Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-02-05
ECLI:NL:GHDHA:2024:2858
Strafrecht
Verschoning
1,159 tokens
Dictum
inzake het schriftelijk verzoek om verschoning, als bedoeld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering van
mrs. H.C. Wiersinga, W.A.G.J.W. Ferenschild en K. Versteeg,
raadsheren in dit gerechtshof,
hierna: de raadsheren,
als voorzitter en leden van de meervoudige strafkamer belast met de behandeling van de zaak met rolnummer 22-000911-14,
van
[verdachte] , veroordeelde,
advocaat: mr. G.N. Weski te Rotterdam.
Procesverloop
1. Op 7 oktober 2016 is [verdachte] (hierna: [verdachte] ) onherroepelijk veroordeeld voor feiten die naar voren zijn gekomen uit zaaksdossiers ‘Prins Frederik’ en ‘Criminele boekhouding’. Het Openbaar Ministerie heeft een ontnemingsvordering ingesteld.
2. Op 22 september 2023 is de straf- en ontnemingszaak van medeverdachte A.P. [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) inhoudelijk behandeld. De behandeling van de ontnemingszaak van [verdachte] is op 22 september 2023 aangehouden.
3. [medeverdachte] is door het hof op 18 oktober 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor (onder meer) betrokkenheid bij strafbare feiten gebaseerd op de zaaksdossiers ‘Prins Frederik’ en ‘Criminele boekhouding’. Tevens heeft het hof in de ontnemingszaak van [medeverdachte] een beslissing genomen.
4. Op 26 februari 2024 staat de verdere behandeling van de ontnemingszaak inzake [verdachte] gepland.
5. Bij verzoekschrift van 25 januari 2024 hebben de raadsheren verzocht zich te mogen verschonen in de ontnemingszaak inzake [verdachte] . Een kopie van het verzoekschrift is aan deze beslissing gehecht.
6. Het verschoningsverzoek is buiten zitting inhoudelijk behandeld. Het verschoningsverzoek
7. Het verschoningsverzoek is – samengevat – gebaseerd op het feit dat de meervoudige kamer voor strafzaken, waarvan de raadsheren deel uitmaakten, op 18 oktober 2023 een beslissing tegen [medeverdachte] heeft genomen in de hiervoor genoemde ontnemingszaak, gebaseerd op de veroordeling voor feiten die naar voren zijn gekomen uit de zaaksdossiers ‘Prins Frederik’ en ‘Criminele boekhouding’.
Beoordeling
8. In artikel 517 in verbinding met artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, elk van de rechters die een zaak behandelt kan verzoeken zich te mogen verschonen. Er dient naar aanleiding van het ingediende verschoningsverzoek te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
9. Bij beoordeling van een verschoningsverzoek dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor verschoning, althans dat bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
10. Het enkele feit dat dezelfde raadsheren een beslissing hebben genomen in een ontnemingszaak van een medeverdachte levert op zichzelf nog geen “uitzonderlijke omstandigheid” op voor een objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid.
11. In dit geval hebben de raadsheren echter zelf kenbaar gemaakt dat er twijfel zou kunnen rijzen over de rechterlijke onpartijdigheid vanwege de samenhang met de ontnemingszaak van [medeverdachte] . De verschoningskamer acht het met het oog op een goede (straf‑)procesorde juist om een rechter, die zelf om verschoning heeft verzocht vanwege de samenhang met een zaak waarin hij eerder heeft beslist, niet met de verdere behandeling van de zaak te belasten. Dit leidt in het onderhavige geval tot de conclusie dat er een gerechtvaardigde grond is voor het verschoningsverzoek en dit dan ook zal worden toegewezen.
Dictum
Het hof:
wijst het door mrs. mrs. H.C. Wiersinga, W.A.G.J.W. Ferenschild en K. Versteeg gedane verzoek om verschoning toe;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verdachte, het openbaar ministerie en de raadsheren die om de verschoning hebben verzocht.
Deze beslissing is gegeven op 5 februari 2024 door mrs. H.A.J. Kroon, J.W. van den Hurk en P. Glazener in aanwezigheid van de griffier T. van Limbergen.
mr. J.W. van den Hurk is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.