Rechtspraak 2002-04-16
ECLI:NL:GHARN:2002:AE1479
ECLI:NL:GHARN:2002:AE1479 text/xml public 2025-03-22T13:02:12 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AE1479 Gerechtshof Arnhem 2002-04-16 01/1009 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Civiel recht Rechtspraak.nl NJ 2002, 344 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2002:AE1479 text/html public 2013-04-04T17:43:01 2002-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARN:2002:AE1479 Gerechtshof Arnhem , 16-04-2002 / 01/1009 - 16 april 2002 derde civiele kamer rolnummer 2001/1009 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, procureur: mr. J.C.N.B. Kaal, tegen: de stichting Stichting Algemeen Christelijk Bosch Medicentrum Willem-Alexander Groot Ziekengasthuis, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, gedaagde, procureur: mr. J.T.M. Palstra. 1 Het verloop van het geding 1.1 Eiseres (hierna te noemen: de vrouw) en gedaagde (hierna te noemen: Medicentrum) zijn bij akte van prorogatie overeengekomen dat hun geschil omtrent de afgifte van het Medicentrum in bewaring gegeven sperma van wijlen [naam man] (hierna te noemen: de man) en het gebruik daarvan voor een IVF-behandeling bij de vrouw bij wege van prorogatie aan het gerechtshof te Arnhem wordt voorgelegd. 1.2 De vrouw heeft bij exploot van 28 november 2001 Medicentrum gedagvaard voor dit hof. Bij die dagvaarding heeft de vrouw gevorderd dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, Medicentrum zal gebieden om binnen twee weken na betekening van het in deze procedure te wijzen arrest: - het door Medicentrum bewaarde (ingevroren) sperma van de man aan de vrouw ter beschikking te stellen opdat dit sperma gebruikt kan worden in het kader van de door de vrouw gewenste IVF-behandeling in een door haar aan te wijzen ziekenhuis; - alle redelijk te achten medewerking te verlenen aan de door de vrouw gewenste IVF-behandeling, indien zij de IVF-behandeling in het ziekenhuis van Medicentrum of een aan Medicentrum gelieerd ziekenhuis wil laten plaatsvinden; met veroordeling van Medicentrum in de kosten van het geding. 1.3 Bij conclusie van eis heeft de vrouw gevorderd overeenkomstig het bij dagvaarding gevorderde en producties in het geding gebracht. 1.4 Medicentrum heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van de vrouw bestreden, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof haar vorderingen zal afwijzen en de vrouw, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de kosten van het geding. 1.5 Bij conclusie van repliek heeft de vrouw, onder overlegging van producties en aanbieding van bewijs, volhard in haar stellingen en conclusies. Op 10 januari 2002 heeft de vrouw originele exemplaren van producties behorende bij die conclusie ter griffie van het hof gedeponeerd. 1.6 Medicentrum heeft gedupliceerd en haar conclusies gehandhaafd. 1.7 Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. 2 Bevoegdheid van het hof 2.1 Luidens artikel 329 (oud) Rv. gold ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding dat partijen in alle voor hoger beroep bij het gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan, kunnen overeenkomen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn. 2.2 Van de thans van Medicentrum gevorderde afgifte van afgescheiden menselijk lichaamsmateriaal, in casu (ingevroren) sperma, en de gevorderde medewerking aan behandeling van de vrouw kan niet gezegd worden dat het om een zaak gaat die niet ter vrije beschikking van partijen staat. Het gaat om vermogensrechtelijke betrekkingen. Bij de afgifte van het sperma gaat het om de vraag of Medicentrum rechtens gehouden is haar houderschap ten behoeve van de vrouw op te geven; bij de gevorderde medewerking om de vraag of Medicentrum gehouden is een geneeskundige behandelingsovereenkomst met de vrouw aan te gaan, althans haar medewerking te ver Boven de naam van de man draagt het stuk een handtekening. 3.7 Medicentrum weigert de door de vrouw verlangde terbeschikkingstelling van het nog steeds bij haar in bewaring zijnde ingevroren sperma van de man voor de door haar thans met het oog op een tweede zwangerschap gewenste IVF-behandeling. 4 Beoordeling van het geschil 4.1 De vordering van de vrouw moet stranden, indien naar de huidige stand van het Nederlands recht het gebruik van sperma voor het tot stand brengen van een zwangerschap ontoelaatbaar is indien de man, van wie het sperma afkomstig is, is overleden. 4.2 Aanvankelijk is omtrent postmortale inseminatie een afwijzend standpunt van regeringswege ingenomen. In de regeringsnota “Kunstmatige bevruchting en draagmoederschap” (TK 1987-1988, 20706, nr 2, p. 27 en p. 30) is te lezen: “…. dient in de toekomst de mogelijkheid tot voortplanting begrensd te blijven tot het moment van het overlijden van een persoon. Daarom behoren naar onze mening de in bewaring gegeven gameten na het overlijden van de bewaargever te worden vernietigd…..Na het overlijden van de bewaargever zijn de gameten van de bewaargever ook niet meer beschikbaar voor inseminatie bij de achtergebleven partner. Evenmin kunnen de gameten worden bewaard ten behoeve van inseminatie bij derden (anoniem) ….” 4.3 In het debat onder rechtsgeleerde schrijvers heeft sinds de jaren ‘80 een ontwikkeling plaatsgevonden. Een door de Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht geïnitieerde multidisciplinaire werkgroep was blijkens haar rapport “Bijzondere wijzen van voortplanting, draagmoederschap en de juridische problematiek”(1986) in meerderheid tegen het gebruik van in bewaring gegeven sperma van de overleden echtgenoot of partner. Zij was van opvatting dat na overlijden het in bewaring gegeven sperma moet worden vernietigd. Een minderheid achtte inseminatie van de vrouw met sperma van de overleden man niet zonder meer ontoelaatbaar. In de literatuur vindt men al vroeg stemmen dat het gebruik van het ingevroren sperma van een overleden man voor inseminatie bij de achtergebleven partner is toegestaan, mits de overledene zijn wil daartoe schriftelijk te kennen heeft gegeven. Men zie het artikel “Voortplanting van de mens anno 1984” van mr E. Loeb en mr J.C. van Straaten, NJB 1984, p. 1025. In 1991 beantwoordt mr A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar in haar proefschrift “Civielrechtelijke aspekten van kunstmatige inseminatie en draagmoederschap”, p. 70 en volgende, die vraag eveneens bevestigend: “…Als de overledene daartoe zijn wil heeft geuit, zie ik niet in dat een arts bevoegd zou zijn om het sperma van de overledene te vernietigen. Het lijkt mij dat aan het zelfbeschikkingsrecht van de overledene en aan de wilsovereenstemming die er op dit punt tussen hem en de vrouw bestond, voorrang moet worden gegeven. Als immers ergens het zelfbeschikkingsrecht van de mens tot uitdrukking komt, dan is het wel bij beslissingen omtrent zijn eigen voortplanting. Die beslissingen moeten in beginsel worden gerespecteerd. Als de man op geldige wijze zijn wil heeft geuit, kan de arts naar mijn mening tot afgifte worden gedwongen. …. Naar mijn mening hebben beschikkingen van de erflater waarin aan de partner de mogelijkheid wordt gegeven het sperma te gebruiken na zijn overlijden, een geldige inhoud, evenals beschikkingen waarin hij bepaalt dat het sperma na overlijden vernietigd zal moeten worden…..Er is hier geen sprake van strijd met de openbare orde of de goede zeden. Wel moeten er grenzen worden getrokken. Niet geldig zal zijn een rechtshandeling met als inhoud dat het sperma voor onbepaalde tijd na overlijden zal worden bewaard ten behoeve van een nog niet aangewezen vrouw…” Zij wijst er ook op dat ten tijde van haar onderzoek de praktijk bij de diverse spermabanken zeer uiteenliep, in die zin dat sommige geen andere keuze boden dan vernietiging van het sperma bij overlijden, terwijl andere in diverse varianten de mogelijkheid van gebruik voor partnerinseminatie na overlijden van de man o Het belang van het toekomstige kind staat hierbij voorop, de kinderwens van de ouder en diens overleden partner is niet doorslaggevend….Of het belang van het desbetreffende kind zich al dan niet verzet tegen posthume procreatie, zal …..een beoordeling van geval tot geval vereisen, zulks behalve op beroepsstandaarden, gebaseerd op het protocol, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het wetsvoorstel.” 4.5 Het hof komt, op grond van het voorgaande, tot de slotsom dat naar huidige rechtsopvatting in Nederland het gebruik van in bewaring gegeven geslachtscellen van een overleden man voor het bewerkstelligen van een zwangerschap bij zijn vrouwelijke partner toelaatbaar is, mits de man daartoe uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven en een toetsing van het belang van het toekomstige kind plaatsvindt door de voor de behandeling verantwoordelijke arts. Iedere vorm van uitdrukkelijke schriftelijke toestemming is daartoe geëigend. 4.6 Voor het gebruik van het sperma van de man is voorts de onder 3.4 weergegeven overeenkomst van bewaarneming van belang. Medicentrum is van mening dat zij, mede gezien de inhoud van die overeenkomst, rechtens geen medewerking mag verlenen aan de wens van de vrouw tot het gebruik van het sperma van de man voor het veroorzaken van een nieuwe zwangerschap van de vrouw. Zij voert daartoe het volgende aan: 4.6.1 De IVF-behandeling in het kader waarvan sperma van de man in bewaring is gegeven, heeft reeds geleid tot zwangerschap van de vrouw en de geboorte van een kind. Een tweede IVF-behandeling valt niet onder het doel waarvoor de man toestemming heeft gegeven. Medicentrum mag niet aan een tweede IVF-behandeling meewerken. 4.6.2 Artikel 4 van de overeenkomst heeft ten gevolge dat de overeenkomst zou moeten worden beëindigd na het overlijden van de man. Medicentrum heeft zich ook op het standpunt gesteld dat zij de overeenkomst als geëindigd beschouwde. 4.6.3 De man heeft het sperma niet ter beschikking gesteld voor gebruik na zijn overlijden. 4.6.4 Ingevolge het voorgestelde artikel 24d van de Embryowet is het verboden - en ingevolge het voorgestelde artikel 28 van die wet strafbaar - geslachtscellen te gebruiken voor ingevolge die wet toegelaten doeleinden zonder dat zij daarvoor ter beschikking zijn gesteld. 4.6.5 Ingevolge het voorgestelde artikel 2 lid 3 van de Embryowet is vereiste voor het gebruik van geslachtscellen door een instelling na overlijden van de betrokkene dat de instelling beschikt over een protocol waarin regels zijn gesteld met betrekking tot de werkwijze betreffende het ter beschikking stellen van geslachtscellen en embryo’s voor andere doeleinden (dan het tot stand brengen van een zwangerschap) en na overlijden, zodat Medicentrum ook daarom geen medewerking mag verlenen nu een dergelijk protocol met regels voor gebruik na overlijden ontbreekt. 4.6.6 De man heeft Medicentrum geen toestemming gegeven zijn sperma na overlijden te gebruiken. De brief van 27 september 1999 is niet gericht aan Medicentrum. 4.6.7 Er bestaat geen volledige zekerheid dat de brief van 27 september 1999 daadwerkelijk afkomstig is van de man. Medicentrum heeft zich erover verbaasd dat de brief eerst bijna twee jaar na de dag waarop deze is gedateerd, door de vrouw is gevonden en wel na de bespreking van 25 april 2001 waarin de vrouw is medegedeeld dat de vereiste schriftelijke toestemming van de man ontbrak. Ook wekt verbazing dat de man op deze wijze communiceerde en blijkbaar nooit van het bestaan van de brief had gerept. De kans dat de handtekening is nagemaakt blijft aanwezig, al wil Medicentrum dat niet stellen. 4.6.8 Ingevolge artikel 2 lid 2 van de overeenkomst geldt de eis dat de man een tijdstip voor het gebruik noemt. Dit is, behoudens de reeds uitgevoerde IVF-behandeling, niet gebeurd. 4.6.9 De man heeft Medicentrum nooit laten weten dat hij met zijn in bewaring gegeven sperma een tweede zwangerschap van de vrouw wilde bewerkstelligen. 4.6.10 Medicentrum vreest precedentwerking, nu zich ook een 4.15 Het beroep van Medicentrum op artikel 24d van de Embryowet, dat al geen opgeld kan doen nu die wet nog niet tot stand is gekomen, moet stranden op de omstandigheid dat de terbeschikkingstelling van de geslachtscellen blijkens de overeenkomst is geschied ten behoeve van de zwangerschap van een ander, een ingevolge de wet toegelaten doel. 4.16 Het ontbreken van een protocol kan door Medicentrum niet tegen-geworpen worden. Allereerst is de Embryowet, waaruit dit vereiste voortvloeit, nog niet tot stand gekomen. Bovendien richt het voorschrift zich tot het bestuur van een instelling waar buiten het lichaam menselijke embryo’s tot stand worden gebracht, derhalve tot de besturen van de instellingen die een centrum voor IVF-behandeling exploiteren. Medicentrum behoort daar volgens eigen stelling niet toe. Ten slotte betreft de inhoud van een dergelijk protocol de (beleids)regels die in zo’n instelling worden gebezigd met betrekking tot het - voor zover hier van belang - bewaren en gebruik van in bewaring gegeven sperma na overlijden van de man van wie het afkomstig is. In het bijzonder gaat het daarbij ook om de maatstaven die de voor de behandeling verantwoordelijke arts zal aanleggen bij de beoordeling of het belang van het toekomstige kind voldoende is gewaarborgd. De vrouw heeft gesteld en Medicentrum heeft niet weersproken dat de arts die de behandeling van de vrouw zal verrichten, op dit punt geen bezwaar heeft. Ook het hof is niet gebleken van omstandigheden die de arts ertoe zouden nopen in het belang van het toekomstige kind van de behandeling af te zien; in tegendeel: de familie van de vrouw en de man steunen de komst van dat kind en het kind zou tezamen met het dochtertje [naam dochtertje] kunnen opgroeien. Bovendien moet aangenomen worden, nu Medicentrum niet anders stelt, dat die arts bij de vorming van zijn oordeel acht geslagen heeft op de standaard van zijn beroepsgroep. Een standaardprotocol, waarin op het punt van postmortale procreatie een arts maatstaven worden aangereikt, is – voor zover het hof bekend – nog niet totstandgekomen. 4.17 Het verweer van Medicentrum dat de man haar voor dit gebruik geen toestemming heeft verleend, faalt eveneens. Weliswaar heeft de man niet rechtstreeks aan Medicentrum verklaard toestemming te verlenen voor gebruik na zijn overlijden, doch de wil van de man blijkt in dit opzicht voldoende duidelijk uit de brief van 27 september 1999. Naar de huidige rechtsopvatting, zoals weergegeven onder 4.5, kan de eis van een rechtstreekse verklaring aan de bewaarnemer van de geslachtscellen niet gesteld worden. 4.18 Geen twijfel kan bestaan dat de in artikel 2 lid 2 bedoelde partner, als gebruik van het sperma na overlijden van de man voor het bewerkstelligen van zwangerschap is toegelaten, de vrouw is. Zij was ten tijde van het overlijden van de man de met hem samenlevende partner en een IVF-behandeling met zijn sperma had tot zwangerschap bij haar geleid. De overeenkomst van bewaarneming was recent, in het kader van die IVF-behandeling van de vrouw, aangegaan. De gezamenlijke kinderwens, ook van een tweede of derde kind, staat vast. De eis dat zij door de man opnieuw is aangewezen, kan door Medicentrum in redelijkheid niet worden gesteld. De vrouw was ten tijde van het overlijden van de man zwanger, zodat een tweede zwangerschap nog niet aan de orde was. In zijn brief van 27 september 1999 is de man er duidelijk in dat hij toestemt in gebruik van zijn in bewaring gegeven sperma na zijn overlijden voor het bewerkstelligen van zwangerschap bij de vrouw. Hij verbindt dat immers uitsluitend aan een kinderwens bij de vrouw. 4.19 Het beroep van Medicentrum op precedentwerking is in de rechtsverhouding tussen de vrouw en Medicentrum van geen belang. 5 Slotsom De slotsom is dat alle verweren van Medicentrum tegen de gevorderde afgifte falen. Die vordering is voor toewijzing vatbaar. Medicentrum heeft verklaard alsdan medewerking te zullen verlenen aan de IVF-behandeling van de vrouw, met dien ver