Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-06-28
ECLI:NL:GHDHA:2023:1216
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,495 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
zaaknummer : 200.327.975/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 23-86
zaaknummer rechtbank : C/10/650983
beschikking van de meervoudige kamer van 28 juni 2023
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Hassan te Almere,
tegen
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR),
gevestigd te Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden;
- [pleegvader] en [pleegmoeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna ook te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] ;
- mr. [bijzondere curator] ,
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van [minderjarige 1] ,
hierna ook te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 april 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
De moeder is op 31 mei 2023 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 16 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de bijzondere curator van 16 juni 2023 met bijlagen, ingekomen op diezelfde dag.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarige [minderjarige 1] gesproken.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2023 plaatsgevonden, tezamen met de zaak bekend onder zaaknummer 200.327.551.01 (betreffende het hoger beroep van de vader).
Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door mr. J. Robben (kantoorgenoot van mr. J.D. Nijenhuis);
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de gi 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de gi 2] ;
- de pleegvader de heer [pleegvader] ;
- de bijzondere curator.
Voor de moeder is de heer [tolk 1] opgetreden als tolk in de Arabisch/Syrische taal; voor de vader is de heer [tolk 2] opgetreden als tolk in de Arabisch/Syrische taal.
Verder is als toehoorder bijzondere toegang verleend aan mevrouw T. Alzubaidi (kantoorgenoot van mr. J.D. Nijenhuis).
Feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (Syrië), en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (Syrië).
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in pleeggezinnen.
3.3
Bij beschikking van 8 september 2022 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 17 september 2023. Bij beschikking van 2 maart 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin verlengd tot 17 april 2023. Bij die beschikking is tevens de bijzondere curator van [minderjarige 1] benoemd tot 17 september 2023. De behandeling voor het overig verzochte is aangehouden.
3.4
Bij beschikking van 1 november 2022 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 17 september 2023. Tevens is bij die beschikking de bijzondere curator van [minderjarige 2] benoemd tot 17 september 2023. Bij beschikking van 2 maart 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin verlengd tot 17 april 2023. De behandeling voor het overig verzochte is aangehouden.
3.5
Inmiddels is beslist dat [minderjarige 2] op 8 juli 2023 terug zal gaan naar haar moeder en per die datum de machtiging uithuisplaatsing zal vervallen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank - voor zover thans in hoger beroep van belang - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 september 2023; deze beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te vernietigen en in zoverre opnieuw recht doende het inleidende verzoek van de Gl op dat punt alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.
Motivering
Standpunten van partijen
5.1
De moeder voert - samengevat - aan dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft verlengd tot 17 september 2023. Ter toelichting stelt de moeder dat de GI bij herhaling te kort is geschoten. Er is na de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ), en zeker na de echtscheiding tussen ouders, te weinig hulpverlening op gang gekomen voor het gezin. De situatie van [minderjarige 1] in het pleeggezin is op deze wijze, door toedoen - namelijk het nalaten en het onvoldoende handelen - van de GI, een factor van betekenis geworden. Pas door/na de start van het gezinstrainingsprogramma (GTP), begin 2023, is er gewerkt aan het herstel van de relatie tussen de moeder en de kinderen. Dat is dus bijna twee jaar na aanvang van de uithuisplaatsing. De moeder meent verder dat de standpunten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode na de uithuisplaatsing te veel leidend zijn geweest. De kinderen zijn weliswaar wat ouder maar niet volwassen. Daarbij kan hetgeen de kinderen zeggen best als uitgangspunt worden genomen maar niet als eindpunt. De moeder merkt verder op dat zij de mening van de pleegouders bij de verschillende zittingen opmerkelijk heeft gevonden. Het pleegoudersysteem moet juist ten dienste staan van de (doelen van de) uithuisplaatsing en niet daartegenin werken. Daarbij past een neutrale houding van de pleegouders ten aanzien van de ouders, zeker in hun uitingen richting de kinderen. In ieder geval moeten pleegouders trachten een loyaliteitsconfliet te voorkomen. De moeder heeft de indruk dat dit niet het geval is. Dat [minderjarige 1] het bij de pleegouders goed heeft en tot rust komt, is niet zonder meer redengevend voor de verlenging van de uithuisplaatsing. De rechtbank had volgens de moeder moeten motiveren waarom de machtiging tot uithuisplaatsing moest worden verlengd aan de hand van het wettelijk criterium waarbij hetgeen [minderjarige 1] zegt een factor kan zijn, maar niet bepalend is. De moeder herhaalt net als vader dat het doel en uitgangspunt van de uithuisplaatsing is dat de kinderen weer thuis kunnen wonen. Het gaat goed met de moeder, zij kan de kinderen een veilig en stabiel leven bieden. Er is dan ook geen reden om [minderjarige 1] nog langer uit huis te plaatsen. De moeder meent dat [minderjarige 1] prima de hulp kan krijgen die nodig is terwijl hij bij de moeder is teruggeplaatst, vooral nu er sprake is van een ondertoezichtstelling. Een extreme maatregel, als uithuisplaatsing is dan ook niet nodig. [minderjarige 1] wordt volgens de moeder niet in zijn ontwikkeling bedreigd wanneer hij bij moeder verblijft, en daarom is niet langer aan de wettelijke criteria voor uithuisplaatsing voldaan.
5.2
De GI voert - samengevat - aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] getuige zijn geweest van huiselijk geweld door de vader richting de moeder, dat heeft geleid tot een uithuisplaatsing op 19 april 2021. De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is laatstelijk verlengd tot 17 september 2023. Hoewel het doel van een uithuisplaatsing binnen een ondertoezichtstelling is om terug te werken naar huis, is de GI van mening dat in het geval van [minderjarige 1] nog geen sprake kan zijn van een thuisplaatsing. [minderjarige 1] geeft heel duidelijk aan dat hij op dit moment nog niet bij zijn moeder wil wonen. Door het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden ervaart [minderjarige 1] nog steeds een gevoel van onveiligheid in de thuissituatie. Dit maakt ook dat [minderjarige 1] niet bij vader kan wonen. Er is nog steeds een contact- en locatieverbod voor vader jegens moeder. Echter wordt hier niet altijd aan gehouden. Ook kan de vader nog steeds dreigend zijn. Het gevoel van onveiligheid is daarom niet onterecht, en maakt [minderjarige 1] onzeker of een thuisplaatsing wel goed zal gaan. [minderjarige 1] heeft behoefte aan wat meer zekerheid en is daardoor afwachtend of de thuisplaatsing van zijn zus goed zal gaan, voordat hij thuis zou willen wonen. Totdat hij klaar is om naar huis te gaan wil hij bij zijn huidige pleeggezin blijven. Dit biedt hem zekerheid en hij voelt zich daar veilig. Hoewel de GI de wens van moeder en de vader begrijpt om beide kinderen weer thuis te laten wonen, volgt de GI het tempo van [minderjarige 1] , omdat dit het meest in zijn belang wordt geacht. Mocht [minderjarige 1] tegen zijn wens in toch thuis moeten wonen, dan zal hij zich niet gehoord of gezien voelen door de volwassenen om hem heen, wat opnieuw een gevoel van onveiligheid teweeg kan brengen en een bedreiging vormt voor zijn ontwikkeling. Dit maakt dat volgens de GI aan de gronden van een verlenging van de uithuisplaatsing is voldaan. De GI benadrukt dat het perspectief van [minderjarige 1] nog niet bepaald is, en ook nog niet bepaald kan worden. Het is nog steeds mogelijk dat [minderjarige 1] op termijn er wel aan toe is om (meer) thuis te wonen. De GI kan dat alleen maar toejuichen en zal [minderjarige 1] en de moeder ondersteunen waar nodig om dit goed te laten verlopen.
5.3
De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat [minderjarige 1] heeft aangegeven rust nodig te hebben, te weten een rustige constante omgeving waarin hij zonder problemen kan opgroeien. Hij geeft aan dat zijn voorkeur nu duidelijk ligt bij verblijf bij de pleegouders. Het gaat op school goed. Ook voor de schoolkeuze is het van belang dat duidelijk wordt waar [minderjarige 1] zal wonen en dus naar school zal gaan. Wonen bij de vader, zoals subsidiair wordt gesuggereerd is uitgesloten. De vader woont bij zijn ouders en daar is geen ruimte voor [minderjarige 1] , nog afgezien van het feit dat hij dan uit zijn omgeving zou worden weggerukt. Hij is nog niet toe aan teruggaan naar zijn moeder, dit zou te vroeg zijn. [minderjarige 1] wil ook eerst aanzien hoe het gaat met [minderjarige 2] als zij weer bij de moeder gaat wonen. In het kader van de rust die [minderjarige 1] nodig heeft voor zijn ontwikkeling is het belangrijk dat duidelijk wordt dat hij voorlopig blijft wonen bij de pleegouders. Het ultieme gevolg van toewijzing van de verzoeken van de ouders in hoger beroep is dat [minderjarige 1] meteen terug moet naar zijn moeder. Ouders vragen immers primair om afwijzing van het inleidend verzoek. De ouders geven er daarmee blijk van de belangen van [minderjarige 1] nog niet juist te kunnen inschatten, aldus de bijzondere curator.
5.4
[minderjarige 1] heeft bij het kinderverhoor aangegeven dat hij eind april 2023 het gezinstrainingsprogramma heeft afgerond, na 10 intensieve weken. Op dit moment loopt de gezinstherapie bij de moeder thuis verder. [minderjarige 1] voert wekelijks systeemgesprekken (samen met zijn zus) bij de moeder thuis. Die gesprekken zijn vaak emotioneel. Ook heeft hij zelf gesprekken met een therapeut. Naar zijn zeggen gaat het soms goed met hem, maar soms ook niet. Hij is na de uithuisplaatsing niet direct bij zijn huidige pleeggezin terecht gekomen en heeft op verschillende adressen verbleven. Ook dat heeft grote impact op hem gehad. Hij is nog niet in balans. Net als bij de rechtbank heeft [minderjarige 1] in het kindgesprek onomwonden en gemotiveerd aangegeven waarom hij op dit moment niet terug wil naar zijn moeder. [minderjarige 1] houdt onvoorwaardelijk van zijn ouders maar ervaart na alles wat er is gebeurd, nog steeds een gevoel van onveiligheid in de thuissituatie. Hij heeft dit ook aan zijn moeder aangegeven. Ook met zijn vader heeft hij hierover gesproken. Hij voorziet spanningen en problemen als hij gedwongen zou worden nu al thuis te wonen. Hij ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Het gaat goed op school, hij sport en heeft vrienden.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 april 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, C.M. Warnaar en E.C. Punselie, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier, en is op 28 juni 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.