Rechtspraak 1998-03-18
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1118
Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 96/1924 U i t s p r a a k op het beroep van *X B.V. te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane district *P (hierna: de inspecteur) op het bezwaarschrift tegen de aan belanghebbende gezonden uitnodiging tot betaling van omzetbelasting betreffende de invorderingsnummers *. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het hof 1.1. De uitnodiging tot betaling strekt – voor zover hier van belang – tot betaling van een bedrag aan omzetbelasting van ƒ 70.676,10. 1.2. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar tegen de uitnodiging afgewezen. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur een conclusie van dupliek. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het hof van 10 december 1997 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord * gemachtigden van belanghebbende, alsmede * de inspecteur. 1.4. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de inspecteur bij zijn pleitnota één bijlage overgelegd. 2. Feiten Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast: 2.1. Directeur van belanghebbende was en is de heer *A. 2.2. Het in de uitnodiging tot betaling vermelde te betalen bedrag aan omzetbelasting is door de inspecteur als volgt berekend: Document Gewicht in kg Heffing Omzetbelasting Landbouwbouwheffing per 100 kg 10984656 22780 320,22 7.793,70 72.946,10 10984658 22780 320,22 7.793,70 72.946,10 519 22850 320,11 7.816,20 73.145,10 912 22700 313,19 7.670,60 71.094,10 950 23041 313,19 7.785,80 72.162,10 1020 23782 313,19 8.036,20 74.482,80 1021 23939 313,19 8.089,30 74.974,50 1063 23568 313,19 7.963,90 73.812,60 1064 22866 313,19 7.726,70 71.614,00 Totaal 208306 kg ƒ 70.676,10 ƒ 657.177,40 De vervoersdocumenten zijn in de maanden oktober en november 1993 opgemaakt. Het bedrag aan omzetbelasting is berekend op 6% x (gewicht x ƒ 2,50 + het bedrag aan landbouwheffing). 2.3. De onder 2.2. opgesomde vervoersdocumenten zijn opgemaakt voor vervoer van partijen melkpoeder van het bedrijf *B-bedrijf in Litouwen naar Nederland, c.q. Engeland, met uiteindelijke bestemming het bedrijf *C Lda uit Portugal (hierna: de partijen melkpoeder). De betrokken partijen zijn in 1993 per veerboot vanuit Litouwen naar de Europese Gemeenschap vervoerd en in Kiel of Mukran onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer geplaatst. Vandaar zijn de partijen door een Litouwse vervoerder getransporteerd naar het terrein van *D GmbH bij de Duits-Nederlandse grensovergang te *Q. De in de strafzaak als hoofdverdachte aangemerkte *E wachtte daar de vrachtwagen op. De oplegger werd losgekoppeld en door een Nederlandse truck naar Nederland vervoerd. Na verloop van tijd werd de, inmiddels lege, oplegger teruggebracht naar *Q waar deze weer werd gekoppeld aan de Litouwse truck. De partijen zijn niet op de in de documenten genoemde bestemmingen afgeleverd, doch door *E verkocht aan belanghebbende en de partijen zijn uiteindelijk in 1993 bij een opslagfaciliteit van *F B.V. te *R afgeleverd. 2.4. In het overzichtsproces-verbaal van * 1995 (*1), blz. 4, is over de gang van zaken met betrekking tot die partijen het volgende vermeld: „In Litouwen wordt een partij melkpoeder aangekocht op naam van een Portugese onderneming. De partij melkpoeder wordt onder dekking van een aan de buitengrens van de Europese Unie opgemaakt en afgegeven Tl-vervoersdokument vervoerd naar Nederland. Het Tl vervoer Hij had deze truck eenmaal gebruikt voor het transport van een partij melkpoeder vanaf *J B.V. te *S naar *F BV in *R op maandag 1 november 1993.”, -als relaas van verbalisanten: „Hij deed dit transport in opdracht van *E”. -als verklaring van getuige *K (*6): „De op genoemde CMR voorkomende naam *X zegt mij niets, ik heb die naam er ook op aanwijzing van *E op vermeld.”. -als relaas van verbalisanten op blz. 5: „(...). Gelet op de transportdata en hoeveelheid waren de 914 zakken melkpoeder vermoedelijk afkomstig vanaf *D te *Q alwaar deze partij met de vrachtwagencombinatie * en voorzien van T1-document * was aangevoerd.”. -als relaas van verbalisanten op blz. 7: " (...) d.d. 1-11-93 (Broncode TC) verkocht *X B.V. 914 zakken melkpoeder (22.850 kg netto) aan *L BV te *T. Volgens de vermelding op deze factuur werd de partij melkpoeder op 1-11-93 afgeleverd bij *F B.V. te *R. Op 2-11-93 werd deze factuur door *L BV per bank aan *X B.V. betaald." (05/D/07 en 05/D/10). -als verklaring van genoemde *A (*7): „Deze aan mij nu getoonde factuur van *H ontving ik van *E. Deze factuur betreft de levering van 22850 kg melkpoeder door *H aan *X op 1 november 1993. De prijs op deze factuur vermeld betreft de definitieve prijs, (...) . Voor deze partij was dit ook de prijs die ik daarvoor betaald heb, omdat er geen sprake was van afwijkingen. (...). Op deze factuur staat ook weer vermeld de clausule Goederen vrij voor verkoop in de EEG, wat mij garantie gaf dat het goederen betrof in het vrije verkeer van de EEG. Door de berekening van de gebruikelijke BTW werd dit nogmaals bevestigd. De betreffende melkpoeder was aan mij afgeleverd bij de opslagruimte te *R van mijn uiteindelijke afnemer.” 2.7. Op blz. 19 van het overzichts-procesverbaal van * 1995 (*8) is als verklaring van *A vermeld: „In totaal heb ik van *H circa 11 vrachten/partijen melkpoeder ontvangen, in totaal ter grootte van circa 258.000 kg. Ik heb al de partijen van *H ingekochte melkpoeder verhandeld als waren die partijen in het vrije EEG-verkeer gebracht. De handelingen betreffende de andere aankopen van *H (...) zijn identiek aan die zoals ik betreffende de zojuist genoemde partijen heb verklaard. Al de door mij van *H gekochte partijen melkpoeder heb ik verkocht aan *L BV te *T. Deze partijen zijn allemaal afgeleverd bij de door *L aangewezen opslagbedrijven, respectievelijk *M te *R en *F te *R. Ik heb de in *R uitgeloste gewichten van de melkpoeder van het betreffende op- en overslagbedrijf telefonisch ontvangen, soms rechtstreeks en soms via *L en vervolgens gaf ik die gewichten door aan *E. Zo had *E de juiste gewichten om de facturen van *H op te kunnen maken. *E meldde altijd bij mij als er een of meerdere wagens onderweg waren en hij vroeg dan altijd aan mij waar ze gelost moesten worden.”. 2.8. Het proces-verbaal (*9) van * 1995 bevat op blz. 3 de volgende verklaring van *D: „Ik ben (..) directeur van (..) *D gmbh, (..) *Q in Duitsland. (..). Deze documenten betreffen vermoedelijk de 6e, 7e, 8e en 9e vracht melkpoeder die toen in november bij ons op het terrein door de Litouwse trucks werden aangevoerd en vervolgens werden omgekoppeld. (..). Ze hebben er nagenoeg allemaal maar ongeveer 1 dag gestaan (..).”. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of de uitnodiging tot betaling terecht aan belanghebbende is gericht en zo ja, of het bedrag aan omzetbelasting nader moet worden gesteld op ƒ 43.369,30. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 3.3. Belanghebbende heeft daaraan ter zitting toegevoegd: Het bewijsaanbod door getuigen wordt ingetrokken, omdat zij hetzelfde zullen zeggen als reeds in het beroepschrift is medegedeeld. 3.4. De inspecteur heeft daaraan ter zitting het volgende toegevoegd: – In de conclusie van dupliek is de verwijzing naar het telefoongesprek 2/T/118, blz. 14, onjuist. De chauffe Aan bepalingen uit de Verordening Douaneschuld kan bij de beoordeling of sprake is van een bepaalde vorm van invoer niet worden toegekomen. Steun voor deze opvatting ontleent het hof aan het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 1996, nr. 30954, gepubliceerd in BNB 1997/3. 4.10. Aan het arrest HvJ EG 20 september 1988, nr. C-252/87, UTC 1990/73, komt in dit verband geen betekenis toe. 4.11. Het hof dient nu te onderzoeken of sprake is van een in 4.2. hiervoor genoemde invoer van goederen. Daarvan is sprake indien de onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland en niet, zoals belanghebbende stelt, in Duitsland heeft plaatsgevonden. 4.12. Belanghebbende legt aan haar standpunt, dat de onttrekking in Duitsland heeft plaatsgevonden, ten grondslag het vermoeden dat de verwijdering van zegels op het terrein van *D heeft plaatsgehad, omdat vanaf dat terrein het vervoer met een andere truck plaatsvond zodat het kenteken op het T1-document dan niet meer klopte. Het hof acht dit vermoeden voldoende weerlegd door hetgeen de inspecteur ter weerspreking ervan heeft aangevoerd. Ook anderszins heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke onttrekking aan het douanetoezicht in Duitsland heeft plaatsgehad. 4.13. De inspecteur stelt zich derhalve terecht op het standpunt dat geen heffingsbevoegdheid aan Duitsland toekomt. 4.14. Aan de orde is vervolgens of de in 4.11 bedoelde onttrekking heeft plaatsgehad in Nederland. De inspecteur voert voor dit standpunt, gelet op de gedingstukken, aan dat de goederen zijn verkocht en geleverd aan belanghebbende. 4.15. Uit het hiervoor onder 2.3. tot en met 2.8. vermelde leidt het hof leidt af dat de partijen melkpoeder, geplaatst onder de regeling voor extern douanevervoer, onder geleide van een T1-document naar *Q zijn vervoerd waar meestal nog dezelfde dag de oplegger werd omgekoppeld naar een Nederlandse truck. De partijen zijn vervolgens naar Nederland vervoerd en aldaar, blijkens de verklaring van de directeur van belanghebbende in 2.7 hiervoor, verkocht aan *L BV te *T en afgeleverd bij door haar aangewezen opslagbedrijven in Nederland. De partijen zijn aldus aan het douanetoezicht onttrokken, doordat – gelet op het lossen van de zakken met melkpoeder – de douaneverzegeling moet zijn verbroken voordat, zoals de inspecteur onweersproken heeft gesteld, was voldaan aan de verplichtingen die dienen te worden nagekomen voor goederen die onder de regeling voor extern douanevervoer zijn geplaatst. Belastingplichtige en douaneschuldenaar 4.16. In artikel 21, lid 2, van de Zesde Richtlijn is bepaald dat bij invoer de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is door degene die als zodanig door de Lid-Staat van invoer wordt aangewezen of erkend. In de Wet op de omzetbelasting 1968 is een dergelijke aanwijzing of erkenning niet opgenomen. 4.17. Artikel 22, lid 1, van de Wet, bepaalt dat voor de wijze van heffing ter zake van de belasting bij invoer de Wet inzake de douane, met uitzondering van de artikelen 109, 110 en 220b, van overeenkomstige toepassing is. Hoewel het bevreemding wekt dat, anders dan bij de in artikel 1, onderdelen a,b, en c, van de Wet bedoelde heffingen, in dezen niet in de Wet zelf is aangegeven wie voor de belasting bij invoer in dit geval belastingplichtig is, kan het hof uit de ruime omschrijving van deze bepaling geen andere conclusie trekken dan dat ook voor het antwoord op die vraag de Wet inzake de douane geraadpleegd dient te worden. 4.18. De uitnodiging tot betaling betreft goederen die naar het oordeel van de inspecteur in oktober en november 1993 aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Nu met betrekking tot het op 1 januari 1994 in werking getreden Communautair Douanewetboek (Verordening (EEG), nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek) geen overgangsregeling is getroffen, heeft het CDW voor het antwoord op de hier in geding zijnde materieelrechtelijke vragen geen betekenis. Daaraan doet