Rechtspraak 1994-07-25
ECLI:NL:GHARN:1994:1
25 juli 1994 Pachtkamer rolnummer. P93/014 -AR- G e r e c h t s h o f t e A r n h e m Arrest in de zaak van: DE STICHTING HET NOORDBRABANTS LANDSCHAP, gevestigd te 's Hertogenbosch, appellante, procureur: mr. J.M. Bosnak, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, procureur: mr. F.J. Boom. Het geding in eerste aanleg De pachtkamer van het kantongerecht te 's Hertogenbosch heeft op 25 september 1992 en 15 januari 1993 tussen partijen vonnissen gewezen, die in fotocopie aan dit arrest zijn gehecht en naar de inhoud waarvan wordt verwezen. Het geding in hoger beroep Appellant - hierna ook te noemen: het Noordbrabants Landschap - is bij exploit van 15 februari 1993, met gelijktijdige dagvaarding van geïntimeerde - hierna ook te noemen: [geïntimeerde] - voor dit hof, in hoger beroep gekomen van genoemde vonnissen, waarbij [geïntimeerde] is toegelaten tot het door alle middelen rechtens bewijzen van het bestaan van een tussen hem als pachter en [verpachter] als verpachter gesloten pacht-overeenkomst met betrekking tot twee percelen weiland, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [...] , nrs. [...] en [...] (vonnis van 25 september 1992) respectievelijk schriftelijk is vastgelegd dat in het voorjaar 1987 tussen [verpachter] te [plaats] (rechtsvoorganger van het Noordbrabants Landschap) als verpachter en [geïntimeerde] als pachter een pacht-overeenkomst is gesloten met betrekking tot de percelen land, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [...] , nrs. [...] en [...] ged., tesamen groot 3.45.30 ha, zulks voor de prijs van 1.000,-- per jaar en voor de duur van zes jaar, met afwijzing van het meer of anders gevorderde (vonnis 15 januari 1993). Bij memorie van grieven, tevens akte verbetering c.q. wijziging van eis, zijn na te melden grieven aangevoerd, met verbetering van het petitum van de dagvaarding in hoger beroep en met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering zal verklaren dan wel hem deze zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Bij memorie van antwoord, tevens antwoordakte, is medegedeeld dat [geïntimeerde] tegen de verbetering c.q. wijziging van de eis in hoger beroep zoals door het Noordbrabants Landschap verzocht geen bezwaar heeft en is voorts verweer gevoerd met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zo nodig onder verbetering van gronden zal bekrachtigen en het Noord-brabants Landschap zal veroordelen in de kosten van beide instanties. Partijen hebben nog een akte en een antwoord-akte gewisseld, waarna zij de stukken aan het hof hebben overgelegd ter fine van arrest. De grieven De grieven luiden: I.Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht overwogen en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 25 september 1992. II.Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht op de gronden als in het vonnis van 15 januari 1993 vermeld (pag. 2 geheel en pag. 3 eerste drie alinea's) dat de vordering voor toewijzing vatbaar is. III.Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht op de gronden als in het vonnis van 15 januari 1993 vermeld schriftelijk vastgelegd dat in het voorjaar 1987 tussen [verpachter] te [plaats] (rechtsvoorganger van appellante) als verpachter en geïntimeerde als pachter een pachtovereenkomst is gesloten met betrekking tot de percelen land, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [...] , nrs. [...] en [...] ged., en tesamen groot 3.45.30 ha, zulks voor de prijs van 1.000,-- per jaar, welke pachtovereenkomst geldt voor de duur van zes jaren. IV.Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht op de gronden als in het vonnis van 15 januari 1993 vermeld bepaald dat SNL de kosten van de procedure dient te betalen. De vaststaande feiten In hoger beroep kan van de volgende, als erkend of niet (voldoende) betwist, vaststaande feiten worden uitgegaan Op grond van het in de beide voorgaande rechtsoverwegingen overwogene, dat tesamen en in onderling verband beschouwd, komt het hof tot de conclusie dat de onderhavige grond aan [geïntimeerde] in gebruik is gegeven ter uitoefening van de landbouw. 7. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde bankafschriften blijkt dat hij in 1987 en volgende jaren telkens 1.000,-- per jaar heeft betaald voor het gebruik van (onder meer) de percelen [...] , nrs. [...] en [...] (ged.). In zijn schriftelijke verklaring van 22 april 1992 vermeldt [verpachter] weliswaar dat dit bedrag telkens is teruggestort, maar tegenover de gemotiveerde ontkenning daarvan door [geïntimeerde] wordt zulks onvoldoende nader onderbouwd. Slechts in 1991 is sprake van terugbetaling van de in 1990 betaalde 1.000,--, zulks overigens pas meer dan een half jaar na de betaling daarvan door [geïntimeerde] . Bij gebreke aan overige bewijzen van de gestelde terugbetalingen (een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod ter zake is ook niet gedaan), gaat het hof aan het betreffende verweer van het Noordbrabants Landschap voorbij. Immers, volstrekt ongeloofwaardig is dat [verpachter] in strijd met de gemaakte afspraken gedane betalingen ter zake van "huur" en "pacht" jaar in, jaar uit slechts retourneert en ondertussen het - volledige - gebruik van de grond door [geïntimeerde] gewoon laat doorgaan. De terugbetaling in juli 1991 doet hieraan niet af, nu het niet onwaarschijnlijk geacht moet worden dat die terugbetaling verband hield met de kort daarop plaats gehad hebbende verkoop van - onder meer - de grond in geschil aan het Bureau Beheer Landbouwgronden. 8. Tussen partijen staat vast dat de grond in geschil destijds eigendom was van [verpachter] privé. Met verwijzing naar de schriftelijke verklaring van betrokkene van 9 maart 1987 voert het Noordbrabants Landschap aan dat hij deze heeft geschreven in zijn hoedanigheid van voorzitter van de "Stichting tot behoud en beheer Dommeldal", dat hij mitsdien in die kwaliteit de grond aan [geïntimeerde] in gebruik heeft gegeven en dat derhalve sprake is van een onbevoegdelijk geda- ne ingebruikgeving, zodat reeds daarom niet een pachtovereenkomst als door [geïntimeerde] gesteld tot stand kan zijn gekomen. 9. Uit niets - met name ook niet uit de bij conclusie van repliek in het geding gebrachte akte van oprichting van de Stichting tot behoud en beheer van het Dommeldal - blijkt dat de bevoegdheid tot verpachting van - onder meer - de grond in geschil aan genoemde stichting is overgedragen. Dit in aanmerking genomen en gelet op de omstandigheid dat [verpachter] eigenaar was van de grond in geschil en dat de betalingen voor het gebruik van de grond aan hem persoonlijk zijn gedaan, moet het ervoor worden gehouden dat [verpachter] de grond aan [geïntimeerde] in gebruik heeft gegeven als eigenaar van die grond, en niet handelend namens de Stichting tot behoud en beheer van het Dommeldal. Hier komt bij dat het in dit geding weliswaar slechts gaat om de ingebruikgeving van de grond in geschil met ingang van het voorjaar van 1987, maar dat - naar door de pachtkamer van het kantongerecht in haar vonnis van 15 januari 1993 ook is overwogen en door het Noordbrabants Landschap in hoger beroep niet, althans niet voldoende is bestreden - in feite al veel eerder, zulks geruime tijd vóór de oprichting van de hiervoor genoemde stichting, sprake was van een ingebruikgeving van onder meer een gedeelte van de grond in geschil door [verpachter] , eerst aan de vader van [geïntimeerde] en later aan [geïntimeerde] zelf. De ingebruikgeving in 1987 vond in het verlengde daarvan plaats en van toen opgetreden wijzigingen in de (rechts)persoon van de ingebruikgever is onvoldoende gesteld of anderszins aannemelijk geworden. De verklaring van [verpachter] van 9 maart 1987 alleen is niet genoeg om op grond daarvan tot een andere slotsom te komen, hetgeen temeer klemt nu ook de bewoordingen van die verklaring (te weten: "bevestigt" en " thans in gebruik") wijzen op een al