Rechtspraak 1998-08-04
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1155
Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 97/0109 U i t s p r a a k op het beroep van *X te *Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane district *P op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan hem gerichte uitnodiging tot betaling met betrekking tot de invorderingsnummers *1 tot en met *74. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het hof 1.1. Belanghebbende heeft voor de periode mei 1993 tot en met september 1993 een uitnodiging tot betaling ontvangen van landbouwhefWng en – voorzover hier van belang – omzetbelasting bij invoer, dit laatste tot een bedrag van ƒ 578.509,–. 1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitnodiging bezwaar aangetekend. De Inspecteur heeft bij uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld tegen die uitspraak. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 12 november 1997 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord *de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur*. 1.5. Naar aanleiding van het ter zitting door het hof tot de inspecteur gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden. Geen van de partijen heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid te verzoeken om een nadere mondelinge behandeling. 2. Feiten Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 november 1997, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. In de periode mei 1993 tot en met september 1993 zijn 74 T1-documenten opgemaakt voor het vervoer van melkpoeder op grond van de regeling voor extern douanevervoer. 2.2. Volgens die documenten zou de – uit *Q afkomstige – melkpoeder naar Nederland of Engeland worden vervoerd. De melkpoeder is niet op de in de documenten genoemde bestemmingen afgeleverd. 2.3. Het rapport van *A van 19 juni 1995 bevat de volgende passage: “(...). De werkwijze was als volgt;aan de buitengrens van de E.U. werden voor vrachtauto's geladen met magere melkpoeder T1-dokumenten vervaardigd. De melkpoeder was steeds afkomstig uit *Q (...). Op deze dokumenten werden als geadresseerde, niet bestaande of bedrijven vermeld die niets met deze melkpoeder van doen hadden. Vervolgens werden de vrachtauto's onder dekking van de hier bedoelde T1-dokumenten naar Nederland gebracht, waar ze in de omgeving van *R werden opgevangen. Aldaar werden de T1-dokumenten ingenomen van de chauffeurs door de dadergroepering. Vervolgens werd de melkpoeder overgebracht naar de uiteindelijke Nederlandse afnemers. (...)”. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende als douaneschuldenaar is aan te merken. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 4. Beoordeling van het geschil Onttrekking in Nederland 4.1. Artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) bepaalt dat onder de naam “omzetbelasting” een belasting wordt geheven ter zake van invoer van goederen. 4.2. Het belastbaar feit “invoer van goederen” doet zich blijkens artikel 18, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Wet onder meer voor bij het in Nederland beëindigen van, dan wel het in Nederland onttrekken van goederen aan een douaneregeling. 4.3. Artikel De inspecteur ziet eraan voorbij dat voormeld artikel 4, blijkens de aanhef van lid 1 van dat artikel, slechts van toepassing is indien krachtens artikel 2, lid 1, onderdeel c, van de Verordening Douaneschuld een douaneschuld is ontstaan. In de onderhavige zaak is dat niet het geval, zodat de bepalingen van de Wet inzake de douane van toepassing blijven. 4.13. Niet is komen vast te staan dat belanghebbende als aangever heeft gefungeerd, terwijl evenmin vaststaat dat belanghebbende persoonlijk door feitelijk handelen de douaneregeling bij de 74 zendingen heeft beëindigd of door persoonlijk feitelijk handelen deze zendingen heeft onttrokken aan de douaneregeling. Het hof zal vervolgens nagaan of belanghebbende overigens nog op grond van de Wet inzake de douane als belastingplichtige kan gelden. 4.14. Artikel 124e van de Wet inzake de douane houdt in dat indien belasting, waaraan goederen zijn onderworpen, ten onrechte niet of niet volledig is geheven door toedoen van een ander dan de belastingschuldige die ander eveneens tot betaling van die belasting gehouden is. Volgens het arrest HR 25 september 1991, nr. 26242, BNB 1991/320, is alleen sprake van toedoen bij bewust en positief handelen dan wel medehandelen in de wetenschap dat het gaat om handelingen die gericht zijn op het ontduiken van belastingen. 4.15. Belanghebbende ontkent betrokken geweest te zijn bij de dadergroep, die de zendingen melkpoeder aan het douanetoezicht heeft onttrokken. 4.16. De inspecteur betoogt dat belanghebbende heeft leiding gegeven, dan wel deelgenomen aan de dadergroep die deze zendingen aan het douanetoezicht heeft onttrokken. Hij beroept zich daarbij, onder verwijzing naar de tot de gedingstukken behorende vijf dossiers in zaak 1 van het zogenaamde Fipola-dossier, op de volgende feiten en omstandigheden: –voor de eerste transporten is gebruikt als contactadres: *astraat 74 te *Z en het telefoonnummer *00. Dit telefoonnummer staat op genoemd adres op naam van *X. De op dit adres gevestigde onderneming Autobedrijf *X-a wordt gedreven voor rekening van belanghebbende [*1]; –de CMR's *08 en *09 van 19 mei 1993 vermelden als ontvanger van een transport melkpoeder *X-a en het telefoonnummer *00 van *X. Afleveradres is *B, *b-straat 14-16 te *S, welk transportbedrijf door de dadergroep is gebruikt [*2; *3]; –*C heeft op 4 november 1994 verklaard: “Ik hoorde van *D dat *E geld had opgehaald. Hij zou toen meegenomen hebben het inkoopbedrag van de melkpoeder en de provisies voor hemzelf, *X en *F. Hoe groot het bedrag was weet ik niet. Wel herinner ik mij dat *D zoiets zei als van die neemt een aardige knots geld mee. (...). *D heeft er tegenover mij nog wel eens over geklaagd dat *X en E en ook *F zoveel provisie kregen.” [*4, blz. 2-3]; –*D heeft op 26 oktober 1994 verklaard: “Het feit dat ik *H in De *cc tegenkwam had niets te maken met de botertransactie (...). Ik begreep van de mensen om mij heen dat hij daar was vanwege melkpoedertransacties die hij al gedaan had met mensen uit *Z. Later wist ik dat de persoon *X en ook familie van hem (iemand met een staartje) tot de mensen uit *Z behoorden. Ik heb later *X zowel in De *cc als in *Z gezien. Ik heb de man met het staartje in de garage van *X aan de *a-straat ontmoet. (...). In de aanvang liep de handel in melkpoeder tussen *G B.V. en zijn afnemer *I te *T. Dat waren de transacties van *H en *X. (...). Feitelijk is het zo dat de handel plaatsvond tussen enerzijds de groep personen waarvan *C en *X deel uitmaakten en anderzijds de afnemer, in dit geval *J B.V. (...) [*5, blz. 1-2]. In de periode van De *cc, dus in 1993, hadden wij twee leveranciers. Dit waren enerzijds *K/*L en anderzijds *M. (...). In het begin ben ik een keer met *X meegeweest naar *Q. Hij moest daar naar toe inzake zijn staalhandel. Ik werd daar toen voorgesteld aan *M met betrekking tot de melkpoederhandel. (...). Als er transporten aankwamen of reeds gearriveerd waren dan kreeg ik van *C te horen dat deze verkocht konden worden. I Ik heb zelf denk ik ook een of tweemaal grote bedragen opgehaald bij de genoemde bank en die bedragen voorts afgedragen aan *X en aan *E.” [*13, blz. 127-128]. –in het proces-verbaal *13, blz. 12 relateren verbalisanten: “(...). Rond eind augustus, begin september 1993 is binnen de groepering De *cc te *R de beslissing genomen dat een aantal (sprake is van 20 tot 35) partijen melkpoeder niet zouden worden afgerekend met beide *Q'se leveranciers. (...). Tegen de verwachting in kwamen de *Q'se groeperingen hier te lande verhaal halen bij betrokkenen. De ontstane schuld aan de *Q's/*W's zou $ 200.000,–– bedragen. (...) dat er is besloten dat zowel de groepering *Z als de groep De *cc $ 100.000,–– zouden betalen. *C heeft van *M gehoord dat kort na de bespreking door *X een bedrag van $ 100.000,-- is betaald. De betaling van $ 100.0.000,–– door *X heeft alsdan plaatsgevonden voor partijen melkpoeder ten aanzien waarvan frauduleus is gehandeld uit de periode dat de groep De *cc de uitvoering verzorgde.” –in het proces-verbaal *13, blz. 14 relateren verbalisanten: “(...). *EE zegt dat eind mei 1993 twee vrachten melkpoeder in zijn loods zijn gelost, welke enkele dagen daarna weer zijn weggehaald. Voor deze opslag in het bedrijfspand van *FF B.V. te *V (...) is hij door *X benaderd. De opslagruimte is door *X bekeken en door *X is een deel van de huur aan *EE betaald.” –in het proces-verbaal *13, blz. 30 relateren verbalisanten: “(...). Het plegen van de fraude is op te delen in twee periodes. Enerzijds de zogenaamde periode *Z, waarbij de combinatie van de personen *X en *H verantwoordelijk waren. Anderzijds de zogenaamde periode *R, waarbij de combinatie van de personen *BB, *C, *D en *X verantwoordelijk waren. De periode *Z betreft vermoedelijk 23 partijen melk-poeder (...). De periode *R betreft vermoedelijk 54 partijen melkpoeder (...).”. –in het proces-verbaal *13, blz. 31 relateren verbalisanten: “(...). Door de afzonderlijke groeperingen blijkt tenminste de navolgende brutowinst te zijn behaald: Groepering *X, uit periode *Z: 100% van ( 387.550 kg à fl. 1,50) =fl 581.325,– *R : 50% van (1.470.152 kg à fl. 1,50) =fl 1.102.614,– Totale bruto-winst fl 1.683.939,–”. 4.17. Door de inspecteur is gesteld en door belanghebbende niet weersproken dat de omzetbelasting bij invoer, die voor de 74 zendingen melkpoeder is verschuldigd, niet is geheven. Voorts acht het hof – gelet op hetgeen over alle zendingen onder 2.3. hiervoor, onvoldoende bestreden, is opgemerkt – door de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat de betreffende partijen melkpoeder de aangegeven douanebestemmingen niet hebben gevolgd. 4.18. Het hof verbindt aan de hiervoor onder 4.16 vermelde feiten en omstandigheden de conclusie dat die omzetbelasting mede door toedoen van belanghebbende niet is geheven, nu belanghebbende bewust handelingen heeft verricht binnen een organisatie die partijen melkpoeder heeft onttrokken of heeft laten onttrekken aan de douaneregeling op een niveau waarop vitale beslissingen worden genomen en in de wetenschap dat het ging om handelingen gericht op het ontduiken van belastingen. 4.19. Belanghebbende voert slechts als verweer aan de bewering dat – voor zover uit de verklaringen in het dossier enige betrokkenheid van hem bij de dadergroep zou kunnen worden afgeleid – hij de juistheid van die verklaringen betwist. Het staat het hof echter vrij om aan die – betwiste – verklaringen de bewijskracht toe te kennen die hem goeddunkt. Daaraan doet niet af dat die verklaringen zijn afgelegd door personen die niet zijn gehoord in het bijzijn van belanghebbende en zijn raadsman. 4.20. Anders dan belanghebbende klaarblijkelijk meent, is de inspecteur niet verplicht om reeds bij de toezending van de uitnodiging tot betaling een uitgebreider motivering te verschaffen dan al is gegeven voor het aanmerken van belanghebbende als douaneschuldenaar. 4.21. Door de inspecteur is betwist en overigens is niet aannemelijk geworden dat reeds door eventuele an