Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:GHDHA:2024:1991
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
11,142 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/315
Uitspraak van 10 oktober 2024
in het geding tussen:
[X] h.o.d.n. [X-1] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 maart 2023, nr. SGR 22/805.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.303 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.200 en een proceskostenvergoeding bezwaar toegekend van € 269.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 16 augustus 2024 een nader stuk (pleitnota) ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 augustus 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Op 13 mei 2019 heeft belanghebbende een aangifte bpm ingediend voor een Bentley Continental GT 6.0 W12 GT, met een datum eerste toelating 9 januari 2012 (de auto). Het uit de aangifte volgende bedrag aan bpm van € 4.922 heeft belanghebbende voldaan. In de aangifte is aangevinkt dat de aangever de auto inschrijft in het Nederlandse kentekenregister “als ondernemer”. Als naam van de ondernemer staat bij vraag 2 vermeld “ [naam eenmanszaak] ”. De aangifte is ondertekend door belanghebbende.
2.2.
Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van 13 mei 2019 van [naam 1] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat op 13 mei 2019 een expertise (taxatie) is uitgevoerd van de auto. Bij de taxatie is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 384 gr/km. De taxateur heeft de historische nieuwprijs op € 287.934 gesteld. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur vastgesteld aan de hand van een drietal referentievoertuigen en vastgesteld op € 79.008,80. De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 64.811,68 (reparatiekosten inclusief btw) vastgesteld en dit geheel in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 14.197,12. De historische bruto bpm is in de aangifte berekend op € 101.075.
2.3.
De dienst Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën (DRZ) heeft een onderzoek waardebepaling ten aanzien van de auto uitgevoerd. Op 23 mei 2019 is de auto door belanghebbende voor controle getoond aan DRZ. Van de controle is een rapport opgemaakt, dat is ondertekend door [naam 2] op 24 mei 2019. In dit DRZ-rapport (rapport onderzoek waardebepaling) zijn vermeld een CO2-uitstoot van 384 gr/km, een historische nieuwprijs van € 302.939, een netto-catalogusprijs van € 165.601 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 59.392 (op basis van de koerslijst Eurotax XchangeNet). DRZ heeft de schade aan de auto gecalculeerd op € 5.588 en hiervan een bedrag van € 4.107 (73%) in mindering gebracht.
2.4.
Met dagtekening 14 oktober 2020 heeft de Inspecteur aan [naam eenmanszaak] een zogenoemde “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” gezonden. Belanghebbende heeft hierop bij e-mailbericht van 23 oktober 2020 gereageerd:
“Ik ben het niet eens met de kennisgeving naheffingsaanslag (…)
[naam belanghebbende]
[naam eenmanszaak]
(…)”
Met dagtekening 26 oktober 2020 heeft de Inspecteur aan [naam eenmanszaak] , ter attentie van belanghebbende, een “Mededeling naheffingsaanslag BPM” gezonden. Vervolgens heeft de Inspecteur op basis van het onder 2.3 bedoelde onderzoek waardebepaling met dagtekening 20 november 2020 aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 8.303.
2.5.1.
De gemachtigde van belanghebbende is bij brief van 7 april 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Bij e-mailbericht van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde deze uitnodiging afgewezen in verband met zijn vakantie tot en met 16 mei 2021 en daarbij aangegeven niet eerder dan eind mei in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021. De gemachtigde is bij dat hoorgesprek niet verschenen.
2.5.2.
Bij e-mailbericht van 2 juli 2021 heeft de gemachtigde de Inspecteur een
e-mailbericht overgelegd van 19 mei 2021, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. Dit e-mailbericht vermeldt onder meer:
“Ik ontving zojuist van u een uitnodiging voor een hoorgesprek van 27 mei 2021. (…) 27 mei 2021 ben ik verhinderd. Het is verder uiteraard niet kies om op 19 mei 2021 een uitnodiging te sturen voor een week later. Ik ga echt geen 2 keer in de week met u een hoorgesprek houden, 1 keer per week is ruimschoots genoeg (…).
(…)”
2.5.3.
In een e-mailbericht van 2 juli 2021 aan zijn collega’s heeft de behandelend medewerker van de Belastingdienst het volgende geschreven:
“De heer Verhoeven gaat in op het hoorgesprek van 27 mei 2021. Dat is niet doorgegaan omdat hij
niet is verschenen in de WebEx meeting.
Hij stelt hieronder dat hij zich heeft afgemeld. Geel gemarkeerd.
S.v.p. ook in de dossiers opbergen.
Ik sla het ook op in de map hoorverslag 27 mei 2021.
De mail onderaan waarmee hij zich heeft afgemeld heeft hij verstuurd op 19 mei 2021. Heb ik echter nooit ontvangen. Waarschijnlijk verstuurd vanaf zijn geblokkeerde e-mailadres.
Hoe dan ook; niet afgemeld. Ik wist van niets.
De stukken van 25 mei 2021 heb ik pas op 25 mei ontvangen, ook die zijn kennelijk eerder vanaf het geblokkeerde adres verstuurd.”
2.6.
Bij de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd met € 2.103 tot € 6.200 omdat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel voor belanghebbende voordeliger is dan uitgaan van de bevindingen van DRZ (het onderzoek waardebepaling). Verder is belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten toegekend tot een bedrag van € 269.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“6. De rechtbank merkt eerst op dat eiser kort voor de zitting een uitgebreide pleitnota heeft overgelegd waarin nieuwe gronden zijn opgenomen, te weten een alternatieve berekening van de verschuldigde Bpm gedeeltelijk gebaseerd op de naheffingsaanslag en voor wat betreft de handelsinkoopwaarde een beroep op de Eurotaxglass’s koerslijst minus 15%. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze gronden tardief zijn. De rechtbank gaat daarom aan deze gronden voorbij.
7. Eiser stelt allereerst dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat de naheffingsaanslag ten onrechte op de naam van eiser is gesteld en niet op zijn handelsnaam [naam eenmanszaak] . De rechtbank volgt eiser hierin niet. [naam eenmanszaak] heeft geen rechtspersoonlijkheid, zodat verweerder de naheffingsaanslag heeft mogen opleggen aan de natuurlijk persoon die handelt onder deze naam: eiser. Daar komt bij dat eiser de aangifte met zijn eigen naam heeft ondertekend. De stelling van eiser dat het voor hem niet duidelijk was of de naheffingsaanslag aan hem in privé of aan zijn onderneming was opgelegd, komt voor zijn risico en leidt niet tot een ander oordeel.
8. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
9. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen.
Geschil
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag juist te naam is gesteld, of de hoorplicht is geschonden en of de naheffingsaanslag, nadat deze is verminderd in de bezwaarfase, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt de eerste en derde vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de eerste en derde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerend effect van het griffierecht, maakt hij aanspraak op een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt hij dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 recht bestaat op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en
- primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en
- subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag rekening houdend met een leeftijdskorting, een extra-leeftijdskorting en een vermindering van 15% wegens de correctiefactoren voor “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie dealer” uit de koerslijst EurotaxGlass’s),
en tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag (de teruggaaf die hij bij gegrondverklaring van het hoger beroep ontvangt en/of de vermindering die door de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar is toegepast), toekenning van een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, alles vermeerderd met een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak en tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase conform het onder 4.1 vermelde arrest.
Overwegingen
Tenaamstelling naheffingsaanslag
5.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, nu de aangifte is gedaan door [naam eenmanszaak] en de vooraankondiging eveneens is gericht aan [naam eenmanszaak] . De naheffingsaanslag had, aldus belanghebbende, dan ook opgelegd moeten worden aan [naam eenmanszaak] . De Inspecteur bestrijdt dit.
5.2.
Artikel 20, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) luiden:
“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.
2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.
Artikel 5, lid 1, Wet Bpm (tekst 2020) luidt:
“Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.”
Artikel 7, lid 1, Wet Bpm (tekst 2020) luidt:
“Indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam [het, Hof] motorrijtuig wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam [het, Hof] motorrijtuig wordt gesteld.”
5.3.
Gelijk de Rechtbank in haar overweging 7 heeft overwogen, heeft [naam eenmanszaak] (een eenmanszaak) gezien de gegevens die zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel geen rechtspersoonlijkheid, zodat, mede gelet op de hiervoor vermelde wetteksten, de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende kan dus als belastingplichtige voor de bpm worden aangemerkt (artikel 7, lid 1, Wet Bpm). De conclusie luidt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Belanghebbendes stelling faalt derhalve.
Hoorplicht
5.4.
Belanghebbende stelt, evenals in beroep, dat de hoorplicht is geschonden en voert daar in hoger beroep enkel nog voor aan “(…) dat geen daadwerkelijk, effectief hoorgesprek heeft plaatsgevonden. De zaak moet (…) terugverwezen worden naar de bezwaarfase (…).”.
5.5.
De Rechtbank heeft in haar overweging 14 terecht geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden. In een e-mailbericht van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde van belanghebbende een uitnodiging voor een hoorgesprek van 17 mei 2021 afgeslagen vanwege zijn vakantie, die duurde tot en met 16 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet eerder dan "eind mei" in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021 over de bezwaarschriften die voor het gesprek van 17 mei 2021 waren gepland. Achteraf heeft de gemachtigde een e-mailbericht van 19 mei 2021 overgelegd aan de Inspecteur, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde geen reden van verhindering opgegeven, terwijl hij eerder had aangegeven beschikbaar te zijn voor hoorgesprekken eind mei. Het had dan, gelijk de Rechtbank heeft overwogen, op zijn weg gelegen om de reden van verhindering te specificeren en zo nodig te onderbouwen. De Inspecteur heeft gelegenheid geboden om te worden gehoord en het hoorrecht is dus niet geschonden. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, doet hier, gelet op de summiere motivering op dat punt, niets aan af. Het Hof voegt hieraan toe dat de feiten niet in geschil zijn en dat van een hoorgesprek tussen partijen niets te verwachten is.
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.6.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.
5.7.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.8.
Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
5.9.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt (zie 2.4). De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dit standpunt faalt.
Bevoegdheid tot naheffen
5.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij gebruikte auto’s verzet.
Conclusie
5.17.
De naheffingsaanslag is terecht en, na vermindering in de bezwaarfase, tot een juist bedrag vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor een (nadere) vermindering van de naheffingsaanslag.
Rentevergoeding wegens vermindering naheffingsaanslag
5.18.
Belanghebbende dient het verzoek tot toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag zoals deze door de Inspecteur is toegepast bij de uitspraak op bezwaar, te richten tot de ontvanger.
5.19.
Belanghebbende heeft voor het geval zijn hoger beroep gegrond is, verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag. Deze stelling gaat niet op, nu het hoger beroep tegen de hoogte van de naheffingsaanslag niet gegrond is en de naheffingsaanslag niet zal worden verlaagd (zie 5.16).
Verzoek vergoeding van immateriële schade
5.20.
De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden en zoals belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, nog niet is verstreken.
Hoogte proceskostenvergoeding beroep
5.21.
Belanghebbende komt op tegen de hoogte van de in verband met de schadevergoeding door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 837. De Rechtbank heeft een vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) toegekend, terwijl belanghebbende stelt dat hij op grond van het Unierecht aanspraak heeft op een hogere vergoeding ofwel vergoeding van de werkelijke proceskosten (een integrale proceskostenvergoeding). De Rechtbank heeft dat verzoek in overweging 13 van haar uitspraak op goede gronden afgewezen. Het Hof sluit zich daarbij aan. De door de Rechtbank toegekende vergoeding is gelet op de aanleiding voor de toekenning hiervan niet te laag.
Griffierecht
5.22.
Belanghebbende klaagt dat de heffing van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).
Overige geschilpunten
5.23.
Het Hof sluit zich aan bij de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling. Of de betaling al dan niet tijdig is geschied, is voor de onderhavige procedure niet relevant. Dat is een civiele kwestie. Het Hof zal bepalen dat de termijn voor het berekenen van wettelijke rente voor bedragen die als gevolg van deze uitspraak aan belanghebbende toekomen, gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit geldt niet voor de teruggaaf van bpm. Voor vergoeding van rente over een belastingteruggaaf dient belanghebbende zich tot de ontvanger te wenden.
5.24.
Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen dat het per 1 januari 2024 geldende cessieverbod (voor bpm- en WOZ-zaken) in strijd is met het Unierecht. Het Hof volstaat met de constatering dat het cessieverbod een civiele aangelegenheid is.
5.25.
Hetgeen de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft gesteld over de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632) is, zoals de gemachtigde heeft erkend, niet van belang voor dit hoger beroep.
5.26.
Belanghebbende heeft, gelijk hij terecht in hoger beroep heeft aangevoerd, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, recht op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase.
Conclusie
5.27.
Het hoger beroep is gegrond. Het Hof ziet gemakshalve aanleiding om de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen, deze aan te vullen met een aanvullende vergoeding voor de bezwaarfase en verder een proceskostenvergoeding voor hoger beroep vast te stellen en het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 624 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift) à € 624 x 1 (gewicht van de zaak)). Aan belanghebbende is al € 269 toegekend, zodat een extra vergoeding dient te worden toegekend van € 355.
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 437,50 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 0,25 € 875). De wegingsfactor is vastgesteld conform het richtsnoer van de gerechtshoven 2024, paragraaf 1.2, onderdeel a (onder meer Hof Den Haag 14 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1398). De vergoeding wordt immers slechts toegekend vanwege het gebruik van een onjuist bedrag per proceshandeling voor de bezwaarfase. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur tardief ter zitting van het Hof heeft gesteld dat wegingsfactor 0,25 zou moeten worden toegepast, indien het hoger beroep uitsluitend op deze grond bevoegd is, gaat niet op, nu het aan de rechter is het gewicht van de zaak voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding te bepalen.
6.3.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep te worden vergoed.
Dictum
Het Gerechtshof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar (aanvullend) en hoger beroep tot een bedrag van € 792,50 (€ 355,00 + € 437,50);
gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 274 vergoedt;
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 10 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Feiten
Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
10. Eiser heeft gesteld dat verweerder het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet verder strekt dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 14 oktober 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
11. Eiser heeft gesteld dat het rapport van DRZ buiten het geschil moet worden gelaten, nu DRZ geen onafhankelijke deskundige is. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.
12. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies over de schade uit het door eiser overgelegde taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank volgt eiser ook niet in de door hem voorgestane handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, reeds omdat hij niet heeft onderbouwd waarop de toegepaste correctie (de handelsmarge) van 20% is gebaseerd.
13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank de schade zoals door eiser voorgestaan niet aannemelijk acht en zij eiser niet volgt in de door hem voorgestane handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, moet worden uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel en dat in dat geval, zoals is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar, voor de auto een bedrag van € 6.200 nageheven dient te worden. Voor deze berekening heeft verweerder relevante gegevens uit de aangifte gebruikt, resulterend in een bruto Bpm van € 101.075. Gesteld noch gebleken is dat deze gegevens onjuist zijn, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder bij de berekening op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel is uitgegaan van de datum tenaamstelling (16 juni 2020), zodat er geen reden bestaat om eisers verzoek om extra leeftijdskorting toe te kennen. Het beroep is in zoverre ongegrond.
14. Eiser heeft verder gesteld dat het hoorrecht is geschonden. In een e-mail van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde van eiser een uitnodiging voor een hoorgesprek van 17 mei 2021 afgeslagen vanwege zijn vakantie, die duurde tot en met 16 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet eerder dan "eind mei" in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021 over de bezwaarschriften die voor het gesprek van 17 mei 2021 waren gepland. Achteraf heeft de gemachtigde een e-mail van 19 mei 2021 overgelegd aan de inspecteur, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde geen reden van verhindering opgegeven, terwijl hij eerder had aangegeven beschikbaar te zijn voor hoorgesprekken eind mei. Het had dan op zijn weg gelegen om de reden van verhindering te specificeren en zo nodig te onderbouwen. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en dat het hoorrecht dus niet is geschonden.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 25 november 2020 door verweerder ontvangen en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 21 januari 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 16 maart 2023 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en (naar boven afgerond) vier maanden heeft geduurd. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. Aangezien de termijnoverschrijding geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase dient verweerder deze schade te vergoeden.
17. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat de kostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van eiser dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiser heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het hem onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.
18. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden. De stelling van eiser dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering, behoeft daarom geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[1] De rechtbank honoreert die aanspraak wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit heeft ook te gelden voor de overige op grond van deze uitspraak aan eiser te betalen vergoedingen.
[1] Vgl. Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.”
Overwegingen
Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Ook deze stelling faalt.
Onafhankelijkheid taxateur DRZ en schade
5.11.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, indien de Inspecteur een lager bedrag aan schade in aanmerking wil nemen, dan in het taxatierapport van belanghebbende naar voren is gekomen, dit alleen mogelijk is als de Inspecteur dit met gelijkwaardige bewijsmiddelen – dus met een onafhankelijk taxatierapport – onderbouwt. De Inspecteur heeft dit bewijs, aldus belanghebbende, niet geleverd met het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, zodat van de door belanghebbende met behulp van een onafhankelijk taxatierapport onderbouwde waardevermindering wegens schade moet worden uitgegaan.
5.12.
Het Hof sluit zich op dit punt aan bij de beslissing van de Rechtbank in overwegingen 11 en 12 van haar uitspraak. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). Het is dus aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat er waardeverminderende omstandigheden zijn. Dat de Inspecteur de gegevens en omstandigheden die belanghebbende aandraagt, met gelijkwaardige wapens (bewijsmiddelen) zou moeten bestrijden of weerleggen, vindt geen steun in het recht. De Inspecteur is vrij in de keuze van welke bewijsmiddelen hij gebruik wil maken.
5.13.
De beoordelaar van DRZ heeft de schade aan de auto gecalculeerd op € 5.588 en hiervan een bedrag van € 4.107 (73%) in mindering gebracht. De Rechtbank heeft in haar overweging 12 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een hoger bedrag aan schade in aanmerking moet worden genomen. Het Hof maakt die overweging tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere conclusie kan leiden. Dat het normaliter door de Inspecteur toegepaste aftrekpercentage van 72 onverbindend zou zijn (hier is overigens 73% toegepast; zie 2.3), volgt het Hof niet. Het betreft hier een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. De Inspecteur hoeft dit percentage niet te onderbouwen. Ook deze stellingen falen derhalve.
Extra leeftijdskorting
5.14.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op toepassing van een extra leeftijdskorting van € 4. De Inspecteur betwist dit. Belanghebbende rekent met een afgerond percentage van 89 en komt op een andere afschrijving dan de Inspecteur (€ 89.957). De Inspecteur rekent met een niet afgerond percentage van 88,996, waarna de afschrijving op € 89.952,71 (afgerond € 89.953) komt. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur de extra leeftijdskorting juist heeft berekend. Het standpunt van belanghebbende faalt.
Koerslijst EurotaxGlass’s met bijstellingen
5.15.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de koerslijst EurotaxGlass’s, rekening houdend met 15% vermindering wegens de correctiefactoren voor “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie dealer”, dient te worden toegepast en dat de naheffingsaanslag om die reden nader dient te worden verminderd. Het Hof verwerpt ook dit standpunt. Belanghebbende trekt in zijn berekening ook de schade af, wat niet is toegestaan. Belanghebbende kan kiezen om een koerslijst te gebruiken of een individuele taxatie van de auto. Belanghebbende dient, indien hij vasthoudt aan zijn taxatie, uitsluitend individuele waardebepalende omstandigheden van de auto in aanmerking te nemen. Dat voor de onderhavige auto de markt- en dealersituatie van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde, is niet aannemelijk gemaakt. Indien de 15% aftrek wordt toegepast op de koerslijst EurotaxGlass’s zonder de schade in aanmerking te nemen, ontstaat een bedrag aan bpm dat hoger is dan het bedrag waarop de naheffingsaanslag na vermindering in bezwaar is vastgesteld. De tabel is voor belanghebbende de gunstigste methode.
Heffingsmodaliteiten
5.16.
Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet Bpm leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.