Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-10
ECLI:NL:GHARL:2026:787
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
4,086 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:787 text/xml public 2026-04-15T14:13:50 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-10 21-000008-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:787 text/html public 2026-04-15T14:09:15 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:787 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-02-2026 / 21-000008-25 Medeplegen afpersing en bedreiging. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op overschrijding van de redelijke termijn. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000008-25 Uitspraakdatum: 10 februari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 december 2024 met parketnummer 08-119836-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] , op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in Penitentaire Inrichting [locatie] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 januari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de rechtbank; veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (kort gezegd: medeplegen van afpersing en bedreiging) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] conform de beslissing van de rechtbank; teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 210,00 aan verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.A. Speijdel hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij, mr. J.P.M. Denissen heeft aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 504,46 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het resterende deel van de gevorderde materiële schade, betreffende de post toekomstige schade, heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 210,00. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met een aanvullende overweging over de benadeelde partij bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is naar voren gebracht dat de post toekomstige schade niet ontvankelijk verklaard kan worden en dat gepersisteerd wordt bij de overige posten. Door de verdediging is geen verweer gevoerd naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij. Het hof komt hierover tot dezelfde beslissingen als de rechtbank. Oplegging van straf Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om de gevangenisstraf aanzienlijk te matigen ten opzichte van het vonnis van de rechtbank door van de 24 maanden een groter deel voorwaardelijk op te leggen en daarnaast een forse taakstraf op te leggen, eventueel met reclasseringstoezicht. Daarbij heeft hij gewezen op de substantieel lagere strafeis van de officier van justitie in eerste aanleg en op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Oordeel van het hof De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen. Verdachte, die eerder een fles lachgas in de woning van [benadeelde] had achtergelaten, die [benadeelde] vervolgens had laten leeglopen, meende recht te hebben op een vergoeding hiervoor door [benadeelde] . Vervolgens heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing door meerdere jongens naar de woning van [benadeelde] te sturen, een dag later daar zelf langs te gaan, die [benadeelde] daar met woorden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te bedreigen en hem zo uiteindelijk bij een pinautomaat gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag. [benadeelde] is verspreid over twee dagen in en bij zijn woning door verdachte en anderen bang gemaakt. Verdachte heeft omdat hij zich voor schut gezet voelde, gekozen voor een vorm van eigenrichting en stond daarbij op geen enkele manier meer open voor een door [benadeelde] op meerdere momenten aangeboden oplossing om tot betaling van dat door verdachte geclaimde over te gaan. Verdachte heeft zich op deze manier samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere als zeer ernstig te kwalificeren strafbare feiten tegenover [benadeelde] . Met het plegen van deze feiten heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor [benadeelde] veiligheid en zijn eigendommen. De omstandigheid dat dit zich in en om zijn eigen woning afspeelde, is voor hem extra beangstigd geweest, zo blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. [benadeelde] had last van slaapproblemen, heeft lange tijd niet thuis durven slapen en had angst om naar buiten te gaan. Daarnaast heeft het slachtoffer therapie gevolgd en gesprekken met slachtofferhulp gevoerd. Pas na twee jaar waren zijn klachten zodanig afgenomen dat [benadeelde] langzaamaan weer normaal kon functioneren. Afgezien van de gevolgen voor [benadeelde] , zorgt dit soort ernstige feiten daarnaast voor het ontstaan van gevoelens van onveiligheid en onrust in de gehele samenleving. Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden welonherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar niet voor een soortgelijk feit. Het hof weegt die omstandigheid niet in strafverzwarende zin mee. Het hof heeft ook acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 4 december 2023. Bij gebrek aan inzicht in mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, adviseert de reclassering daarin een straf zonder bijzondere voorwaarden. Het hof heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak geldende landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een woningoverval met bedreiging. Hiervoor geldt als uitgangspunt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:787 text/xml public 2026-04-15T14:13:50 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-10 21-000008-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:787 text/html public 2026-04-15T14:09:15 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:787 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-02-2026 / 21-000008-25 Medeplegen afpersing en bedreiging. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op overschrijding van de redelijke termijn. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000008-25 Uitspraakdatum: 10 februari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 december 2024 met parketnummer 08-119836-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] , op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in Penitentaire Inrichting [locatie] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 januari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de rechtbank; veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (kort gezegd: medeplegen van afpersing en bedreiging) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] conform de beslissing van de rechtbank; teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 210,00 aan verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.A. Speijdel hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij, mr. J.P.M. Denissen heeft aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 504,46 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het resterende deel van de gevorderde materiële schade, betreffende de post toekomstige schade, heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 210,00. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met een aanvullende overweging over de benadeelde partij bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is naar voren gebracht dat de post toekomstige schade niet ontvankelijk verklaard kan worden en dat gepersisteerd wordt bij de overige posten. Door de verdediging is geen verweer gevoerd naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij. Het hof komt hierover tot dezelfde beslissingen als de rechtbank. Oplegging van straf Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om de gevangenisstraf aanzienlijk te matigen ten opzichte van het vonnis van de rechtbank door van de 24 maanden een groter deel voorwaardelijk op te leggen en daarnaast een forse taakstraf op te leggen, eventueel met reclasseringstoezicht. Daarbij heeft hij gewezen op de substantieel lagere strafeis van de officier van justitie in eerste aanleg en op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Oordeel van het hof De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen. Verdachte, die eerder een fles lachgas in de woning van [benadeelde] had achtergelaten, die [benadeelde] vervolgens had laten leeglopen, meende recht te hebben op een vergoeding hiervoor door [benadeelde] . Vervolgens heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing door meerdere jongens naar de woning van [benadeelde] te sturen, een dag later daar zelf langs te gaan, die [benadeelde] daar met woorden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te bedreigen en hem zo uiteindelijk bij een pinautomaat gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag. [benadeelde] is verspreid over twee dagen in en bij zijn woning door verdachte en anderen bang gemaakt. Verdachte heeft omdat hij zich voor schut gezet voelde, gekozen voor een vorm van eigenrichting en stond daarbij op geen enkele manier meer open voor een door [benadeelde] op meerdere momenten aangeboden oplossing om tot betaling van dat door verdachte geclaimde over te gaan. Verdachte heeft zich op deze manier samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere als zeer ernstig te kwalificeren strafbare feiten tegenover [benadeelde] . Met het plegen van deze feiten heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor [benadeelde] veiligheid en zijn eigendommen. De omstandigheid dat dit zich in en om zijn eigen woning afspeelde, is voor hem extra beangstigd geweest, zo blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. [benadeelde] had last van slaapproblemen, heeft lange tijd niet thuis durven slapen en had angst om naar buiten te gaan. Daarnaast heeft het slachtoffer therapie gevolgd en gesprekken met slachtofferhulp gevoerd. Pas na twee jaar waren zijn klachten zodanig afgenomen dat [benadeelde] langzaamaan weer normaal kon functioneren. Afgezien van de gevolgen voor [benadeelde] , zorgt dit soort ernstige feiten daarnaast voor het ontstaan van gevoelens van onveiligheid en onrust in de gehele samenleving. Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden welonherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar niet voor een soortgelijk feit. Het hof weegt die omstandigheid niet in strafverzwarende zin mee. Het hof heeft ook acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 4 december 2023. Bij gebrek aan inzicht in mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, adviseert de reclassering daarin een straf zonder bijzondere voorwaarden. Het hof heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak geldende landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een woningoverval met bedreiging. Hiervoor geldt als uitgangspunt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar.