Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:GHDHA:2024:1844
Civiel recht
Hoger beroep
5,114 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.323.925/01
Zaaknummer rechtbank : 9033759 CV EXPL 21-748
Arrest van 22 oktober 2024
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. M.J. Willemsen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen:
Gemeente [woonplaats],
zetelend in [woonplaats],
verweerster,
advocaat: mr. J.J. Jacobse, kantoorhoudend in Middelburg.
Het hof zal partijen hierna noemen: [appellant] en de gemeente.
1De zaak in het kort
1.1
[appellant] woont in [woonplaats]. In 2012-2013 heeft de gemeente de riolering in de woonwijk van [appellant] vervangen. Sindsdien ervaart [appellant] wateroverlast (zoals water in de kruipruimte van zijn woning). [appellant] vindt dat de gemeente onvoldoende maatregelen heeft getroffen om een hoge grondwaterstand bij zijn woning te voorkomen en stelt dat de gemeente onrechtmatig jegens hem handelt. [appellant] vordert een verklaring voor recht dat de gemeente jegens hem aansprakelijk is voor de schade die hij daardoor lijdt. Ook vordert hij vergoeding van nog nader vast te stellen schade.
1.2
De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een schending van de gemeentelijke grondwaterzorgplicht, en heeft de vorderingen afgewezen. Het hof is het met dat oordeel eens. De gemeente heeft bij de vervanging van de riolering drainage aangelegd. Daarna zijn grondwatermetingen uitgevoerd bij de woning van [appellant]. Die metingen wijzen niet uit dat de grondwaterstand in het openbaar gebied bij de woning van [appellant] structureel te hoog is.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 4 juli 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdend in Dordrecht, van 7 april 2022 (hierna: het vonnis), gepubliceerd onder ECLI:NL:RBROT:2022:4816;
de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis van [appellant], met bijlagen;
de memorie van antwoord tevens antwoordakte van de gemeente, met bijlagen;
de bijlage die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 5 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide advocaten hebben de zaak toen toegelicht, mr. Jacobse aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd.
Feiten
3.1
[appellant] woont in de woonwijk [wijk] in [woonplaats]. Zijn woning ligt aan de [straat] [nummer 1] (hierna: de woning).
3.2
De gemeente heeft ingenieursbureau Wareco ingeschakeld om een advies op te stellen over de vervanging van de riolering in de woonwijk [wijk]. Wareco heeft op 8 juli 2009 een rapport uitgebracht. Daarin staat onder meer het volgende:
“6.3. Grondwateroverlast na rioolvervanging
Ten gevolge van de rioolvervangingswerkzaamheden komt de huidige ontwaterende functie van de riolering te vervallen (…). Verwacht wordt dat de stijging van de grondwaterstand na rioolvervanging voor het hele onderzoeksgebied leidt tot een ontoelaatbare stijging van de grondwaterstand. Om grondwateroverlast te voorkomen zal gelijktijdig met de riolering een drainagesysteem worden aangelegd. (…)
7.3.
Drainageadvies
Als gevolg van het vervangen van de drainerend werkende riolering zullen de grondwaterstanden in de wijk [wijk] stijgen. Om de grondwateroverlast te voorkomen wordt op het openbaar terrein een drainagesysteem aangelegd.
Op basis van de berekende drainageafstand wordt geadviseerd in alle straten van het onderzoeksgebied een drainagesysteem aan te leggen. (…)”
3.3
In 2012-2013 is de riolering in [wijk] vervangen.
3.4
[appellant] heeft daarna klachten bij de gemeente ingediend over wateroverlast onder zijn woning. De gemeente heeft naar aanleiding van die klachten de stand van het grondwater gemonitord met een peilbuis (‘peilbuis 16’) in het openbaar gebied vlak voor de woning. De monitoring vond plaats in de periode van 12 december 2019 tot en met half januari 2021. Volgens de grafiek die naar aanleiding van de monitoring is gemaakt was de stand van het grondwater in de gemeten periode gemiddeld -1,75 m. NAP bij een maaiveldniveau van -0,83 m. NAP. Het (gemiddelde) peil van -1,75 m. NAP is gelijk aan het streefpeil van het oppervlaktewater in de Singel waarin de drainage uitmondt (het ‘singelpeil’).
3.5
Op 23 december 2019 heeft de gemeente per e-mail aan de gemachtigde van [appellant] bericht dat zij heeft geconstateerd dat het waterpeil in de kruipruimte van [appellant] hoger staat dan het singelpeil.
3.6
De gemeente heeft [appellant] per e-mail van 31 maart 2020 bericht dat bewoners zelf verantwoordelijk zijn voor grondwaterproblemen op eigen terrein, en daartoe verwezen naar het Gemeentelijk Rioleringsplan [woonplaats] 2018-2022. Ook heeft de gemeente geschreven dat bij het vervangen van de riolering in de [straat] drainage is aangelegd, zodat is voldaan aan de inspanningsverplichting van de gemeente, en dat uit de peilbuismeting blijkt dat de drainage werkt.
3.7
De gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 3 april 2020 betwist dat de gemeente drainage heeft aangelegd. Ook heeft hij gesteld dat de gemeente niet aan haar grondwaterzorgplicht heeft voldaan. Hij heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] daardoor lijdt.
3.8
In het Gemeentelijk Rioleringsplan [woonplaats] 2018-2022 staat onder meer het volgende (par. 3.5):
“(…) Conform de Waterwet hebben we als gemeente een zorgplicht voor het grondwater. De zorgplicht voor het grondwater heeft het karakter van een inspanningsverplichting voor het voorkomen of het beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming, voor zover het treffen van maatregelen doelmatig is en deze niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of de provincie behoort.
(…)
Openbaar terrein: doelmatig beheer van de grondwaterstand Wij leveren een inspanning om in ons openbare gebied een grondwaterstand te beheren, waarbij geen structurele belemmering ontstaat voor de aan het gebied gegeven bestemming. We treffen alleen maatregelen in de openbare ruimte als er sprake is van structurele grondwateroverlast en alleen als dit doelmatig is. (…) Dit komt erop neer dat bij geplande rioolwerkzaamheden of herinrichting van de openbare ruimte maatregelen in de openbare ruimte worden getroffen om overtollig grondwater af te voeren via een drainage(-infiltratie)systeem of een hemelwaterriool (voor grondwaterafvoer van particulier gebied).”
In dezelfde paragraaf is een tabel opgenomen (Tabel 3.A) waarin de term “Structureel te hoge grondwaterstand” als volgt is gedefinieerd:
“Als de grondwaterstand gedurende twee maanden of langer per jaar hoger is dan het oppervlaktewaterpeil in de wijk (het polderpeil volgens het peilbesluit), en de ontwateringsdiepte kleiner is dan 0,7 m (grondwaterstand onder ontwerppeil wegas), op basis van het gemeentelijke grondwatermeetnet.(…). Incidenteel hoge grondwaterstanden (bijvoorbeeld na extreme buien of extreem hoge rivierstanden) worden niet als structureel beschouwd. (…)”
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] heeft de gemeente gedagvaard en gevorderd (samengevat):
een verklaring voor recht dat de gemeente jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;
veroordeling van de gemeente tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 600,-, en
veroordeling van de gemeente in de proceskosten (inclusief nakosten).
4.2
[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen aangevoerd dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichting om wateroverlast te voorkomen of beperken. Volgens [appellant] had de gemeente, overeenkomstig het advies van Wareco, drainage moeten aanleggen bij de vervanging van de riolering in zijn woonwijk, maar heeft de gemeente dat niet gedaan. Hij heeft gesteld dat daardoor sprake is van ernstige wateroverlast tot ruim 30 cm onder de woning, dat een groot deel van zijn vloer- en kelderisolatie is weggespoeld en dat de voor- en achtertuin verzakken.
4.3
De gemeente heeft als verweer gevoerd dat zij bij de vervanging van de riolering wel drainage heeft aangelegd en ook verder aan haar grondwaterzorgplicht heeft voldaan.
4.4
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Hij heeft overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de gemeente tijdens de rioleringswerkzaamheden (wel) drainage heeft aangelegd, en dat niet kan worden vastgesteld dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting. De kantonrechter heeft ook overwogen:
“Zorgplicht
4.6
Vervolgens dient getoetst te worden of de gemeente, zoals [appellant] stelt en de gemeente betwist, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden en de verschillende betrokken belangen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Daarbij is van belang dat de gemeente in het kader van artikel 3.6 Waterwet in het openbaar gemeentelijke gebied maatregelen moet treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of provincie behoort.
Beoordeling
6.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de gemeente voldoende maatregelen heeft getroffen om een te hoge grondwaterstand nabij de woning van [appellant] te voorkomen.
Grondwaterzorgplicht gemeente
6.2
Het hof stelt voorop dat de gemeente een ‘grondwaterzorgplicht’ heeft. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat de gemeente tot op zekere hoogte maatregelen moet treffen in het openbaar gemeentelijke gebied, om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Toen de kantonrechter vonnis wees was de gemeentelijke grondwaterzorgplicht opgenomen in artikel 3.6 van de Waterwet, maar sinds 1 januari 2024 is die zorgplicht (in nagenoeg dezelfde bewoordingen) ondergebracht in artikel 2.16 lid 1 sub a. onder 2° van de Omgevingswet (Ow). Gemeenten hebben een zekere beleidsruimte bij het definiëren wat binnen hun gemeente onder structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand moet worden verstaan. De gemeente heeft dat in het Gemeentelijk Rioleringsplan gedaan en [appellant] heeft niet aangevoerd dat de gemeente dat niet zo had mogen doen.
6.3
Bij de beoordeling van de vraag of de gemeente heeft voldaan aan de hiervoor bedoelde grondwaterzorgplicht (het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand), gaat het hof uit van de overwegingen van de kantonrechter die hiervoor (onder 4.4) zijn geciteerd, omdat die overwegingen in hoger beroep niet ter discussie staan. Uitgangspunt is dus dat:
i) de gemeente uitvoering heeft gegeven aan haar grondwaterzorgplicht door (onder meer) het opstellen van het Gemeentelijk Rioleringsplan (hierna: GRP);
ii) er pas sprake is van een structureel te hoge grondwaterstand als de ontwateringsdiepte kleiner is dan 0,7 meter onder het maaiveld gedurende langer dan twee aaneengesloten maanden, zoals in het GRP 2018-2022 is bepaald en ook de norm was in 2013, toen de nieuwe riolering is aangelegd.
6.4
De vraag is dus of in het gemeentelijk openbaar gebied ter plaatse van de woning van [appellant], sprake is van een structureel te hoge grondwaterstand zoals bedoeld onder (ii), dus of de ontwateringsdiepte kleiner is dan 0,7 meter onder het maaiveld gedurende langer dan twee aaneengesloten maanden. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is, en licht dat hierna toe.
6.5
In navolging van partijen (althans hun partijdeskundigen) gaat het hof ervan uit dat het maaiveldniveau ter plaatse ligt op -0,83 m. NAP. De onder (ii) genoemde norm voor de ontwateringsdiepte van minimaal 0,7 betekent in dit geval dus dat het grondwaterpeil ter plaatse niet structureel hoger mag zijn dan -1,53 m. NAP.
6.6
Uit de uitkomsten van de peilbuismeting die ruim een jaar heeft geduurd (zie onder 3.4), blijkt dat de grondwaterstand voor de woning van [appellant] gemiddeld - 1,75 m. NAP was en de ontwateringsdiepte gemiddeld 0,92 (het verschil tussen -1,75 m. NAP en het maaiveldniveau van -0,83 m. NAP). Uit de door de gemeente overgelegde grafiek van de meting (productie 5 bij de conclusie van antwoord), blijkt dat de grondwaterstand incidenteel wel hoger is geweest dan -1,53 m. NAP, maar niet gedurende een aaneengesloten periode van twee maanden. De meting wijst dus uit dat in de meetperiode van ruim een jaar geen sprake is geweest van een structureel te hoge waterstand. Die meting duidt er dus niet op dat de drainage die bij de vernieuwing van de riolering is aangelegd, niet of onvoldoende functioneert.
6.7
In het [bureau]-rapport, dat niet gemotiveerd is bestreden, zijn meetgegevens van dezelfde peilbuis (peilbuis 16) over een nog langere periode in aanmerking genomen, namelijk over 2020 tot en met medio 2023. In het rapport is geconstateerd dat in die periode de ontwateringsdiepte alleen incidenteel niet voldeed aan de norm van tenminste 0,7 (bij extreme regenval). Ook uit het [bureau]-rapport volgt dus niet dat er sprake is van een structureel te hoge waterstand en ook niet dat de drainage niet of onvoldoende functioneert.
6.8
Het A2-rapport bevat evenmin aanwijzingen dat sinds de vernieuwing van de riolering sprake is van een structureel te hoge grondwaterstand nabij de woning van [appellant]. In dat rapport staan gegevens over de variatie van het “ondiep grondwaterpeil” ter plaatse van de woning over de jaren 2019 tot en met 2022 (op p. 9-10 van het rapport), maar daaruit blijkt niet dat de hiervoor genoemde norm voor de ontwateringsdiepte niet is gehaald, en dus ook niet dat de grondwaterstand structureel te hoog is.
6.9
Wel staat in het A2-rapport dat bij visuele inspectie van de schadelocatie, permanente verkleuringen van het metselwerk zijn gezien, en dat dit duidt op vochtproblemen. A2 Experts trekt daaruit de conclusie dat “aannemelijk [is] dat het plaatselijk ondiep grondwaterpeil (op schadelocatie) voortdurend op een dusdanig ongewenst niveau is geweest dat dit nadelige gevolgen aan metselwerk en Kwaaitaalvloeren bij meerdere, vergelijkbare verblijfsobjecten (heeft) veroorzaakt” (zie p. 12). Aan deze conclusie gaat het hof voorbij, niet alleen omdat in het rapport niet is toegelicht waarom een en ander aannemelijk is, maar ook omdat de conclusie geen betrekking heeft op de vraag waar het in deze zaak om gaat, namelijk of sprake is van een structureel te hoge grondwaterstand zoals gedefinieerd onder 6.3 (ii).
6.10
Al met al zijn er geen aanwijzingen dat de grondwaterstand in het openbaar gebied voor de woning van [appellant] structureel te hoog is en dat de door de gemeente aangelegde drainage niet of onvoldoende functioneert. Of sprake is van een kleiwal, zoals [appellant] heeft aangevoerd (zie onder 5.2) maar de gemeente betwist, kan daarom onbesproken blijven. Overigens heeft [appellant] zijn stellingen over het bestaan van een kleiwal niet voldoende onderbouwd. Hij heeft verwezen naar oude tekeningen, maar die niet overgelegd, en ook in het rapport van de door hem ingeschakelde (partij)deskundige A2 Experts wordt geen melding gemaakt van een kleiwal.
6.11
[appellant] heeft verder aangevoerd dat de gemeente, door het vervangen van de riolering, een wijziging (verhoging) van de grondwaterstand teweeg heeft gebracht op een wijze die onrechtmatig is (artikel 5:39 BW en 6:162 BW). Ook dit standpunt wordt verworpen. De gemeente heeft gemotiveerd betwist dat de grondwaterstand noemenswaardig is verhoogd sinds de vernieuwing van de riolering en heeft in dat kader verwezen naar het (niet bestreden) [bureau]-rapport. Daarin is een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde grondwaterstand ter plaatse van de woning in april 2009, vóór de vervanging van de riolering, en die over de periode 2020 tot en met juli 2023, na de vervanging van de riolering. Op basis van die vergelijking concludeert [bureau] dat de gemiddelde grondwaterstand niet significant is gestegen (zie p. 10 [bureau]-rapport). Verder heeft de gemeente gesteld dat er ook voor de vernieuwing van de riolering al enige hinder aanwezig was, en daartoe gewezen op het [bureau]-rapport, waarin foto’s zijn afgebeeld van de woningen aan de [straat] nrs. [nummer 2] en [nummer 3] van vóór en na de vervanging van de riolering. Op die foto’s is inderdaad te zien dat het metselwerk van die woningen ook voor de vervanging van de riolering al was aangetast. Los daarvan heeft [appellant] niet toegelicht dat sprake is van onrechtmatige hinder. In dit kader is van belang dat, zoals hiervoor is toegelicht, de gemeente een drainage heeft aangelegd en dat niet blijkt van een structureel te hoge grondwaterstand.
6.12
Uit het voorgaande volgt dat de tegen het vonnis gerichte bezwaren moeten worden verworpen en dat de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Conclusie
6.13
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Die worden begroot op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 3.642,- (3 punten × tarief II a € 1.214,-)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.603,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op € 4.603,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, S.A. Boele en R.J.B. Schutgens en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), Stb. 2016, 156.