Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-17
ECLI:NL:GHARL:2026:980
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.362.587/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202244 arrest in kort geding van 17 februari 2026 in de zaak van [appellant] (de moeder), die woont in [woonplaats] , advocaat: mr. J.O. Hovinga te Leeuwarden, en [geïntimeerde] (de vader), die woont in [woonplaats] , advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda. In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden op 5 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken, verbeterd bij vonnis van 3 december 2025. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met daarbij de memorie van grieven met bijlage(n); de memorie van antwoord met bijlage(n). 1.2. Op 20 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aanwezig waren: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad. 2 De kern van de zaak 2.1. Partijen zijn [in] 2020 met elkaar gehuwd. Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. 2.2. Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna ook: [minderjarige] ), geboren [in] 2021. 2.3. Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijke gezag over [minderjarige] belast. 2.4. Bij vonnis in kort geding van 26 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland onder andere op basis van afspraken die de ouders op de zitting hebben gemaakt en mede in afwachting van de voorlopige voorzieningenprocedure in de echtscheidingszaak: - de moeder verboden om met [minderjarige] te verhuizen naar Indonesië of enig ander buitenland; - bepaald dat de moeder voorlopig met uitsluiting van de vader gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning; - [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader; - bepaald dat [minderjarige] voorlopig contact heeft met de moeder in het bijzijn van de aan partijen bekende ' [naam1] ' en dat zij verder videobelcontacten hebben in overleg met de hulpverlening van [instantie1] ; - de proceskosten gecompenseerd. 2.5. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland in de voorlopige voorzieningenprocedure: - bepaald dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd; - bepaald dat [minderjarige] en de moeder voorlopig twee maal per week begeleide omgang hebben gedurende twee uur, onder regie van [instantie1] dan wel een andere organisatie; - bepaald dat de vader met ingang van 16 september 2025 voorlopig met uitsluiting van de moeder gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de moeder de woning verlaat en niet meer betreedt; - bepaald dat de moeder voorlopig € 130,- per maand moet betalen aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 2.6. Verder heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure bij beschikking van 16 juli 2025 de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar het hoofdverblijf en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen het meest in het belang is van [minderjarige] . 2.7. De vader heeft bij de voorzieningenrechter op 16 oktober 2025 en na wijziging van de eis op 17 oktober 2025 gevorderd om: - de moeder te verbieden om zich binnen 24 uur na betekening van het vonnis en voor de duur van één jaar, te bevinden of te begeven in de gemeente [gemeentenaam] te [woonplaats] , specifiek in het gebied dat als overzicht/plattegrond als productie 1 is ingebracht door de vader; - de moeder te verbieden vanaf 24 uur na betekening van het vonnis en voor de duur van één jaar co Omdat het gebod ten tijde van de beslissing van de voorzieningenrechter wel noodzakelijk was, zal het hof die beslissing in stand laten tot de datum van het arrest van het hof en de vordering voor het overige afwijzen. Gebieds- en contactverbod 3.2. Naar het oordeel van het hof is met de aard van de vorderingen, te weten een gebieds- en contactverbod onder oplegging van een dwangsom, de spoedeisendheid gegeven. 3.3. Het hof overweegt dat een gebieds- en contactverbod een inbreuk kan vormen op het aan een ieder toekomende recht om vrijelijk contact op te kunnen nemen met een ander, dan wel om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Voor het toewijzen van zulke ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen. 3.4. Het hof is van oordeel dat in dit kort geding voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op basis waarvan een gebieds- en contactverbod ten laste van de moeder nu nog noodzakelijk is. Het hof vindt ook dat de voorzieningenrechter zijn beslissing zorgvuldig heeft gemotiveerd. Het hof neemt die motivering over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. 3.5. Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen en concludeert hieruit dat er zonder het opgelegde gebieds- en contactverbod een aanzienlijk risico bestaat dat de moeder [minderjarige] zal ontvoeren naar Indonesië. Daarnaast is het risico groot dat dan door toedoen van de moeder opnieuw situaties ontstaan die door de vader als zeer belastend en met het oog op de veiligheid van [minderjarige] als bedreigend worden ervaren. 3.6. De moeder heeft erkend dat zij het plan heeft gehad om met [minderjarige] te verhuizen naar Indonesië en daar voor langere tijd te verblijven, namelijk volgens de moeder voor één jaar. Hierop vooruitlopend heeft zij zelfs onderzoek gedaan naar de schoolmogelijkheden voor [minderjarige] in Indonesië. Ook staat vast dat de moeder spullen van [minderjarige] naar Indonesië heeft gestuurd. Dit betrof niet alleen babykleren, zoals de moeder heeft gesteld, maar ook spullen die [minderjarige] op dat moment nog steeds kon gebruiken. De moeder heeft veel geld overgemaakt naar Indonesië, waarvan land is aangekocht, waar de moeder een supermarkt wilde beginnen. De moeder staat in Indonesië nog ingeschreven op het adres van haar moeder en zij, heeft nog een geldig Indonesisch rijbewijs. Gebleken is verder dat de moeder haar Indonesische paspoort nog niet heeft ingeleverd, zodat zij naast de Nederlandse nationaliteit -dit sinds 2019- ook nog steeds de Indonesische nationaliteit heeft. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat Indonesië niet toestaat om een dubbele nationaliteit te hebben, maar de moeder heeft ook bevestigd dat zij desondanks naast de Nederlandse nationaliteit de Indonesische nationaliteit behoudt totdat zij haar Indonesische paspoort inlevert. De moeder heeft verklaard dat zij haar Indonesische paspoort niet heeft kunnen inleveren omdat de vader haar paspoorten op dit moment achterhoudt. Dit neemt echter niet weg, zo heeft de vader daartegenover onweersproken aangevoerd, dat de moeder dus wel aan vervangende reisdocumenten voor Indonesië zou kunnen komen voor haar en [minderjarige] . Daarbij had de moeder al in 2019 of in de jaren daarna, toen partijen nog samen waren en de moeder wel de beschikking over haar paspoorten kon hebben, haar paspoort kunnen inleveren en heeft zij dit niet gedaan. 3.7. Uit voormelde gegevens blijkt dat de moeder gevorderde plannen heeft gehad om met [minderjarige] af te reizen naar Indonesië, terwijl uit niets blijkt dat zij die plannen nu niet meer heeft of dat zij nu daarvoor geen mogelijkheden meer heeft. De moeder stelt weliswaar dat bedoelde plannen niet meer aan de orde zijn, maar het hof acht gezien voormelde vaststaande feiten het risico volop aanwezig, dat de moeder met [minderjarige] naar Indonesië zal vertrekken zodra zij de kans kr