Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-09
ECLI:NL:GHARL:2026:727
Civiel recht
Hoger beroep
2,009 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:727 text/xml public 2026-02-26T17:00:09 2026-02-09 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-09 200.361.327 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:727 text/html public 2026-02-19T10:11:13 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:727 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-02-2026 / 200.361.327 Artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw. Tussentijdse beëindiging wsnp. Niet voldaan aan sollicitatie- en informatieplicht. Niet gebleken van een voldoende saneringsgezinde houding. Geen grond voor verlenging looptijd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.361.327 insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 05/24/237 arrest van 9 februari 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld hierna: [appellant] advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd 1 De procedure bij de rechtbank 1.1. Bij vonnis van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank) [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp). Hierbij is [bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder). 1.2. Op 27 februari 2025 is [appellant] verhoord door de rechter-commissaris. Vervolgens heeft de bewindvoerder een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wsnp ingediend. Op 25 september 2025 is een zitting geweest bij de rechtbank over het verzoek van de bewindvoerder. Op de zitting is [appellant] een laatste kans gegeven en is de beslissing vier weken aangehouden. Bij vonnis van 5 november 2025 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd zonder dat de rechtbank daarbij aan [appellant] de zogenoemde ‘schone lei’ heeft verleend. De rechtbank heeft bepaald dat [appellant] in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof verwijst naar het vonnis. 2 De procedure bij het hof 2.1. Door middel van een op 11 november 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof het vonnis vernietigt en de wsnp laat voortduren zo nodig met een verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling om [appellant] in de gelegenheid te stellen alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. 2.2. Het hof heeft kennisgenomen van: het beroepschrift met producties de brief van mr. Dooijeweerd van 8 december 2025 met producties de brief van de bewindvoerder van 9 december 2025 met producties de brief van de bewindvoerder van 27 januari 2026 de brief van mr. Dooijeweerd van 29 januari 2026 met bijlage. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Hierbij is [appellant] verschenen bijgestaan door mr. Dooijeweerd. Verder is de bewindvoerder verschenen. Ter zitting heeft mr. Dooijeweerd spreekaantekeningen overgelegd. 2.4. Het hof heeft de zaak zes weken aangehouden en heeft bepaald dat de bewindvoerder op 27 januari 2026 een verslag diende uit te brengen van de wijze waarop [appellant] de sollicitatie- en inlichtingenplicht heeft nageleefd in de periode tussen 16 december 2025 en 27 januari 2026. Daarbij heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 30 januari 2026 te reageren op het verslag van de bewindvoerder. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep De feiten 3.1. [appellant] staat sinds 21 februari 2023 onder beschermingsbewind bij Bewindvoering [kantoornaam] . Vanaf 19 februari 2024 is [appellant] werkzaam geweest bij uitzendonderneming [bedrijf1] op basis van een uitzendovereenkomst voor 40 uur per week. Daar is hij op 7 november 2024 ontslagen wegens verwijtbaar handelen. Na zijn ontslag heeft [appellant] een WW-uitkering aangevraagd en is hij achtereenvolgens bij diverse werkgevers in dienst getreden. Deze dienstbetrekkingen zijn steeds van korte duur geweest. Vanaf 25 november 2025 is [appellant] werkzaam geweest bij [bedrijf] op basis van een uitzendovereenkomst voor 40 uur per week. Op 31 december 2025 heeft [appellant] aan de bewindvoerder een brief verstrekt waaruit blijkt dat het werk bij [bedrijf] is beëindigd op 16 december 2025. In de periode van 7 november 2024 tot en met 31 december 2025 heeft [appellant] in totaal twee weken fulltime gewerkt. Volgens de opgave van de bewindvoerder is de boedel tot en met september 2025 voor een bedrag van € 1.382,65 benadeeld als gevolg van het ontslag op 7 november 2024. 3.2. Na de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] op 31 december 2025 bewijsstukken van twee sollicitaties gestuurd aan de bewindvoerder. Van de eerste sollicitatie heeft de bewindvoerder de vacature niet kunnen inzien. Van de tweede sollicitatie heeft de bewindvoerder alleen een afspraakbevestiging ontvangen. [appellant] heeft niet gereageerd op het verzoek van de bewindvoerder om haar alsnog de vacatures van beide sollicitaties en een kort verslag van het gesprek met de opdrachtgever te verstrekken. In een e-mail van 31 december 2025 heeft de bewindvoerder aan [appellant] (nogmaals) aangegeven welke sollicitatiebewijzen hij moest verstrekken. Op 9 januari 2026 heeft [appellant] 33 e-mails met sollicitatiebewijzen aan de bewindvoerder gestuurd. De bewindvoerder heeft van geen van de door [appellant] toegestuurde sollicitaties een complete vacaturetekst kunnen lezen. Op 15 januari 2026 heeft [appellant] de bewindvoerder opnieuw drie sollicitatiebewijzen zonder de bijbehorende vacatures gestuurd. Op 16 en op 19 januari 2026 heeft [appellant] aan de bewindvoerder twee sollicitatiebewijzen gestuurd, beide zonder de bijbehorende vacatures. Op 24 januari 2026 heeft [appellant] de bewindvoerder laten weten dat hij op 27 januari 2026 een contract zou aangaan met [uitzendbureau] om voor 40 uur per week als magazijn medewerker aan de slag te gaan bij een opdrachtgever in Apeldoorn. 3.3. In februari 2025 is [appellant] aangehouden voor rijden onder invloed. Voor dit feit is hij door de politierechter veroordeeld tot een geldboete van € 500,-. Daarnaast zijn tijdens de wsnp diverse andere nieuwe schulden ontstaan. Een aantal van deze schulden heeft [appellant] (deels) afgelost. Op 1 december 2025 bestond het restant aan nieuwe schulden, onder meer, uit een schuld aan het LAVG wegens zwart rijden in de periode van februari 2025 tot en met mei 2025 en een schuld aan het CJIB vanwege de door de politierechter opgelegde boete. De nieuwe schulden bedroegen op dat moment in totaal € 2.039,48. Het oordeel van de rechtbank 3.4. De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd omdat [appellant] verwijtbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht en de informatieplicht. Bovendien is er sprake van een boedelachterstand en zijn er nieuwe schulden ontstaan die naar het oordeel van de rechtbank aan [appellant] kunnen worden verweten. De grieven van [appellant] 3.5. [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In aanvulling op zijn beroepschrift, heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, onder meer, aangevoerd dat er sprake is van een stijgende lijn. Daarbij heeft [appellant] erop gewezen dat hij vanaf 25 november 2025 voltijds aan het werk was bij [bedrijf] in een functie die paste bij zijn opleiding en waaraan hij veel plezier beleefde. [appellant] heeft aangegeven dat hij zijn plek had gevonden bij deze werkgever en dat hij daar in dienst zou komen zodra hij er 1026 uren had gewerkt via het uitzendbureau. Volgens [appellant] zou hij bij [bedrijf] extra kunnen werken en meer kunnen sparen voor zijn schuldeisers. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangevoerd dat de lopende verplichtingen zijn nagekomen doordat hij een beschermingsbewindvoerder heeft en er een budgetplan is.