Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-10-25
ECLI:NL:GHDHA:2023:2929
Strafrecht
Wraking
1,282 tokens
Dictum
inzake het verzoek om wraking als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), gedaan door:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 4 oktober 2023 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.J. de Haan-Boerdijk, voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. J.A.M. Jansen, leden, zitting hadden.
2. Bij mondeling verzoek van 4 oktober 2023 heeft verzoeker een verzoek om wraking van genoemde voorzitter gedaan.
3. De voorzitter heeft niet in de wraking berust.
Het wrakingsverzoek
4. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 4 oktober 2023 rust het wrakingsverzoek op – zakelijk weergegeven – de volgende gronden:
De voorzitter is partijdig omdat zij niet heeft gekeken naar de wetten die zijn overtreden en naar de argumenten van verzoeker waarom het Openbaar Ministerie en de politie te kwader trouw zijn en waarom het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De voorzitter spreekt over ‘zienswijzen’ en niet over niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, waaruit partijdigheid blijkt.
5. Na de zitting heeft verzoeker meerdere e-mailberichten met bijlagen aan de griffie en de wrakingskamer gezonden, waaronder een e-mailbericht van 9 oktober 2023 aan de strafgriffie, inhoudende de mededeling van verzoeker dat hij tijdens de zitting de rechters heeft gewraakt en het verzoek tot verschoning van de advocaat-generaal vanwege partijdigheid. Ook wil verzoeker de griffie wraken vanwege de schijn van partijdigheid.
Beoordeling
6. Op grond van artikel 512 Sv kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
7. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
8. Verzoeker stelt dat de voorzitter partijdig is omdat zij er geen oog voor heeft dat wetten en rechtsbeginselen zijn geschonden en dat het Openbaar Ministerie en de politie te kwader trouw zijn. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt echter niet dat de voorzitter daarover op enigerlei wijze een mening of oordeel heeft geuit. De zitting betrof bovendien een regiezitting (en dus niet een inhoudelijke zitting) met als enig doel met verzoeker te bespreken of hij in staat is zelf (dus zonder bijstand van een advocaat) de verdediging te voeren in zijn strafzaak.
9. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan wat verzoeker heeft gesteld, niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de daarvoor bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
10. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat verzoeker ter zitting van 4 oktober 2023 ook de wraking van de leden van de zittingscombinatie (mrs. Knobbout en Jansen) heeft verzocht. Voor zover verzoeker dat verzoek (alsnog) beoogt te doen bij zijn na de zitting verstuurde e-mailberichten, moet worden vastgesteld dat hij daarvoor geen gronden heeft aangevoerd. De enkele stelling dat ‘je al vooringenomenheid zag’ op de gezichten en aan het gedrag van de rechters, levert geen grond voor wraking op. In zoverre is dus niet voldaan aan de eis dat het verzoek om wraking is gemotiveerd (artikel 513 lid 2 Sv).
11. Voor zover uit de e-mailberichten verder nog moet worden afgeleid dat verzoeker de advocaat-generaal (mr. P. Swaak) en de griffie beoogt te wraken, wordt daarmee miskend dat alleen wraking kan worden verzocht van een rechter die een zaak behandelt (artikel 512 Sv).
12. Het voorgaande brengt mee dat het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting van de wrakingskamer aanstonds zal worden afgewezen (artikel 4 lid 2, aanhef en onder a, d en f, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag).
Dictum
De wrakingskamer:
wijst het verzoek om wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, genoemde voorzitter en leden, en de advocaat-generaal mr. P. Swaak.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2023 door
mrs. H.J. van Kooten, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M. Koole, in aanwezigheid van de griffier mr. L.A. Haas.