Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-03
ECLI:NL:GHARL:2026:701
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/2205 en 23/2206 uitspraakdatum: 3 februari 2026 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 mei 2023, nummers AWB 20/1880 en 20/1881, ECLI:NL:RBGEL:2023:2678, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur) alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft verzoeken gedaan om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) wegens het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister, omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikkingen niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 3.000 en de Inspecteur en de Staat elk veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 418,50 en bepaald dat de Inspecteur en de Staat het griffierecht van in totaal € 708 aan belanghebbende moeten vergoeden. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [naam1] en A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 5 juni 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 773 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Dacia Sandero (hierna: auto 1). Dit verzoek is door de Inspecteur op 6 juni 2018 ontvangen. Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 1 beëindigd op 22 februari 2018 en is auto 1 op 24 mei 2018 in Roemenië geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat auto 1 op 23 augustus 2018 in Roemenië is geregistreerd. 2.2. Belanghebbende heeft op 14 juli 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 1.236 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Citroën C4 Cactus (hierna: auto 2). Dit verzoek is door de Inspecteur op 18 juli 2018 ontvangen. Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 2 beëindigd op 3 maart 2018 en is auto 2 op 5 juli 2018 in Polen geregistreerd. 2.3. Bij beschikkingen van 10 augustus 2018 (auto 2) en 27 augustus 2018 (auto 1) heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken BPM niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verzoeken niet zijn gedaan binnen dertien weken na beëindigen van de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister. De Inspecteur heeft de verzoeken ook in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve teruggaaf, maar die verzoeken niet ingewilligd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). 2.4. De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit doc In geschil is of de Inspecteur de verzoeken van belanghebbende om teruggaaf van BPM wegens de export van auto 1 en auto 2 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zij op grond van het Unierecht recht heeft op de gevraagde teruggaaf aan BPM voor auto 1 en auto 2. Subsidiair is belanghebbende van mening dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op de teruggaaf aan BPM. Belanghebbende voert verder aan dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Recht op teruggaaf op grond van het Unierecht 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van auto 1 en 2 de inschrijvingen in respectievelijk het Roemeense en Poolse kentekenregister meer dan dertien weken later hebben plaatsgevonden dan de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Vast staat verder dat ook de verzoeken om teruggaaf van BPM voor auto 1 en 2 later dan dertien weken na de uitschrijving van kentekens uit het Nederlandse kentekenregister zijn gedaan. Dit betekent dat belanghebbende naar nationaal recht, ingevolge artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM in samenhang met artikel 4a, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit, voor beide auto’s geen recht heeft op teruggaaf van BPM. 4.2. Belanghebbende stelt dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht en dat de teruggaafregeling van belasting bij uitvoer van auto’s rechtstreeks wordt geregeerd door het Unierecht. Het stellen van voorwaarden door de Nederlandse wetgever, waaronder een termijn van dertien weken, vormt volgens belanghebbende een ongerechtvaardigde belemmering van de algemene beginselen van het Unierecht en komt in strijd met artikel 110 van het VWEU. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 2 februari 2023 (Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63, inzake de Finse motorrijtuigenbelasting) en van 17 mei 2023 (P.M., ECLI:EU:C:2023:414, inzake de Poolse accijns op personenauto’s) stelt belanghebbende dat de rechtspraak van de Hoge Raad – waarin in andere zin werd geoordeeld – is achterhaald. 4.3. Het betoog dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht slaagt niet. De BPM wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Dat is slechts anders indien door de inspecteur of de rechter wordt vastgesteld dat bij de heffing van BPM in een concreet geval de grenzen van artikel 110 van het VWEU zijn overschreden. In zijn arresten van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281 en 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, oordeelde de Hoge Raad al dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel Nederland dwingt tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van eerder rechtmatig geheven belasting indien een personenauto wordt overgebracht naar een andere lidstaat. 4.4. Anders dan belanghebbende bepleit, volgt uit de door haar genoemde arresten van het Hof van Justitie in de zaken Veronsaajien en P.M. n Een teruggaaf van BPM wordt daarnaast ook – ambtshalve – verleend indien, als gevolg van een situatie van overmacht, de inschrijving in het buitenlande kentekenregister niet binnen de termijn van dertien weken plaats heeft kunnen vinden. De Inspecteur betwist dat in dit geval met betrekking tot auto 1 en auto 2 als gevolg van overmacht de registratie in het buitenlandse kentekenregister niet tijdig plaats heeft kunnen vinden. Er bestaat daarom volgens de Inspecteur geen aanleiding om belanghebbende de gevraagde teruggaaf van BPM alsnog te verlenen op grond van het vertrouwensbeginsel. 4.9. Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.4. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, gelijk de Inspecteur betoogt, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd. 4.10. Het Hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat als gevolg van overmacht de inschrijving van auto 1 en auto 2 in het buitenlandse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft weliswaar ter zitting in algemene termen gesteld dat de registratie van een auto in Roemenië en Polen soms lang kan duren, maar daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van auto 1 en 2 sprake was van overmacht die er toe heeft geleid dat de registratie van deze auto’s buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende voldoet daarom ook niet aan de voorwaarden voor een – ambtshalve – teruggaaf op grond van het beleid dat de Belastingdienst wel hanteert. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel 4.11. Belanghebbende meent dat zij op grond van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel voorafgaand aan de afwijzing van de teruggaaf mondeling had moeten worden gehoord. Nu dat niet is gebeurd, is volgens belanghebbende het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden en moet die schending leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete. 4.12. De eerbiediging van de rechten van de verdediging is een algemeen beginsel van Unierecht dat van toepassing is wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit te nemen dat binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Dat laatste is het geval wanneer met dat besluit het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. Zoals het Hof hiervoor bij 4.3. heeft overwogen, heeft de Inspecteur met het besluit tot weigering van de teruggaaf van BPM het recht van de Unie niet ten uitvoer gebracht. Het beroep van belanghebbende op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan reeds daarom niet slagen. Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg 4.13. Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de vergoeding van imm Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep 4.18. Belanghebbende heeft in haar nadere stuk van 20 november 2025 een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 20 juni 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond acht maanden is overschreden. Er bestaat daarom aanleiding voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 1.000. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Wel dient aan belanghebbende de in 4.18. vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige waarbij het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toekend, geen aanleiding bestaat om aan de belanghebbende het griffierecht te vergoeden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het Hof merkt hierbij nog op dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van 31 mei 2024 nog niet was verstreken en belanghebbende na deze datum heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat het in het hiervoor genoemde arrest opgenomen overgangsrecht, op grond waarvan belanghebbende wel recht zou hebben op een vergoeding van het griffierecht, niet van toepassing is. 5.2. In de omstandigheid dat de belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet het Hof aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding wegingsfactor 0,25 € 934). Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor bij 4.16. is overwogen. 5.3. Ter zitting heeft belanghebbende nog aandacht gevraagd voor artikel 19a, lid 4, van de Wet BPM, op grond waarvan de uitbetaling van de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met Unierecht. Het Hof is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, en veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M. Harthoorn