Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-02-14
ECLI:NL:GHDHA:2024:2873
Strafrecht
Wraking
956 tokens
Dictum
inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]),
adres: [woonadres] te [woonplaats],
hierna ook te noemen: verzoeker,raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht.
Procesverloop
1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 17 januari 2024 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit hof plaatsgevonden in de samenstelling mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. J.A.M. Jansen, leden.
2. Bij mondeling verzoek van 17 januari 2024 heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. De raadsman van verzoeker heeft per e-mail op 29 januari 2024 verzocht het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2024 op een zestal punten aan te vullen dan wel aan te passen.
3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.
4. Om na te melden redenen heeft de wrakingskamer afgezien van een mondelinge
behandeling van het wrakingsverzoek.
De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
5. De wrakingskamer stelt vast dat de raadsheren in de strafzaak geregistreerd onder het rolnummer 22-002829-22 ter openbare terechtzitting van 17 januari 2024 mondeling arrest hebben gewezen. Dat betekent dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat het arrest is gewezen en dat de behandeling van de strafzaak op het moment van indienen van het wrakingsverzoek dus al was geëindigd.
6. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker om die reden niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
7. Artikel 4, lid 2 aanhef en sub c van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag bepaalt
dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke
wrakingsverzoeken zonder mondelinge behandeling af te doen indien het verzoek is
ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
8. Het e-mailbericht van de raadsman van verzoeker d.d. 29 januari 2024 maakt dit oordeel niet anders, nu het proces-verbaal van de zitting van 17 januari 2024 voor de wrakingskamer in beginsel de kenbron vormt van al hetgeen op die terechtzitting is gebeurd. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van het verhandelde ter zitting en wordt door de rechter en de griffier ondertekend. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om niet van de inhoud van voornoemd proces-verbaal uit te gaan. Onvoldoende is gebleken dat er onjuistheden in het proces-verbaal zijn opgenomen. Hetgeen de raadsman van verzoeker overigens nog heeft aangevoerd per e-mail, voor zover het bedoeld is als aanvulling van de feiten en omstandigheden, leidt bovendien niet tot een ander oordeel nu een aanvulling van feiten en omstandigheden in dit stadium tardief is.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verzoeker, de raadsheren wiens wraking is verzocht en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 14 februari 2024 door mr. H.A.J. Kroon, mr. H.C. Wiersinga en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Dieteren.
Mr. P. Glazener is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.