Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-09-24
ECLI:NL:GHDHA:2024:1619
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
4,413 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.742/01
Zaaknummer rechtbank : 10337125 CV EXPL 23-4886
Arrest van 24 september 2024
in de zaak van
Stedin Netbeheer B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. A. Ester, kantoorhoudend in Zwijndrecht,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats] ,
verweerder,
advocaat: mr. F. Ayar, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna noemen Stedin en [verweerder] .
1De zaak in het kort
1.1
[verweerder] is eigenaar van een bedrijfspand dat hij heeft verhuurd aan een vennootschap waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder was. Bij een controlebezoek heeft Stedin onregelmatigheden in een elektriciteitsmeter en een gasmeter aangetroffen. Stedin vordert van [verweerder] een vergoeding voor gas en elektriciteit die [naam bedrijf] B.V. (hierna: [het bedrijf] ), waarvan [verweerder] de enige bestuurder en aandeelhouder was, van Stedin heeft afgenomen zonder te betalen.
1.2
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Volgens de kantonrechter kan Stedin niet van [verweerder] een vergoeding vorderen voor energie die [het bedrijf] onrechtmatig van Stedin heeft afgenomen, omdat Stedin niet heeft onderbouwd dat [verweerder] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van een onrechtmatige daad van [het bedrijf]
1.3
Het hof komt gedeeltelijk tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat [verweerder] ervan op de hoogte was dat [het bedrijf] gas van Stedin afnam zonder daarvoor te betalen en dat [verweerder] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarom moet [verweerder] Stedin een vergoeding betalen voor het gas dat [het bedrijf] onrechtmatig heeft afgenomen. Ten aanzien van de vordering met betrekking tot elektriciteit volgt het hof het oordeel van de kantonrechter.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 24 augustus 2023, waarmee Stedin in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2023;
het arrest van dit hof van 31 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 februari 2024;
de memorie van grieven van Stedin, met bijlagen;
de memorie van antwoord van [verweerder] .
Feiten
3.1
[verweerder] is sinds 2008 eigenaar van een bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het pand). [het bedrijf] heeft het pand van [verweerder] gehuurd vanaf 31 januari 2017 tot 1 augustus 2021. [verweerder] was in die periode de enige aandeelhouder en bestuurder van [het bedrijf] Hij heeft zijn aandelen in [het bedrijf] op 1 augustus 2021 overgedragen aan [naam] die vanaf die datum ook de enige bestuurder van [het bedrijf] was. [het bedrijf] is op 9 november 2021 geliquideerd.
3.2
[het bedrijf] oefende in het pand vanaf 10 februari 2017 een bedrijf uit in de handel en reparatie van auto’s. Dat bedrijf werd vóór 31 januari 2017 uitgeoefend door [naam bedrijf] , een vennootschap onder firma van [verweerder] en zijn echtgenote. [naam bedrijf] heeft in 2013 een overeenkomst gesloten met Stedin voor de levering van elektriciteit in het pand.
3.3
Op 9 juli 2019 heeft Stedin een controlebezoek afgelegd bij [het bedrijf] Daarbij is geconstateerd dat een gasmeter aanwezig was in het pand die niet geregistreerd stond in het systeem van Stedin, waarvan de ijkzegels verbroken waren en de telwerkrollen waren vastgezet. Op de deur van de ruimte waarin de gasmeter zich bevond was een sticker aangebracht met de tekst “aardgas”. Volgens het telwerk van de gasmeter was het verbruik op 9 juli 2019 9,9 m³, wat overeenkomt met enkele dagen gebruik. Uit de administratie van Stedin kan worden afgeleid dat de gasmeter in het pand rond 2000 moet zijn geplaatst. Verder is geconstateerd dat de zegels van de elektriciteitsmeter in het pand vals waren en dat de zekeringen van de elektriciteitsmeter waren verzwaard naar 3 × 50 Ampère. De door [naam bedrijf] gesloten overeenkomst had betrekking op een aansluiting van 3 × 35 Ampère.
3.4
Stedin heeft op 24 juli 2019 nieuwe (slimme) gas- en elektriciteitsmeters in het pand aangebracht.
3.5
Stedin heeft [het bedrijf] op 8 september 2020 aansprakelijk gesteld en verzocht een bedrag van € 7.145,30 te betalen als schadevergoeding voor het niet betalen voor geleverde gas en elektriciteit. Het bedrag van € 7.145,30 berust op een inschatting van het niet betaalde energieverbruik van [het bedrijf] in de periode 10 februari 2017 tot 9 juli 2019, capaciteitstarieven voor de gasaansluiting en de zwaardere elektriciteitsaansluiting en arbeidsloon. [het bedrijf] heeft niets betaald, ook niet na een tweede betalingsverzoek.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
Stedin heeft [verweerder] gedagvaard en gevorderd [verweerder] te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 7.145,30, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten..
4.2
[verweerder] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
4.3
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en Stedin in de proceskosten veroordeeld. De overwegingen van de kantonrechter kunnen als volgt worden samengevat. [verweerder] wordt persoonlijk aangesproken voor onrechtmatige handelingen van [het bedrijf] Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder voor de handelingen van een vennootschap is nodig dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van die handelingen. Stedin heeft slechts gesteld dat [verweerder] aansprakelijk is omdat hij invulling gaf aan de handelingen van [het bedrijf] Voor het vaststellen van bestuurdersaansprakelijkheid is dat onvoldoende.
5Vordering in hoger beroep
5.1
Stedin is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd. Stedin vordert hetzelfde als bij de kantonrechter en in aanvulling daarop terugbetaling van de door haar aan [verweerder] betaalde proceskosten in eerste aanleg van € 660,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten.
5.2
[verweerder] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Stedin in de proceskosten in hoger beroep.
Beoordeling
6.1
Grief I van Stedin is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [het bedrijf] het pand vanaf 9 juni 2019 heeft gehuurd. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld, en met inachtneming van deze grief vastgesteld dat de huur door [het bedrijf] is ingegaan op 31 januari 2017.
6.2
Grieven II en III zijn gericht tegen de overweging van de kantonrechter in 3.2 en 4.4 van het vonnis dat Stedin haar vordering heeft gebaseerd op aansprakelijkheid van [verweerder] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [het bedrijf] Stedin stelt dat [verweerder] ook rechtstreeks een onrechtmatige daad jegens Stedin heeft gepleegd door bewust gas af te nemen terwijl hij wist dat hij daarvoor niet betaalde. Voor die aansprakelijkheid geldt niet de verzwaarde maatstaf dat de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt van het onrechtmatig handelen van de vennootschap moet kunnen worden gemaakt.
6.3
Deze beide grieven gaan eraan voorbij dat [verweerder] geen gas en elektriciteit van Stedin heeft afgenomen. [verweerder] was bestuurder van een vennootschap die gas en elektriciteit van Stedin heeft afgenomen zonder daarvoor een - of in het geval van elektriciteit: de verschuldigde - vergoeding te betalen (wat [verweerder] overigens betwist; daar komt het hof nog op terug). Stedin maakt niet duidelijk hoe [verweerder] een “rechtstreekse” onrechtmatige daad heeft gepleegd die losstaat van de uitoefening van zijn taak als bestuurder van [het bedrijf] Voor zover de door Stedin aan haar vordering ten grondslag gelegde aansprakelijkheid van [verweerder] gebaseerd is op een onrechtmatige daad van [het bedrijf] , waarvoor Stedin [verweerder] als bestuurder van [het bedrijf] aansprakelijk houdt, geldt de verzwaarde maatstaf dat de bestuurder, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, persoonlijk een voldoende ernstig verwijt van het onrechtmatige handelen van de vennootschap moet kunnen worden gemaakt. Grieven II en III van Stedin zijn dus ongegrond.
6.4
Met grief IV komt Stedin op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Stedin onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [verweerder] persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatige handelen van [het bedrijf] Het hof zal eerst ingaan op de vraag die het bij de bespreking van grieven II en III nog open heeft gelaten, of [het bedrijf] vóór 9 juli 2019 gas en elektriciteit van Stedin heeft afgenomen zonder daarvoor een - of in het geval van elektriciteit: de verschuldigde - vergoeding te betalen. Als dat niet komt vast te staan, dan kan van aansprakelijkheid van [verweerder] hoe dan ook geen sprake zijn.
6.5
Tussen partijen is niet in geschil dat bij het controlebezoek van Stedin is vastgesteld dat in het pand een gasaansluiting aanwezig was en dat de gasmeter was stilgezet. Ook staat vast dat [het bedrijf] geen overeenkomst met Stedin had voor de levering van gas en Stedin daarvoor geen vergoeding betaalde. [verweerder] betwist wel dat [het bedrijf] vóór het controlebezoek van Stedin gas afnam. Het staat echter ook vast dat [het bedrijf] na het controlebezoek een overeenkomst met Stedin heeft gesloten voor de levering van gas en gas van Stedin heeft afgenomen. [verweerder] voert aan dat [het bedrijf] de werkzaamheden waarvoor zij na sluiting van de overeenkomst met Stedin gas gebruikte, daarvóór uitbesteedde aan derden die gebruikmaakten van dieselgeneratoren. [verweerder] erkent verder dat de gasmeter zich bevond in een ruimte die afgesloten was met een deur met daarop een grote sticker met de tekst “aardgas”, maar voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het een niet werkende gasmeter betrof. [verweerder] wijst erop dat de gasmeter in 2000 is geplaatst en hij het pand in 2008 heeft gekocht. Volgens [verweerder] heeft de vorige eigenaar hem er niet van op de hoogte gebracht dat in het pand gebruik kon worden gemaakt van gas.
6.6
Naar het oordeel van het hof heeft Stedin haar stelling dat [het bedrijf] vóór 9 juli 2019 ook reeds gas van Stedin heeft afgenomen, voldoende onderbouwd door te wijzen op de aanwezige gasaansluiting, de stilgezette gasmeter en de afname van gas door [het bedrijf] nadat een en ander was ontdekt en alsnog een overeenkomst voor de levering van gas met [het bedrijf] was gesloten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Stedin niet meer kan doen om haar stelling te onderbouwen, aangezien er geen overeenkomst was gesloten en de gasmeter was stilgezet. [verweerder] voert aan dat Stedin geen “verificatoire bescheiden” heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat [het bedrijf] illegaal gas heeft afgenomen (memorie van antwoord, 19), maar hij maakt niet duidelijk welke “verificatoire bescheiden” dat zouden moeten zijn.
6.7
Gelet op de onderbouwing van Stedin mag van [verweerder] worden verwacht dat hij zijn betwisting van het betoog van Stedin motiveert. [verweerder] heeft zijn verweer dat [het bedrijf] vóór de totstandkoming van een overeenkomst met Stedin in haar energiebehoefte voorzag door de inschakeling van derden die gebruikmaakten van dieselgeneratoren echter op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft niet toegelicht welke derden dat waren, geen facturen overgelegd van deze derden voor de verrichte werkzaamheden en geen namen genoemd van personen die deze gang van zaken zouden kunnen bevestigen. Dat had wel op de weg van [verweerder] gelegen (zie ook memorie van grieven, 34) maar [verweerder] heeft daar bij memorie van antwoord niets over gezegd. Omdat [verweerder] de onderbouwde stelling van Stedin dat [verweerder] vóór 9 juli 2019 gas van Stedin afnam, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof uit van de juistheid van die stelling.
6.8
Met betrekking tot de afname van elektriciteit overweegt het hof het volgende. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat bij het controlebezoek van Stedin is vastgesteld dat de zegels van de elektriciteitsmeter vals waren en dat de zekeringen van de elektriciteitsmeter waren verzwaard naar 3 × 50 Ampère, terwijl [het bedrijf] een overeenkomst met Stedin had gesloten voor een elektriciteitsaansluiting van 3 × 35 Ampère. Het hof heeft gezien dat Stedin ervan uitgaat dat [verweerder] bij conclusie van antwoord heeft betwist dat de zekeringen waren verzwaard (memorie van grieven, 36). De betwisting van [verweerder] in randnummer 12 van de conclusie van antwoord lijkt echter betrekking te hebben op de stelling van Stedin dat [het bedrijf] heeft aangegeven behoefte te hebben aan 3 × 50 Ampère. In ieder geval heeft [verweerder] na de nadere toelichting van Stedin in randnummer 36 van de memorie van grieven niet langer betwist dat de zekeringen waren verzwaard. Als gevolg van de verzwaarde zekeringen heeft [het bedrijf] vóór 9 juli 2019 elektriciteit met een capaciteit van 3 × 50 Ampère afgenomen, terwijl zij slechts voor een capaciteit van 3 × 35 Ampère betaalde.
6.9
Op grond van het voorgaande gaat het hof er dus vanuit dat [het bedrijf] vóór 9 juli 2019 gas en elektriciteit van Stedin heeft afgenomen zonder daarvoor een - of in het geval van elektriciteit: de verschuldigde - vergoeding te betalen. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of [verweerder] van deze onrechtmatige afname van gas en elektriciteit persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt om hem daarvoor aansprakelijk te houden. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend voor zover het de afname van gas betreft. [verweerder] was enig bestuurder van [het bedrijf] en zelf ook werkzaam in het bedrijf van [het bedrijf] Het kan hem dus niet zijn ontgaan dat in het bedrijf van [het bedrijf] gas werd gebruikt, en als enig bestuurder van [het bedrijf] moet hij ook hebben geweten dat [het bedrijf] niet voor het gas betaalde. Hij heeft ook niet zorggedragen voor de betaling van de schade die Stedin aan [het bedrijf] in rekening heeft gebracht toen zij de illegale gasafname ontdekte.
Conclusie
6.14
De conclusie is dat het hoger beroep van Stedin gedeeltelijk slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en [verweerder] veroordelen tot betaling van € 6.180,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020. Verder zal het hof [verweerder] veroordelen tot terugbetaling van de door Stedin betaalde proceskosten van de eerste aanleg van € 660,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023. Het hof zal [verweerder] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
6.15
Die proceskosten worden begroot op:
Eerste aanleg:
dagvaarding € 107,99
griffierecht € 514,-
salaris advocaat € 660,-
Totaal € 1.281,99
Hoger beroep:
dagvaarding € 107,32
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 1.716,- (2 punten x tarief I)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.784,32
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2023, en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 6.180,44 , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 september 2020 tot aan de dag van betaling, alsmede tot betaling van € 660,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 oktober 2023 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in beide instanties, aan de zijde van Stedin begroot op € 1.281,99 in eerste aanleg en op € 2.784,32 in hoger beroep;
bepaalt dat als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
wijst de vorderingen af voor het overige;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, M.E. Honée en A.A. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2024 in aanwezigheid van de griffier.