Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:GHDHA:2024:1882
Civiel recht
Hoger beroep
1,324 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer: 200.340.658/01
Beschikking van 22 oktober 2024
op het verzet op grond van artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) van
1. WCV World Capital Ventures Cyprus Ltd,
2. Channel Crossings Ltd.,
beide gevestigd te Limassol, Cyprus ,
opposanten,advocaat mr. G.J. Meijer te Amsterdam,
tegen
de griffier van het Gerechtshof Den Haag,
geopposeerde,
hierna te noemen: de griffier.
Procesverloop
Bij brief met bijlagen van 21 maart 2024 zijn opposanten in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van een griffierecht van € 13.124. Het hof heeft verder kennisgenomen van het verweerschrift van de griffier van 2 mei 2024.
Opposanten hebben het hof laten weten af te zien van een mondelinge behandeling en de voorkeur te geven aan een beslissing van de zaak op de schriftelijke stukken. De mondelinge behandeling heeft daarom niet plaatsgevonden.
Beoordeling
1. Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.
1.1
Bij exploot van 26 oktober 2023 hebben opposanten als eisers vernietiging gevorderd van het tussen hen en de Tsjechische Republiek gewezen arbitraal vonnis van 26 juli 2023 in een arbitrage geadministreerd door het Permanente Hof van Arbitrage (PCA Case No. 2016-12). De zaak is aangebracht op 27 februari 2023 en geregistreerd onder zaaknummer 200.338.071/01.
1.2
Voor deze zaak is een griffierecht van € 13.124 in rekening gebracht, zijnde het bedrag behorend bij een vordering met een beloop van meer dan € 1.000.000.
2. Opposanten maken bezwaar tegen de hoogte van het griffierecht. Zij beroepen zich daartoe op een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3868). Daarin is beslist dat in zaken waarin uitsluitend vernietiging van een arbitraal vonnis wordt gevorderd, het griffierecht behorende bij een vordering van onbepaalde waarde van toepassing is, ongeacht het belang van de vordering die inzet was van de arbitrage. Opposanten verzoeken het hof daarom het griffierecht vast te stellen op het bedrag behorend bij een vordering van onbepaalde waarde, dit is € 798.
3. De griffier voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat het arbitraal vonnis de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding van in hoofdsom ca. € 133 miljoen betreft. De vordering tot vernietiging van dat vonnis valt dan volgens artikel 3 lid 5 Wgbz en de bijbehorende tabel in de categorie zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 1.000.000.
4. Het hof overweegt als volgt.
4.1
Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit voor cassatie meebrengt dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd (HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014).
4.2
Uit de Statement of Claim van opposanten blijkt dat in de arbitrageprocedure een schadevergoeding is gevorderd van in hoofdsom CZK 3,6 miljard (circa € 133 miljoen). Naar het oordeel van het hof moet in een procedure waarin de vernietiging van een arbitraal vonnis wordt gevorderd, voor de berekening van het griffierecht worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover arbiters hadden te beslissen. Daarbij is blijkens het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2017 niet van betekenis of (de hoogte van) die vordering ook daadwerkelijk komt vast te staan. Hieruit volgt ook dat, naar het oordeel van het hof, de vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis in dit geval niet kan worden aangemerkt als een vordering van onbepaalde waarde in de zin van de Wgbz. Dit brengt mee dat de hoogte van het griffierecht terecht is bepaald naar het tarief dat geldt voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 1.000.000.
4.3
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van opposanten ongegrond is.
Dictum
Het hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Verduyn, C.A. Joustra en A.E.A.M. van Waesberghe, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024 in aanwezigheid van de griffier.