bodemprocedure.
Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. iets van [appellant] te vorderen hebben, moet daarmee de vordering worden verrekend die [appellant] op [geïntimeerde 1] heeft.
4.3
[appellant] heeft op zijn beurt gevorderd (in reconventie) - na vermeerdering van zijn eis - dat de conservatoire beslagen worden opgeheven en [geïntimeerde 1] c.s. worden veroordeeld tot betaling van € 30.300,00 te vermeerderen met € 1.304,38 aan buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag:
De overwaarde op de woning is genoeg om de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. te kunnen voldoen, zodat het beslag op de garagebox onnodig en vexatoir is.
[appellant] heeft eerst een bedrag van € 25.300,00 en later een bedrag van € 5.000,00 aan [geïntimeerde 1] uitgeleend.
Voor zover er geen sprake is van een geldlening, heeft [appellant] de vermelde bedragen onverschuldigd betaald, dan wel is [geïntimeerde 1] door de overschrijvingen ongerechtvaardigd verrijkt.
[geïntimeerde 1] moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden, die moeten worden begroot op € 1.304,38.
4.4
[geïntimeerde 1] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met rente en nakosten. [geïntimeerde 1] c.s. voeren daartoe het volgende aan:
[geïntimeerde 1] c.s. betwisten dat de overwaarde op de woning van [appellant] genoeg is om hun vorderingen te kunnen voldoen.
Het bedrag van € 25.300,00 betrof de terugbetaling van een bedrag dat [geïntimeerde 1] eind 2020 aan [appellant] heeft uitgeleend.
Het bedrag van € 5.000,00 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] geschonken.
De advocaat van [appellant] heeft slechts een eenregelige e-mail gestuurd, zodat de buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen.
4.5
De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde 2] afgewezen en haar in de proceskosten van [appellant] veroordeeld en die kosten op nihil begroot. De vordering van [geïntimeerde 1] heeft de rechtbank tot een bedrag van € 52.000,00 toegewezen, nog te vermeerderen met rente, € 2.172,34 beslagkosten en proceskosten van € 3.749,03.
Beoordeling
6.1
Het hof stelt allereerst vast dat hoewel [appellant] het hoger beroep ook heeft ingesteld tegen [geïntimeerde 2] , de door [geïntimeerde 2] ingestelde vordering door de rechtbank is afgewezen en [appellant] zelf geen vordering tegen haar heeft ingesteld. Er zijn ook geen grieven gericht tegen de oordelen en beslissing die zien op de vordering van [geïntimeerde 2] . Dit betekent dat [appellant] in het hoger beroep voor zover dat is ingesteld tegen [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. [appellant] zal in de kosten in hoger beroep van [geïntimeerde 2] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op nihil omdat er namens [geïntimeerde 2] geen aparte proceshandelingen zijn verricht.
6.2
Grief I van [appellant] richt zich tegen het feit dat in het vonnis van de rechtbank een onjuiste woonplaats van [geïntimeerde 1] c.s. is vermeld ( [woonplaats 2] in plaats van [woonplaats 2] ). Deze kennelijke fout leende zich voor eenvoudig herstel en kan niet tot een ander oordeel of dictum leiden, zodat [appellant] bij deze grief geen belang heeft. In dit arrest is de juiste woonplaats van [geïntimeerde 1] c.s. vermeld.
De vordering van [geïntimeerde 1] (geldlening € 40.000,00, vergoeding € 10.000,00 en € 2.000,00)
6.3
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] € 40.000,00 van [geïntimeerde 1] heeft geleend en dat partijen hierbij hebben afgesproken dat [appellant] dit bedrag met een vergoeding van € 10.000,00 aan [geïntimeerde 1] terugbetaalt. Tegen de vaststelling hiervan door de rechtbank zijn door [appellant] ook geen grieven gericht, zodat dat vaststaat. [appellant] heeft echter betoogd dat deze overeenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW) dan wel niet geldig (vernietigbaar) is omdat er bij het sluiten daarvan aan de kant van [geïntimeerde 1] sprake was van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW (grief III).
6.4
Misbruik van omstandigheden is aanwezig als [geïntimeerde 1] het tot stand komen van de leningsovereenkomst heeft bevorderd terwijl hij wist (of moest begrijpen) dat hij [appellant] nu juist daarvan moest weerhouden. Hierbij is nodig dat [geïntimeerde 1] wist (of moest begrijpen) dat [appellant] door bijzondere omstandigheden (zoals bijvoorbeeld noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) werd bewogen tot het sluiten van de leningsovereenkomst met een dergelijk hoge vergoeding.
Geldlening € 40.000,00
6.5
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden voor wat betreft het sluiten van de leningsovereenkomst zelf, zodat in die zin grief III niet slaagt. Vast staat dat [appellant] op het laatste moment geld nodig had voor de levering van een door hem aangekocht huis en zelf niet over voldoende geld beschikte en daarvoor een beroep deed op [geïntimeerde 1] . Het niet verstrekken van de lening zou, zo heeft [appellant] ook niet betwist, tot gevolg hebben dat het huis niet geleverd zou worden en dat zou nadelige financiële consequenties voor [appellant] hebben. Dat [geïntimeerde 1] onder die omstandigheden [appellant] van het lenen van het geld had moeten weerhouden is door [appellant] ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt.
Vergoeding € 10.000,00
6.6
Anders ligt dat voor de overeengekomen vergoeding van € 10.000,00. Het betrof een kortlopende lening, waar - door deze hoge vergoeding - na verloop van een korte tijd al 25% van het geleende bedrag bovenop kwam. [geïntimeerde 1] wist dat [appellant] het geld dringend nodig had en elders op een dergelijke korte termijn geen lening af kon sluiten tegen een regulier tarief. Daarnaast was [geïntimeerde 1] ervan op de hoogte dat [appellant] psychische problemen had (PTTS) in combinatie met het feit dat hij niet goed met geld om kon gaan ( [geïntimeerde 1] had [appellant] in het verleden naar eigen zeggen al vaker financieel geholpen en het bedrag dat [appellant] als schadevergoeding had gekregen was kennelijk al niet meer beschikbaar voor de aankoop van de woning). Ook wist [geïntimeerde 1] dat het beschermingsbewind waar [appellant] een tijd onder had gestaan was afgelopen en er in die zin ook geen controle en/of hulp meer was bij de financiën van [appellant] . Hier komt nog bij [geïntimeerde 1] in strijd met de waarheid aan [appellant] heeft voorgespiegeld dat hij het geld zelf niet had en bij een andere geldschieter tegen een hoge vergoeding heeft moeten lenen. Daarmee heeft [geïntimeerde 1] de indruk gewekt dat hij zichzelf in de schulden stak en hiermee een risico liep wat er in werkelijkheid niet was, waardoor aannemelijk is dat [appellant] sneller heeft ingestemd met ongunstige voorwaarden. Het maakt hierbij naar het oordeel van het hof overigens niet uit of [appellant] zelf de vergoeding van € 10.000,00 heeft voorgesteld, zoals [geïntimeerde 1] stelt maar [appellant] betwist, omdat ook als dat het geval is, [geïntimeerde 1] [appellant] er nog steeds van had moeten weerhouden een dergelijk hoge vergoeding af te spreken om te voorkomen dat [appellant] nog verder in de financiële problemen zou komen en terugbetalen problematisch werd. Dat het overigens nodig was om een dergelijk hoge vergoeding af te spreken om ervoor te zorgen dat [appellant] terug zou betalen, is door [geïntimeerde 1] niet nader onderbouwd. Sterker nog, [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij vaker leningen aan [appellant] verstrekte en daarbij nooit iets op papier zette of een vergoeding daarvoor afsprak, kennelijk was dat in de verhouding tussen partijen niet nodig. Door toch een dergelijk hoge vergoeding af te spreken, heeft [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof misbruik van de omstandigheden (psychische en financiële nood) waar [appellant] in verkeerde, gemaakt. Dit betekent dat [appellant] terecht een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van dit deel van de overeenkomst en deze afspraak tussen partijen niet geldt (3:44 lid 3 juncto 3:41 BW), in deze zin slaagt grief III.
6.7
Dit alles betekent dat [appellant] (in beginsel want dit is nog afhankelijk van de vraag of en zo ja in hoeverre [appellant] ook een vordering op [geïntimeerde 1] heeft die hij kan verrekenen) gehouden is het geleende bedrag van € 40.000,00 aan [geïntimeerde 1] terug te betalen, maar de vordering voor wat betreft de vergoeding van € 10.000,00 alsnog zal worden afgewezen. Bij de bespreking van grief II, strekkend tot de nietigheid van het rentebeding wegens strijd met de goede zeden, heeft [appellant] onder deze omstandigheden geen belang meer, zodat aan deze grief voorbijgegaan wordt.
Betaling € 10.000,00
6.8
De rechtbank heeft het verweer van [appellant] dat hij € 10.000,00 contant heeft terugbetaald verworpen, omdat [appellant] daarvan geen bewijs had geleverd zoals aan hem opgedragen in het tussenvonnis van 14 juni 2023. In hoger beroep heeft [appellant] nogmaals aangeboden zijn stelling, dat hij omstreeks 11 september 2021 een bedrag van € 10.000,00 contant heeft terugbetaald aan [geïntimeerde 1] , te bewijzen in het bijzonder door zichzelf als getuige te horen. [geïntimeerde 1] heeft in reactie hierop gewezen op artikel 164 lid 2 Rv (oud) waaruit blijkt dat de verklaring van [appellant] omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs en geconcludeerd dat het bewijs aldus niet kan worden geleverd. De rechter mag echter niet vooruitlopen op het resultaat van een bewijsvoering die nog moet plaatsvinden en om die reden aan een bewijsaanbod voorbijgaan. [appellant] zal dan ook worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling.
6.9
Het toewijzen van de door [geïntimeerde 1] gevorderde € 2.000,00 zal worden bekrachtigd. [appellant] heeft als zodanig geen grieven gericht tegen het toewijzen van dit bedrag.
Dictum
De vordering van [appellant]
6.11
In grief IV, V en VI komt [appellant] op tegen het afwijzen (dan wel het niet verrekenen met wat hij nog verschuldigd is aan [geïntimeerde 1] ) van zijn vordering van € 30.300,00 op [geïntimeerde 1] .
6.12
[appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van de vordering van [appellant] een andere redenering heeft gevolgd dan ten aanzien van de vordering van [geïntimeerde 1] terwijl het in beide gevallen gaat om het overmaken van geld op de rekening van de ander zonder dat de rechtsgrond daarvan vaststaat. Bij [geïntimeerde 1] is daaraan de conclusie verbonden dat als het geen lening is, het onverschuldigd betaald is en dus terugbetaald moet worden, terwijl [appellant] moet bewijzen dat een rechtsgrond ontbrak.
6.13
Het hof oordeelt hierover als volgt. [appellant] heeft in eerste aanleg alleen aangevoerd dat hij niet weet waarom [geïntimeerde 1] € 2.000,00 met de omschrijving “lening” aan hem heeft overgemaakt. Een andere reden of rechtvaardiging voor betaling heeft [appellant] niet aangevoerd. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank kunnen oordelen dat partijen het erover eens waren dat dit bedrag sowieso moest worden terugbetaald, dan wel omdat er sprake was van een lening, dan wel omdat er geen reden was dit bedrag aan [appellant] over te maken (ontbreken van een rechtsgrond). Tegen de toewijzing van dit bedrag is door [appellant] ook geen grief gericht (zoals hierboven al is overwogen), zodat de verschuldigdheid daarvan is komen vast te staan. Dit lag ten aanzien van de betalingen die door [appellant] zijn verricht anders, omdat [geïntimeerde 1] hier wel een andere reden voor heeft aangevoerd, namelijk terugbetaling van een lening en een schenking, zodat niet vaststond dat [geïntimeerde 1] de bedragen aan [appellant] terug moest betalen (dan wel omdat het een lening was, dan wel omdat daarvoor geen rechtsgrond was). Grief VI faalt dan ook.
6.14
Aan [appellant] is in eerste aanleg opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 1] zich heeft verplicht om € 25.300,00 en € 5.000,00 aan [appellant] terug te betalen dan wel dat voor het overmaken van deze bedragen door [appellant] op de rekening van [geïntimeerde 1] geen rechtsgrond bestond.
6.15
[appellant] heeft aangevoerd dat de bewijslast zou moeten worden omgekeerd, omdat hij in een onmogelijke bewijspositie is gebracht door hem bewijs van een negatief feit (ontbreken van een rechtsgrond) op te dragen. Het enkele feit echter dat [appellant] zou moeten bewijzen dat er geen rechtvaardiging voor de hem verrichte betalingen was, is onvoldoende om de bewijslast anders te verdelen dan conform de hoofdregel van 150 Rv. Daarnaast kan [appellant] aan de bewijsopdracht voldoen door bewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat er geen grond was om de bedragen over te maken op de rekening van [geïntimeerde 1] . [appellant] is dan ook terecht met het bewijs van zijn stellingen belast.
6.16
Het hof stelt vast dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet bewezen heeft dat [geïntimeerde 1] zich heeft verplicht de bedragen terug te betalen omdat hij de bedragen van [appellant] had geleend. Hiertegen is door [appellant] niet gegriefd, zodat er ook in de procedure in hoger beroep niet kan worden uitgegaan dat [appellant] de bedragen aan [geïntimeerde 1] heeft uitgeleend. Wel heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft bewezen dat een rechtsgrond aan de betalingen van € 23.500,00 en € 5.000,00 ontbrak en dat de rechtbank dus ten onrechte heeft aangenomen dat de betalingen de terugbetaling van een lening betrof.
Betaling € 25.300,00
6.17
De rechtbank is er bij de waardering van het bewijs vanuit gegaan dat de betaling van € 25.300,00 een terugbetaling was van een lening van [geïntimeerde 1] aan [appellant] . [appellant] heeft er in hoger beroep terecht op gewezen dat de stellingen van [geïntimeerde 1] over deze lening wisselend en inconsistent en niet op alle punten onderbouwd zijn. In dat kader heeft [appellant] ook met stukken van de bewindvoerder aangetoond dat hij inmiddels ook schulden aan [geïntimeerde 1] uit het verleden had betaald, zodat in ieder geval niet het gehele bedrag een aflossing van schulden kon zijn. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] aangevoerd dat [geïntimeerde 1] heel vaak geld aan [appellant] heeft geleend of rekeningen of schulden voor hem betaalde en daar zelf aantekeningen van bijhield. Het hof neemt dan ook aan dat aan het bedrag van € 25.300,00 een administratie en/of berekening ten grondslag ligt. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om [geïntimeerde 1] te bevelen deze aantekeningen over te leggen en een toelichting te geven op de samenstelling van dit bedrag, zoals bedoeld in artikel 22 Rv. Hierbij dient [geïntimeerde 1] ook toe te lichten op welke schuld de aflossing van € 5.650,00 ziet, die via de bewindvoerder is gelopen en duidelijk te maken dat deze schuld niet in het bedrag van € 25.300,00 is opgenomen. In afwachting hiervan worden alle overige beslissingen op dit punt aangehouden.
Betaling € 5.000,00
6.18
Ten aanzien van de door [appellant] op 22 april 2021 overgemaakte € 5.000,00 overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen bewijs heeft geleverd van zijn stellingen dat [geïntimeerde 1] zich heeft verplicht dit bedrag terug te betalen dan wel dat aan deze betaling een rechtsgrond ontbrak. [appellant] heeft echter gesteld dat van een rechtsgrond niet is gebleken zodat vaststaat dat deze betaling onverschuldigd is geweest. Hiermee is echter niet gezegd dat het bewijs wel is geleverd. Wel heeft [appellant] ook op dit punt een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Ten aanzien van het verweer van [geïntimeerde 1] hierop, geldt eveneens wat onder 6.8 is overwogen. [appellant] zal dus tot dit bewijs worden toegelaten.
Rolverwijzing
6.19
Het hof ziet aanleiding de zaak eerst naar de rol te verwijzen zodat [geïntimeerde 1] de aantekeningen en de toelichting in het geding kan brengen zoals bedoeld in 6.17 en [appellant] daar vervolgens op mag reageren alvorens gelegenheid te geven voor het horen van getuigen. Dit voor het geval ook ten aanzien van de betaling van € 25.300,00 een bewijsopdracht zal worden gegeven en het dan om reden van proces-economie aangewezen is de getuigenverhoren ten aanzien van alle punten tegelijk te laten plaatsvinden.
6.20
Alle overige beslissingen worden aangehouden.
Dictum
Het hof:
in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde 2]
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen [geïntimeerde 2] ;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot op heden begroot op nihil;
in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde 1]
verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2025 voor het nemen van akte als bedoeld onder 6.17 aan de zijde van [geïntimeerde 1] , waarna [appellant] een antwoordakte mag nemen;
houdt alle overige beslissingen aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Verkerk, E.I. Mentink en B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.