Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2015-04-24
ECLI:NL:GHDHA:2015:1013
Strafrecht
Hoger beroep
18,948 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-005045-13
Parketnummer: 09-852105-13
Datum uitspraak: 24 april 2015
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
[adres],
ten tijde van de terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
13 april 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst heeft geraakt en/of binnen het lichaam de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een of meer anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) een vuurwapen getoond en/of dat vuurwapen op of in de richting van deze perso(o)n(en) gericht en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" en/of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en/of negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst en de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een vuurwapen op of in de richting van deze personen gericht en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging ter zake het onder 1 bewezenverklaarde
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde. Ter adstructie is aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad, omdat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder redengevend de volgende feiten en omstandigheden, die op grond van het onderzoek op de terechtzitting zijn komen vast te staan.
De verdachte en het [slachtoffer 1], de zwager van de verdachte, verkeerden reeds enige tijd in een zakelijk conflict over een door hen gerunde bakkerij. De bakkerij is in maart 2013 gesloten.
Beoordeling
Alvorens tot een eindoordeel te komen dient het hof
echter de door en namens de verdachte naar voren gebrachte contra-indicaties te wegen en te waarderen teneinde deze af te wegen tegen de hiervoor beschreven aanwijzingen die voor het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling overweegt het hof als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in dit kader – kort en zakelijk weergegeven – de volgende verklaring afgelegd. De verdachte wilde op de bewuste dag met zijn zwager gaan praten over het zakelijke conflict waarin zij verkeerden, maar omdat de verdachte reeds meerdere malen door zijn zwager was bedreigd, nam hij een vuurwapen mee ter zelfverdediging. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer aan tafel zag zitten in het theehuis, heeft hij het slachtoffer aangeroepen en gezegd dat hij met hem wilde praten. Het slachtoffer schonk de verdachte echter geen aandacht en ging verder met zijn kaartspel. Het slachtoffer was ongeïnteresseerd en zei tegen de andere kaartspelers ‘we gaan door’, alsof de verdachte niet bestond. Omdat het slachtoffer geen aandacht aan de verdachte schonk, raakte hij in paniek. De verdachte voelde zich door hem als oud vuil behandeld. Het was vervolgens eigenlijk zijn bedoeling om in de lucht te schieten, maar in paniek heeft de verdachte toen in de borst van het slachtoffer geschoten.
Het hof is van oordeel dat, anders dan door de verdediging is betoogd, niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De door de verdachte geschetste alternatieve toedracht, inhoudende dat hij ondanks zijn aanroepen door het slachtoffer werd genegeerd hetgeen heeft geleid tot een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, vindt immers geen steun in het overige bewijsmateriaal.
Geen van de gehoorde ooggetuigen heeft gehoord dat de verdachte – zoals hij zelf heeft verklaard – het slachtoffer eerst heeft aangeroepen of gezegd dat hij met hem wilde praten, noch heeft een van hen verklaard dat het slachtoffer in reactie op de binnenkomst van de verdachte tegen de andere kaartspelers iets zou hebben gezegd in de trant van ‘we gaan door’.
Bovendien heeft de [getuige 2] verklaard dat hij de verdachte al eerder had horen zeggen dat [slachtoffer 1] het leven van de verdachte had stukgemaakt en dat hij, de verdachte, daarom eigenlijk al dood was. Daarbij acht het hof van belang dat [getuige 2] de verdachte rond februari 2013 voor het laatst had gesproken.
Kort na het schietincident hebben de getuigen [slachtoffer 6] en [getuige 3] de verdachte horen zeggen - zakelijk weergegeven - dat [slachtoffer 1] de verdachte eerst had doodgemaakt en dat de verdachte nu
[slachtoffer 1] heeft vermoord. De getuige
[slachtoffer 4] heeft voorts verklaard dat de verdachte, na [slachtoffer 1] te hebben neergeschoten, heeft gezegd ‘laat mij schieten, ik wil hem doden’.
Uit de verklaring van de getuigen [getuige 2], [slachtoffer 6] en [getuige 3] leidt het hof af dat de verdachte kennelijk - al langere tijd - met het gevoel rondliep dat zijn zwager de oorzaak van zijn problemen was en hem in die zin ‘had gedood’. De uitlatingen van de verdachte die de ooggetuigen hebben gehoord vlak na het schietincident passen in onderling verband beschouwd dan ook beter bij het scenario dat de verdachte zijn zwager met een vooropgezet plan heeft geprobeerd te doden nadat hij er van uitging dat niemand uit zijn omgeving hem in zijn conflict kon helpen, dan bij het scenario dat de verdachte kwam om te praten doch in ogenblikkelijke gemoedsopwelling zijn zwager heeft neergeschoten.
De lezing van de verdachte over het gebeuren waarin het gedrag en de opmerkingen van het slachtoffer bij hem de ogenblikkelijke gemoedsopwelling zouden hebben uitgelokt, waardoor de verdachte hem in paniek zou hebben neergeschoten moet daarom als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden gesteld.
Het hof verwerpt het verweer.
Conclusie
Aldus is vast komen te staan dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Naar het oordeel van het hof zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen waaruit aanwijzingen voortvloeien die pleiten tegen bewezenverklaring van voorbedachte raad. Daarom is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot moord.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwet kent. De verdachte is met een vuurwapen naar buurthuis ‘t Wiel in Gouda gegaan en heeft daar op korte afstand zijn zwager neergeschoten, waarbij het slachtoffer is geraakt in de borst, met een klaplong, een gescheurd middenrif en een slagaderlijke bloeding in zijn lever tot gevolg. Het slachtoffer moest hiervoor tweemaal kort na elkaar worden geopereerd. Door ontstane complicaties moest het slachtoffer daarna nog tweemaal in het ziekenhuis worden opgenomen.
Ook uit de in eerste aanleg voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring wordt aannemelijk dat de psychische en lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer aanzienlijk zijn geweest.
Direct nadat de verdachte zijn zwager had neergeschoten, heeft hij meerdere omstanders bedreigd door het vuurwapen op hen te richten en daarbij te dreigen hen te doden. Dat moet een beangstigende situatie zijn geweest, zo blijkt ook uit diverse getuigenverklaringen. Het hof ziet geen reden om aan de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd strafmatigende gevolgen te verbinden, zoals door de verdediging is bepleit.
Ten slotte heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het illegaal voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico teweeg.
Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. Naast het slachtoffer, zijn sociale omgeving en de getuigen schokt een dergelijk schietincident de rechtsorde in het algemeen en brengt het gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de maatschappij.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op het pro justitia psychologisch onderzoek d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, die over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen uitspraak heeft kunnen doen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen gerezen voor verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Bovendien is acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door
A. Hardin Jarbandhan, reclasseringswerker, en
F. Mamedova, leidinggevende. Dit rapport bevat naar het oordeel van het hof geen nadere aanknopingspunten voor bepaling van strafmodaliteit en –maat.
De door de verdediging voorgestane strafmaat van niet meer dan 30 maanden, gelet op de verblijfsrechtelijke gevolgen voor de verdachte bij een hogere straf, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Het hof is – alles overwegende - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Door de raadsvrouw van de verdachte is verzocht de teruggave aan de verdachte te gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen goederen waarvan de rechtbank reeds de teruggave heeft gelast, alsmede van de in beslag genomen mobiele telefoon met een wit hoesje. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het beslag.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 1 tot en met 5, zal het hof de teruggave aan [slachtoffer 1] gelasten.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 6 tot en met 10 en nummer 16 (te weten het telefoontoestel met wit lederen etui) en 18, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.
De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze zijn vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 11 tot en met 13, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 14, 15 en 17 zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (€ 3.794,31) en immateriële (€ 30.000,-) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van
€ 33.794,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.153,68, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Daartoe heeft de raadsvrouw van de verdachte primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet eenvoudig van aard is en de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 11 tot en met 13 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 1 tot en met 5 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 6 tot en met 10 en nummers 16 en 18 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 14, 15 en 17 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,
mr. C.J. van der Wilt en mr. T.B. Trotman,
in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2015.
Inleiding
Rolnummer: 22-005045-13
Parketnummer: 09-852105-13
Datum uitspraak: 24 april 2015
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
[adres],
ten tijde van de terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
13 april 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst heeft geraakt en/of binnen het lichaam de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een of meer anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) een vuurwapen getoond en/of dat vuurwapen op of in de richting van deze perso(o)n(en) gericht en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" en/of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en/of negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst en de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een vuurwapen op of in de richting van deze personen gericht en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging ter zake het onder 1 bewezenverklaarde
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde. Ter adstructie is aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad, omdat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder redengevend de volgende feiten en omstandigheden, die op grond van het onderzoek op de terechtzitting zijn komen vast te staan.
De verdachte en het [slachtoffer 1], de zwager van de verdachte, verkeerden reeds enige tijd in een zakelijk conflict over een door hen gerunde bakkerij. De bakkerij is in maart 2013 gesloten.
Beoordeling
Alvorens tot een eindoordeel te komen dient het hof
echter de door en namens de verdachte naar voren gebrachte contra-indicaties te wegen en te waarderen teneinde deze af te wegen tegen de hiervoor beschreven aanwijzingen die voor het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling overweegt het hof als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in dit kader – kort en zakelijk weergegeven – de volgende verklaring afgelegd. De verdachte wilde op de bewuste dag met zijn zwager gaan praten over het zakelijke conflict waarin zij verkeerden, maar omdat de verdachte reeds meerdere malen door zijn zwager was bedreigd, nam hij een vuurwapen mee ter zelfverdediging. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer aan tafel zag zitten in het theehuis, heeft hij het slachtoffer aangeroepen en gezegd dat hij met hem wilde praten. Het slachtoffer schonk de verdachte echter geen aandacht en ging verder met zijn kaartspel. Het slachtoffer was ongeïnteresseerd en zei tegen de andere kaartspelers ‘we gaan door’, alsof de verdachte niet bestond. Omdat het slachtoffer geen aandacht aan de verdachte schonk, raakte hij in paniek. De verdachte voelde zich door hem als oud vuil behandeld. Het was vervolgens eigenlijk zijn bedoeling om in de lucht te schieten, maar in paniek heeft de verdachte toen in de borst van het slachtoffer geschoten.
Het hof is van oordeel dat, anders dan door de verdediging is betoogd, niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De door de verdachte geschetste alternatieve toedracht, inhoudende dat hij ondanks zijn aanroepen door het slachtoffer werd genegeerd hetgeen heeft geleid tot een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, vindt immers geen steun in het overige bewijsmateriaal.
Geen van de gehoorde ooggetuigen heeft gehoord dat de verdachte – zoals hij zelf heeft verklaard – het slachtoffer eerst heeft aangeroepen of gezegd dat hij met hem wilde praten, noch heeft een van hen verklaard dat het slachtoffer in reactie op de binnenkomst van de verdachte tegen de andere kaartspelers iets zou hebben gezegd in de trant van ‘we gaan door’.
Bovendien heeft de [getuige 2] verklaard dat hij de verdachte al eerder had horen zeggen dat [slachtoffer 1] het leven van de verdachte had stukgemaakt en dat hij, de verdachte, daarom eigenlijk al dood was. Daarbij acht het hof van belang dat [getuige 2] de verdachte rond februari 2013 voor het laatst had gesproken.
Kort na het schietincident hebben de getuigen [slachtoffer 6] en [getuige 3] de verdachte horen zeggen - zakelijk weergegeven - dat [slachtoffer 1] de verdachte eerst had doodgemaakt en dat de verdachte nu
[slachtoffer 1] heeft vermoord. De getuige
[slachtoffer 4] heeft voorts verklaard dat de verdachte, na [slachtoffer 1] te hebben neergeschoten, heeft gezegd ‘laat mij schieten, ik wil hem doden’.
Uit de verklaring van de getuigen [getuige 2], [slachtoffer 6] en [getuige 3] leidt het hof af dat de verdachte kennelijk - al langere tijd - met het gevoel rondliep dat zijn zwager de oorzaak van zijn problemen was en hem in die zin ‘had gedood’. De uitlatingen van de verdachte die de ooggetuigen hebben gehoord vlak na het schietincident passen in onderling verband beschouwd dan ook beter bij het scenario dat de verdachte zijn zwager met een vooropgezet plan heeft geprobeerd te doden nadat hij er van uitging dat niemand uit zijn omgeving hem in zijn conflict kon helpen, dan bij het scenario dat de verdachte kwam om te praten doch in ogenblikkelijke gemoedsopwelling zijn zwager heeft neergeschoten.
De lezing van de verdachte over het gebeuren waarin het gedrag en de opmerkingen van het slachtoffer bij hem de ogenblikkelijke gemoedsopwelling zouden hebben uitgelokt, waardoor de verdachte hem in paniek zou hebben neergeschoten moet daarom als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden gesteld.
Het hof verwerpt het verweer.
Conclusie
Aldus is vast komen te staan dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Naar het oordeel van het hof zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen waaruit aanwijzingen voortvloeien die pleiten tegen bewezenverklaring van voorbedachte raad. Daarom is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot moord.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwet kent. De verdachte is met een vuurwapen naar buurthuis ‘t Wiel in Gouda gegaan en heeft daar op korte afstand zijn zwager neergeschoten, waarbij het slachtoffer is geraakt in de borst, met een klaplong, een gescheurd middenrif en een slagaderlijke bloeding in zijn lever tot gevolg. Het slachtoffer moest hiervoor tweemaal kort na elkaar worden geopereerd. Door ontstane complicaties moest het slachtoffer daarna nog tweemaal in het ziekenhuis worden opgenomen.
Ook uit de in eerste aanleg voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring wordt aannemelijk dat de psychische en lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer aanzienlijk zijn geweest.
Direct nadat de verdachte zijn zwager had neergeschoten, heeft hij meerdere omstanders bedreigd door het vuurwapen op hen te richten en daarbij te dreigen hen te doden. Dat moet een beangstigende situatie zijn geweest, zo blijkt ook uit diverse getuigenverklaringen. Het hof ziet geen reden om aan de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd strafmatigende gevolgen te verbinden, zoals door de verdediging is bepleit.
Ten slotte heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het illegaal voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico teweeg.
Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. Naast het slachtoffer, zijn sociale omgeving en de getuigen schokt een dergelijk schietincident de rechtsorde in het algemeen en brengt het gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de maatschappij.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op het pro justitia psychologisch onderzoek d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, die over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen uitspraak heeft kunnen doen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen gerezen voor verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Bovendien is acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door
A. Hardin Jarbandhan, reclasseringswerker, en
F. Mamedova, leidinggevende. Dit rapport bevat naar het oordeel van het hof geen nadere aanknopingspunten voor bepaling van strafmodaliteit en –maat.
De door de verdediging voorgestane strafmaat van niet meer dan 30 maanden, gelet op de verblijfsrechtelijke gevolgen voor de verdachte bij een hogere straf, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Het hof is – alles overwegende - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Door de raadsvrouw van de verdachte is verzocht de teruggave aan de verdachte te gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen goederen waarvan de rechtbank reeds de teruggave heeft gelast, alsmede van de in beslag genomen mobiele telefoon met een wit hoesje. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het beslag.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 1 tot en met 5, zal het hof de teruggave aan [slachtoffer 1] gelasten.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 6 tot en met 10 en nummer 16 (te weten het telefoontoestel met wit lederen etui) en 18, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.
De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze zijn vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 11 tot en met 13, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 14, 15 en 17 zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (€ 3.794,31) en immateriële (€ 30.000,-) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van
€ 33.794,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.153,68, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Daartoe heeft de raadsvrouw van de verdachte primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet eenvoudig van aard is en de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 11 tot en met 13 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 1 tot en met 5 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 6 tot en met 10 en nummers 16 en 18 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 14, 15 en 17 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,
mr. C.J. van der Wilt en mr. T.B. Trotman,
in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2015.
Inleiding
Rolnummer: 22-005045-13
Parketnummer: 09-852105-13
Datum uitspraak: 24 april 2015
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
[adres],
ten tijde van de terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
13 april 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst heeft geraakt en/of binnen het lichaam de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of een of meer anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) een vuurwapen getoond en/of dat vuurwapen op of in de richting van deze perso(o)n(en) gericht en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" en/of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en/of negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel heeft afgevuurd op de borst van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst en de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een vuurwapen op of in de richting van deze personen gericht en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.hij op 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9 millimeter en negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging ter zake het onder 1 bewezenverklaarde
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde. Ter adstructie is aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad, omdat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder redengevend de volgende feiten en omstandigheden, die op grond van het onderzoek op de terechtzitting zijn komen vast te staan.
De verdachte en het [slachtoffer 1], de zwager van de verdachte, verkeerden reeds enige tijd in een zakelijk conflict over een door hen gerunde bakkerij. De bakkerij is in maart 2013 gesloten.
Beoordeling
Alvorens tot een eindoordeel te komen dient het hof
echter de door en namens de verdachte naar voren gebrachte contra-indicaties te wegen en te waarderen teneinde deze af te wegen tegen de hiervoor beschreven aanwijzingen die voor het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling overweegt het hof als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in dit kader – kort en zakelijk weergegeven – de volgende verklaring afgelegd. De verdachte wilde op de bewuste dag met zijn zwager gaan praten over het zakelijke conflict waarin zij verkeerden, maar omdat de verdachte reeds meerdere malen door zijn zwager was bedreigd, nam hij een vuurwapen mee ter zelfverdediging. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer aan tafel zag zitten in het theehuis, heeft hij het slachtoffer aangeroepen en gezegd dat hij met hem wilde praten. Het slachtoffer schonk de verdachte echter geen aandacht en ging verder met zijn kaartspel. Het slachtoffer was ongeïnteresseerd en zei tegen de andere kaartspelers ‘we gaan door’, alsof de verdachte niet bestond. Omdat het slachtoffer geen aandacht aan de verdachte schonk, raakte hij in paniek. De verdachte voelde zich door hem als oud vuil behandeld. Het was vervolgens eigenlijk zijn bedoeling om in de lucht te schieten, maar in paniek heeft de verdachte toen in de borst van het slachtoffer geschoten.
Het hof is van oordeel dat, anders dan door de verdediging is betoogd, niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De door de verdachte geschetste alternatieve toedracht, inhoudende dat hij ondanks zijn aanroepen door het slachtoffer werd genegeerd hetgeen heeft geleid tot een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, vindt immers geen steun in het overige bewijsmateriaal.
Geen van de gehoorde ooggetuigen heeft gehoord dat de verdachte – zoals hij zelf heeft verklaard – het slachtoffer eerst heeft aangeroepen of gezegd dat hij met hem wilde praten, noch heeft een van hen verklaard dat het slachtoffer in reactie op de binnenkomst van de verdachte tegen de andere kaartspelers iets zou hebben gezegd in de trant van ‘we gaan door’.
Bovendien heeft de [getuige 2] verklaard dat hij de verdachte al eerder had horen zeggen dat [slachtoffer 1] het leven van de verdachte had stukgemaakt en dat hij, de verdachte, daarom eigenlijk al dood was. Daarbij acht het hof van belang dat [getuige 2] de verdachte rond februari 2013 voor het laatst had gesproken.
Kort na het schietincident hebben de getuigen [slachtoffer 6] en [getuige 3] de verdachte horen zeggen - zakelijk weergegeven - dat [slachtoffer 1] de verdachte eerst had doodgemaakt en dat de verdachte nu
[slachtoffer 1] heeft vermoord. De getuige
[slachtoffer 4] heeft voorts verklaard dat de verdachte, na [slachtoffer 1] te hebben neergeschoten, heeft gezegd ‘laat mij schieten, ik wil hem doden’.
Uit de verklaring van de getuigen [getuige 2], [slachtoffer 6] en [getuige 3] leidt het hof af dat de verdachte kennelijk - al langere tijd - met het gevoel rondliep dat zijn zwager de oorzaak van zijn problemen was en hem in die zin ‘had gedood’. De uitlatingen van de verdachte die de ooggetuigen hebben gehoord vlak na het schietincident passen in onderling verband beschouwd dan ook beter bij het scenario dat de verdachte zijn zwager met een vooropgezet plan heeft geprobeerd te doden nadat hij er van uitging dat niemand uit zijn omgeving hem in zijn conflict kon helpen, dan bij het scenario dat de verdachte kwam om te praten doch in ogenblikkelijke gemoedsopwelling zijn zwager heeft neergeschoten.
De lezing van de verdachte over het gebeuren waarin het gedrag en de opmerkingen van het slachtoffer bij hem de ogenblikkelijke gemoedsopwelling zouden hebben uitgelokt, waardoor de verdachte hem in paniek zou hebben neergeschoten moet daarom als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden gesteld.
Het hof verwerpt het verweer.
Conclusie
Aldus is vast komen te staan dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Naar het oordeel van het hof zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen waaruit aanwijzingen voortvloeien die pleiten tegen bewezenverklaring van voorbedachte raad. Daarom is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot moord.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwet kent. De verdachte is met een vuurwapen naar buurthuis ‘t Wiel in Gouda gegaan en heeft daar op korte afstand zijn zwager neergeschoten, waarbij het slachtoffer is geraakt in de borst, met een klaplong, een gescheurd middenrif en een slagaderlijke bloeding in zijn lever tot gevolg. Het slachtoffer moest hiervoor tweemaal kort na elkaar worden geopereerd. Door ontstane complicaties moest het slachtoffer daarna nog tweemaal in het ziekenhuis worden opgenomen.
Ook uit de in eerste aanleg voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring wordt aannemelijk dat de psychische en lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer aanzienlijk zijn geweest.
Direct nadat de verdachte zijn zwager had neergeschoten, heeft hij meerdere omstanders bedreigd door het vuurwapen op hen te richten en daarbij te dreigen hen te doden. Dat moet een beangstigende situatie zijn geweest, zo blijkt ook uit diverse getuigenverklaringen. Het hof ziet geen reden om aan de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd strafmatigende gevolgen te verbinden, zoals door de verdediging is bepleit.
Ten slotte heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het illegaal voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico teweeg.
Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. Naast het slachtoffer, zijn sociale omgeving en de getuigen schokt een dergelijk schietincident de rechtsorde in het algemeen en brengt het gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de maatschappij.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op het pro justitia psychologisch onderzoek d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, die over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen uitspraak heeft kunnen doen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen gerezen voor verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Bovendien is acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 6 augustus 2013, opgesteld en ondertekend door
A. Hardin Jarbandhan, reclasseringswerker, en
F. Mamedova, leidinggevende. Dit rapport bevat naar het oordeel van het hof geen nadere aanknopingspunten voor bepaling van strafmodaliteit en –maat.
De door de verdediging voorgestane strafmaat van niet meer dan 30 maanden, gelet op de verblijfsrechtelijke gevolgen voor de verdachte bij een hogere straf, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Het hof is – alles overwegende - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Door de raadsvrouw van de verdachte is verzocht de teruggave aan de verdachte te gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen goederen waarvan de rechtbank reeds de teruggave heeft gelast, alsmede van de in beslag genomen mobiele telefoon met een wit hoesje. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het beslag.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 1 tot en met 5, zal het hof de teruggave aan [slachtoffer 1] gelasten.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 6 tot en met 10 en nummer 16 (te weten het telefoontoestel met wit lederen etui) en 18, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.
De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze zijn vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 11 tot en met 13, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst onder nummer 14, 15 en 17 zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (€ 3.794,31) en immateriële (€ 30.000,-) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van
€ 33.794,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.153,68, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Daartoe heeft de raadsvrouw van de verdachte primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet eenvoudig van aard is en de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 11 tot en met 13 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 1 tot en met 5 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 6 tot en met 10 en nummers 16 en 18 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers 14, 15 en 17 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.153,68 (negenduizend honderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 1.653,68 (duizend zeshonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,
mr. C.J. van der Wilt en mr. T.B. Trotman,
in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2015.