Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2014-12-01
ECLI:NL:GHDHA:2014:3855
Strafrecht
Hoger beroep
2,116 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-005657-13
Parketnummer: 10-174477-12
Datum uitspraak: 1 december 2014
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 december 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortejaar] 1989,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 november 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames-)fiets (merk Gazelle, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
2:
hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Van de zijde van de verdediging is bij pleidooi betoogd dat het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft hiertoe – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte, na een ruzie met zijn vriendin, helemaal vanuit Katendrecht kwam gelopen op weg naar huis, dit terwijl hij behoorlijk veel alcohol had gedronken. Door het plaatsen van een dergelijk mooie fiets op een plek waar veel criminaliteit voorkomt is de verdachte volgens de raadsman op een idee is gebracht.
Het hof overweegt het volgende.
Hetgeen door de raadsman is aangevoerd kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, laatstelijk HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637, komt “(n)iet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.) Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441).”
Dat daarvan sprake zou zijn, is gesteld noch gebleken.
Op grond van het onderhavige dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is immers komen vast te staan dat de politie een lokfiets heeft geplaatst op een plaats waarvan uit misdaadanalyses is gebleken dat daar veelvuldig fietsen worden gestolen. Vervolgens heeft de verdachte, blijkens zijn verklaring in het verhoor bij de politie van 15 augustus 2012, deze op slot staande lokfiets meegenomen met de bedoeling om iets verderop het slot te verbreken zodat hij op deze fiets zijn weg naar huis kon vervolgen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het plaatsen van deze fiets is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht.
Het hof verwerpt derhalve het verweer.
Verweer ten aanzien van het oogmerk.
De raadsman heeft voorts nog betoogd dat bij de verdachte het oogmerk voor de diefstal ontbrak. De verdachte wilde immers de fiets alleen maar gebruiken om naar huis te gaan. Volgens de raadsman moet dit tot vrijspraak van het eerste ten laste legde feit leiden.
Het hof verwerpt ook dit verweer. De verdachte verklaart in zijn hiervoor genoemde verhoor bij de politie van 15 augustus 2012 (onder meer) dat hij een veilig plekje zocht om het slot van de fiets kapot te maken en dat hij als hij thuis was hij de fiets zelf zou houden. Uit deze verklaring leidt het hof af dat bij de verdachte het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening van de fiets aanwezig was.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames-)fiets (merk Gazelle, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
2:
hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van Rijkom, mr. E.C. van Veen en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 december 2014.