Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-10
ECLI:NL:GHARL:2026:770
Civiel recht
Hoger beroep
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:770 text/xml public 2026-03-23T08:51:46 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-10 200.341.259 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:770 text/html public 2026-03-23T08:50:44 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:770 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-02-2026 / 200.341.259 Overeenkomst reparatie auto, auto niet teruggegeven, ontbinding overeenkomst en schadevergoeding wegens niet teruggeven. Geïntimeerde verschenen maar geen verweer. Waarde auto onvoldoende weersproken. Datum verzuim. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.341.259 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 419393 arrest van 10 februari 2026 in de zaak van [eigenaar auto] die woont in [woonplaats1] , Duitsland advocaat: mr. D.G.A. Rossi en [reparateur] , handelend onder de namen Jewill en/of JM Techniek die woont in [woonplaats2] , Duitsland advocaat: mr. R. de Lange 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 19 november 2024 heeft [eigenaar auto] dat arrest, de memorie van grieven en een akte van eiswijziging betekend aan [reparateur] , die inmiddels in Duitsland woont. [eigenaar auto] heeft ook de in dat arrest verzochte stukken in het geding gebracht. [reparateur] heeft vervolgens het verstek gezuiverd en is alsnog verschenen. Hij heeft tweemaal gelegenheid gekregen een memorie van antwoord in te dienen maar heeft dat niet gedaan, waarna het recht daarop is vervallen. Vervolgens heeft op 17 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. [reparateur] noch zijn advocaat is verschenen. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna heeft het hof arrest bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. [eigenaar auto] is met [reparateur] overeengekomen dat [reparateur] zijn auto, een Chevrolet G20 uit 1996, zou repareren en reviseren. [reparateur] heeft de opdracht niet voltooid en heeft de auto niet teruggegeven. [eigenaar auto] heeft bij de rechtbank onder meer ontbinding van de overeenkomst, afgifte van de auto (met dwangsom) en, voor het geval de auto niet wordt teruggegeven, schadevergoeding ter grootte van de waarde van de auto van € 35.000 gevorderd. Verder heeft [eigenaar auto] de kosten van een vervangende auto gevorderd, en rente en kosten. 2.2. De rechtbank heeft de overeenkomst ontbonden en [reparateur] veroordeeld de auto af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 25.000. De vordering tot schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was geworden dat [reparateur] de auto niet zou teruggeven. De gevorderde kosten van een vervangende auto zijn ook afgewezen omdat dit geen schade was als gevolg van de ontbinding en omdat [reparateur] nog niet in verzuim was toen [eigenaar auto] die auto kocht. 2.3. Het hoger beroep richt zich met name tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de waarde van de auto; [eigenaar auto] gaat ervan uit dat de auto niet meer wordt teruggegeven. Verder heeft [eigenaar auto] bezwaar tegen de maximering van de dwangsom tot € 25.000 en de afwijzing van de kosten van de vervangende auto. Na eisvermeerdering vordert hij ook terugbetaling van een deelbetaling van € 1.414,53 voor het vervangen van de voorruit. 2.4. Het hof zal het vonnis grotendeels bekrachtigen maar de vordering tot betaling van schadevergoeding van € 35.000 toewijzen, net als de vordering tot betaling van € 1.414,53. Het hof licht die beslissing hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten en achtergronden 3.1. [eigenaar auto] is in december 2021 mondeling met [reparateur] overeengekomen dat [reparateur] reparatie- en revisiewerkzaamheden zou verrichten aan [eigenaar auto] auto, een Chevrolet G20 uit 1996 met voormalig Duits kenteken [kentekennummer] . Op 18 december 2021 heeft [eigenaar auto] de auto aan [reparateur] meegegeven. Hij heeft in januari 2022 € 1.716,53 betaald, waarvan € 302 voor het transport van [eigenaar auto] naar [reparateur] en € 1.414,53 voor de vervanging van de voorruit. 3.2. [eigenaar auto] is in 2022 enkele malen bij [reparateur] langs geweest, maar het werk was ondanks overleg en aansporing nog niet gereed. [eigenaar auto] heeft [reparateur] bij brief van 1 februari 2023 gesommeerd de auto te repareren en binnen 20 dagen af te geven; hij heeft op 14 februari 2023 nogmaals gesommeerd. [reparateur] heeft de auto niet teruggegeven. 3.3. [eigenaar auto] heeft het vonnis van de rechtbank op 1 februari 2024 door de deurwaarder laten betekenen, heeft [reparateur] daarbij gesommeerd de auto af te geven en heeft dwangsommen aangezegd. [reparateur] heeft aan de deurwaarder een voorstel tot betaling gedaan maar heeft de auto niet teruggegeven. De vordering van € 35.000 wegens het niet teruggeven van de auto 3.4. De rechtbank heeft de overeenkomst ontbonden. Als gevolg daarvan was [reparateur] gehouden de auto aan [eigenaar auto] terug te geven. Het hof verstaat de grondslag van [eigenaar auto] schadevordering in hoger beroep zo dat [reparateur] tekortschiet in de nakoming van de verbintenis tot teruggave van de auto na de ontbinding (en overigens onrechtmatig inbreuk maakt op [eigenaar auto] eigendomsrecht), en dat [eigenaar auto] daardoor schade lijdt ter grootte van de waarde van de auto. 3.5. [eigenaar auto] heeft aangevoerd dat de auto niet is teruggegeven en heeft toegelicht dat de auto (mogelijk) bij [reparateur] gestolen is. De deurwaarder heeft in een e-mail van 19 juni 2024 aan [eigenaar auto] geschreven dat [reparateur] hem die dag had verklaard dat de auto gestolen was maar inmiddels terecht was. Ook daarna is de auto echter niet teruggegeven, waarvoor [reparateur] verder geen redenen heeft aangevoerd, terwijl bovendien is gebleken dat zijn bedrijf niet meer bestaat. [reparateur] heeft een en ander niet weersproken. Al met al moet ervan worden uitgegaan dat de verbintenis tot teruggave niet meer zal worden nagekomen en [reparateur] in verzuim is, zeker gezien de sommatie door de deurwaarder waaraan [reparateur] ook niet voldaan heeft. Het niet teruggeven van de auto is overigens onrechtmatig tegenover [eigenaar auto] als eigenaar. Het hof zal de vordering tot schadevergoeding daarom toewijzen. 3.6. [eigenaar auto] heeft aangevoerd dat de waarde van de auto € 35.000 euro bedraagt. Hij heeft dat betoog onderbouwd met vier advertenties van Chevrolets van ongeveer hetzelfde bouwjaar, met vraagprijzen uiteenlopend van € 20.900 tot € 44.900, gemiddeld € 35.950. Het hof heeft [eigenaar auto] bij de mondelinge behandeling enkele advertenties van andere op het oog vergelijkbare Chevrolets voorgehouden die een lagere prijs hebben. [eigenaar auto] heeft daarop toegelicht dat die auto’s niet goed vergelijkbaar zijn. Hij heeft daarbij gewezen op de zeldzaamheid van zijn auto, waarvan er in deze uitvoering maar drie in Europa zijn, en heeft toegelicht dat hij zijn auto voordat hij die aan [reparateur] afgaf, al in veel opzichten had laten reviseren. [reparateur] heeft in eerste aanleg betwist dat de auto € 35.000 waard was en daarbij (slechts) aangevoerd dat de auto in slechte staat verkeerde, wijzend op de door hem te verrichten werkzaamheden. [eigenaar auto] heeft dat betoog weersproken, toegelicht wat hij al aan de auto had laten doen en heeft het werk dat [reparateur] nog moest doen in die zin gerelativeerd. Bij deze stand van zaken zal het hof de schade vaststellen op € 35.000. Het hof weegt daarbij mee dat, zoals [eigenaar auto] ook heeft aangevoerd, [reparateur] hem heeft belemmerd in de verdere onderbouwing van de waarde, met foto’s of een taxatie, door de auto niet ter beschikking te stellen. Daarbij komt dat het hof ook aan het niet verschijnen van [reparateur] op de mondelinge behandeling, gelet op artikel 88 lid 2 Rv, de conclusie verbindt dat hij de stellingen van [eigenaar auto] over de waarde van de auto onvoldoende heeft weersproken. 3.7.
Volledig
Bij deze stand van zaken heeft [eigenaar auto] geen zelfstandig belang meer bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht dat [reparateur] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst, dat [reparateur] onrechtmatig heeft gehandeld en dat de waarde van de auto € 35.000 bedraagt. Die vorderingen zal het hof afwijzen. Verder bestaat, nu ervan uitgegaan moet worden dat de auto niet wordt afgegeven maar schadevergoeding verschuldigd is, geen belang meer bij de grieven tegen het oordeel dat [reparateur] de auto niet bij [eigenaar auto] hoeft af te leveren maar [eigenaar auto] deze moet ophalen. 3.8. [eigenaar auto] heeft wettelijke rente gevorderd over het bedrag van € 35.000 vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg. De verbintenis tot schadevergoeding is echter ontstaan toen [reparateur] na de ontbinding van de overeenkomst door de rechtbank in het vonnis van 17 januari 2024 en het bevel van de deurwaarder van 1 februari 2024 tot onmiddellijke afgifte van de auto, niet aan dat bevel voldeed. Vanaf dat moment handelde [reparateur] ook onrechtmatig door de auto niet terug te geven. Het hof zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf 2 februari 2024. De vordering van € 2.500 aan schadevergoeding wegens de koop van een vervangende auto 3.9. [eigenaar auto] heeft aangevoerd dat hij op 17 juli 2022 voor € 2.500 een vervangende auto heeft moeten kopen omdat [reparateur] zijn Chevrolet niet tijdig teruggaf. De vordering is gebaseerd op artikel 6:277 althans 6:74 BW. Het eerste artikel bepaalt dat als een overeenkomst wordt ontbonden vanwege de tekortkoming van een partij, die partij de schade moet vergoeden die de andere partij lijdt doordat geen nakoming maar ontbinding plaatsvindt. Het tweede artikel bepaalt dat een partij die tekortschiet in de nakoming van een verbintenis en in verzuim is geraakt, de schade die de andere partij door lijdt, moet vergoeden, tenzij de tekortkoming niet kan worden toegerekend. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Het gaat bij de kosten van een vervangende auto niet om schade die is ontstaan doordat de overeenkomst werd ontbonden in plaats van nagekomen, waarop artikel 6:277 BW doelt. En aan de voorwaarden van artikel 6:74 BW is niet voldaan omdat [reparateur] op het moment dat [eigenaar auto] de vervangende auto kocht, nog niet in verzuim was, aldus de rechtbank. 3.10. [eigenaar auto] heeft aangevoerd dat als [reparateur] tijdig was nagekomen, er geen reden was geweest voor de ontbinding van de overeenkomst en de aankoop van een vervangende auto. Verder heeft hij aangevoerd dat [reparateur] wel in verzuim verkeerde, omdat partijen hadden afgesproken dat de overeenkomst binnen zes maanden, te weten uiterlijk 30 juni 2022, klaar zou zijn, wat volgens [eigenaar auto] een fatale termijn is waarop artikel 6:83 aanhef en sub a BW het oog heeft. Van verzuim is volgens [eigenaar auto] ook sprake omdat hij uit de mededelingen en houding van [reparateur] moest afleiden dat [reparateur] niet zou nakomen. 3.11. [eigenaar auto] argumenten over niet-tijdige nakoming en de fatale termijn nemen als vertrekpunt dat partijen hebben afgesproken dat de auto uiterlijk 30 juni 2022 gereed zou zijn. [reparateur] heeft in de rechtbankprocedure het bestaan van die afspraak betwist. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eigenaar auto] gewezen op een verklaring van zijn ex-echtgenote die met hem bij [reparateur] is geweest en twee andere getuigen waarvan [eigenaar auto] zegt dat zij met hem bij [reparateur] zijn geweest. Uit die verklaringen volgt zo’n afspraak naar het oordeel van het hof echter niet. De ex-echtgenote heeft verklaard dat zij in juni of juli 2022 met [eigenaar auto] bij [reparateur] is geweest, dat [reparateur] toen heeft gezegd dat hij de auto met twee weken gereed kon hebben en dat [eigenaar auto] daarop heeft gezegd dat [reparateur] ook twee maanden mocht nemen, maar dat de auto dan echt gereed moest zijn. De andere twee getuigen hebben verklaard dat de oplevertermijn steeds is verschoven maar dat de auto in november 2022 uiteindelijk klaar zou zijn. Hieruit blijkt geen afspraak over oplevering op 30 juni 2022, en als zo’n afspraak er zou zijn geweest, geven de verklaringen er blijk van dat [eigenaar auto] alsnog heeft ingestemd met latere oplevering. Bij deze stand van zaken heeft [eigenaar auto] de afspraak waar hij zich op beroept, in het licht van de betwisting door [reparateur] , onvoldoende onderbouwd. 3.12. Daaruit volgt dat, op het moment dat [eigenaar auto] de vervangende auto kocht, [reparateur] de auto nog niet gereed hoefde te hebben of terug hoefde te geven. Daarom was op dat moment nog geen sprake van niet-nakoming en evenmin van schade die [eigenaar auto] heeft geleden doordat niet wordt nagekomen maar ontbonden. Verder is ook geen sprake van verzuim wegens overschrijding van een fatale termijn per 30 juni 2022. Dat op het moment dat [eigenaar auto] de vervangende auto kocht, sprake zou zijn van verzuim doordat [eigenaar auto] uit de houding van [reparateur] moest afleiden dat die tekort zou schieten, is met deze verklaringen, nu [reparateur] het gestelde verzuim heeft weersproken, evenmin voldoende onderbouwd. 3.13. De vordering van [eigenaar auto] wijst het hof, net als de rechtbank, af. De vordering van € 1.414,53 met betrekking tot de voorruit 3.14. Onderdeel van de overeenkomst was het vervangen van de voorruit van de auto. Beide partijen gaan ervan uit dat de voorruit is vervangen. [eigenaar auto] heeft daarvoor € 1.414,53 betaald. In hoger beroep heeft [eigenaar auto] zijn eis vermeerderd en terugbetaling van dat bedrag gevorderd. De vordering is gebaseerd op artikel 6:271 BW, dat bepaalt dat partijen na ontbinding van de overeenkomst hun ontvangen prestaties ongedaan moeten maken. Als de prestatie niet ongedaan gemaakt kan worden, moet op grond van artikel 6:272 BW de waarde vergoed worden. Tussen partijen staat vast dat [eigenaar auto] voor het vervangen van de voorruit heeft betaald. Die betaling dient als gevolg van de ontbinding ongedaan gemaakt te worden; [reparateur] moet het bedrag dan ook terugbetalen. 3.15. Op de eisvermeerdering tot terugbetaling heeft [reparateur] niet gereageerd. Hij heeft bij de rechtbank wel aangevoerd dat hij de voorruit heeft vervangen, daarvoor onderdelen heeft ingekocht en 21 uur arbeid heeft verricht. Voor zover in die stelling een aanspraak op vergoeding van de waarde daarvan moet worden gelezen, slaagt dat niet. [eigenaar auto] heeft in hoger beroep betwist dat [reparateur] de voorruit heeft vervangen. [reparateur] heeft zijn stelling dat de voorruit is vervangen niet onderbouwd met bijvoorbeeld inkoopfacturen, urenregistratie of foto’s. Nu deze gegevens – en de auto – zich in zijn domein bevinden of bevonden, had het op zijn weg gelegen zijn stelling te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de vervanging van de voorruit niet vast komen te staan en is er geen reden tot vergoeding. Het hof zal de vordering van [eigenaar auto] tot betaling van € 1.414,53 toewijzen. [eigenaar auto] heeft wettelijke rente over dit bedrag gevorderd vanaf de datum van betekening van de akte met de eiswijziging; dat is 23 december 2024. De terugbetalingsverplichting is ontstaan door de ontbinding van de overeenkomst. Het hof zal de wettelijke rente vanaf de gevorderde datum, die overigens niet is weersproken, toewijzen. Dwangsommen 3.16. [eigenaar auto] heeft een grief gericht tegen de maximering van de dwangsom tot € 25.000. De maximale dwangsom is volgens [eigenaar auto] een onvoldoende prikkel tot nakoming gebleken en had minimaal de waarde van de auto van € 35.000 moeten bedragen. Deze grief slaagt niet. De dwangsom is niet bedoeld als schadevergoeding, die wordt zoals hiervoor toegelicht nu wel toegewezen, maar is een (financiële) prikkel tot nakoming. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat [reparateur] bij een hoger maximum aan dwangsommen de verbintenis tot afgifte wel zou zijn nagekomen. De conclusie 3.17. Het hoger beroep slaagt deels.