Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2024-12-11
ECLI:NL:GHDHA:2024:2947
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/492 Uitspraak van 11 december 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2024, nummer SGR 23/1721. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 509.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 50 geheven. De uitspraak van de Rechtbank luidt: “De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 87,50; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 138 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 oktober 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning uit 1930. De gebruiksoppervlakte van de woning is 111 m² en de oppervlakte van het perceel is 2.753 m². Van het perceeloppervlakte is een deel, groot 428 m2, aan te merken als uitgezonderde grond als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter d, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. Verder beschikt de woning over een garage van 40 m² en een berging van 382 m². 2.2. De Heffingsambtenaar heeft een matrix overgelegd waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is getaxeerd op € 532.262,94. In de matrix zijn de verkooptransacties van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). 2.3. De in de matrix opgenomen waarde van de woning is als volgt onderbouwd: Waardering TOTAAL per m2 Waarde grond (2.753 m2) € 306.959 € 111,500 Waarde water € 0 Waarde hoofdgebouw € 230.526 Waarde garage € 36.000 Waarde berging € 6.500 € 2.077 Waarde economische verkeer € 579.984,86 Uitgezonderde grond (428 m2) € 47.721,92 WOZ-waarde € 532.262,94 Vastgesteld waarde € 509.000,00 Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld: “Beoordeling van de waarde van de woning 2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaa De rechtbank komt tot dit bedrag, gelet op de eenvoud van de zaak, de (zeer geringe) werkbelasting van de gemachtigde alsook het geringe belang van de zaak, een en ander indachtig de maatschappelijke wens de overcompensatie weg te nemen die er is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.[2] De rechtbank overweegt hierbij dat belanghebbende, die procedeert met een no-cure-no-pay- gemachtigde, hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. (…) [1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886. [2] Kamerstukken II, 2023/24, 36 427, nr. 2 e.v.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Verder is in geschil of de Rechtbank een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning wordt verminderd tot € 335.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Verder heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een hogere proceskostenvergoeding. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Verweerschrift in beroep 5.1. Belanghebbende heeft ter zitting zijn stelling dat de Rechtbank het verweerschrift van de Heffingsambtenaar tardief had moeten verklaren, ingetrokken, zodat deze grief geen behandeling meer behoeft. Waarde van de woning 5.2. De waarde van de woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44). 5.3. De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een matrix overgelegd. Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. De Heffingsambtenaar heeft voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt om de conclusie te kunnen trekken dat de door hem voorgestane waarde van € 509.000 niet te hoog is. Het Hof verwijst naar de motivering van de Rechtbank, die het Hof overneemt en mede ten grondslag legt aan zijn oordeel. Het Hof voegt daaraan het volgende toe. 5.4.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de waarde moet worden bepaald op € 335.000. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor de grond met de bestemming natuur dient een m2-prijs van € 15 te worden gehanteerd, omdat het geen bouwgrond is. Van het totale perceeloppervlak heeft een deel groot 2.243 m2 de bestemming natuur, zodat aan die grond een waarde moet worden toegekend van € 33.645. Van het overige deel van het perceel (510 m2) is 428 m2 uitgezonderd van de waardebepaling. Aan het resterende deel van het perceel moet een waarde met inachtneming van de grondstaffel worden toegekend van ((510 – 428 =) 82 m2 x € 350 =) € 28.700. Dit brengt mee dat aan de grond een waarde van in totaal € 62.345 (€ 33.645 plus € 28.700) moet worden toegekend. Door deze waarde te vermeerderen met de waarde van het hoofdgebouw, de garage en de berging, komt belanghebbende uit op de door hem bepleite waarde van € 335.000. 5.4.2. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, mede gelet op de gemotiveerde b De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend te worden toegepast (vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, BNB 2011/180). 5.9. Het Hof ziet in de aangedragen feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding de kosten te matigen op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 3, Bpb. Er is geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin de toekenning van een vergoeding volgens de regels opgenomen in de bijlage bij het Bpb, leidt tot een onrechtvaardige uitkomst. De eenvoud van de zaak, de (zeer geringe) werkbelasting van de gemachtigde alsook het geringe belang van de zaak, worden verdisconteerd in de toe te passen wegingsfactor. De maatschappelijke wens om overcompensatie weg te nemen is opgepakt door de wetgever met de invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Aan de voorwaarden van het overgangsrecht bij die wet is voor de beroepsfase niet voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende procedeert met een no-cure-no-pay- gemachtigde vormt evenmin aanleiding de toe te kennen proceskostenvergoeding te matigen. 5.10. Dit brengt mee dat het hoger beroep wat betreft de proceskostenvergoeding gegrond is. Het Hof zal de kosten voor de beroepsfase opnieuw vaststellen met inachtneming van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 2, lid 1, letter a Bpb en in samenhang met de daarbij behorende Bijlage. Proceskosten en griffierecht Kosten beroep en hoger beroep 6.1.1. Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. 6.1.2. Het Hof stelt deze kosten vast op € 437,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting) à € 875 x 0,25 (gewicht van de zaak). Het geschil bij de Rechtbank betreft de hoogte van de waarde van de woning en de vraag of de Heffingsambtenaar heeft voldaan aan de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Belanghebbende is slechts ten aanzien van het gebrek aan informatieverstrekking in het gelijk gesteld. Dat gebrek is vervolgens gepasseerd omdat belanghebbende niet is benadeeld. De aanleiding voor de proceskostenvergoeding heeft mitsdien alleen betrekking op een formeelrechtelijk punt van ondergeschikt belang. Op grond hiervan is het gewicht van de zaak op 0,25 bepaald. 6.1.3. Het hoger beroep is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024, zodat op grond van artikel 30a, lid 2, letter b, Wet WOZ de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,1 voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Het Hof stelt deze kosten vast op € 175 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting) à € 875 x 1 (gewicht van de zaak) x factor 0,1. 6.2. Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te worden vergoed. Verzoek om uitbetaling op rekening van de gemachtigde 6.3. Belanghebbende heeft het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen nog vóór de inwerkingtreding van artikel 30a, lid 4 en lid 5, Wet WOZ rechtsgeldig aan de gemachtigde zijn gecedeerd. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat het verpandings-/vervreemdingsverbod dat is opgenomen in artikel 30a, lid 5, Wet WOZ onrechtmatig i