Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-11
ECLI:NL:GHARL:2026:5237
Geschil over de wijze waarop en de waarde waartegen het vermogen van een ontbonden agrarische maatschap moet worden verdeeld. Het hof beslist een aantal geschilpunten tussen de maten en bepaalt dat de maatschap een vergoeding is verschuldigd voor de jarenlange werkzaamheden van twee zonen van de ene maat. Voor de verdeling en met name over de vraag of tegen een andere waarde dan die in het economisch verkeer moet worden verdeeld, heeft het hof meer informatie nodig. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.329.180/3 & 200.329.187/3 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 181969 arrest van 11 augustus 2026 in de zaken van 200.329.180 1 [appellant1] (hierna: [appellant1] ) en 2. [appellant2] (hierna: [appellant2] ) die beiden wonen in [woonplaats1] advocaat: mr. A. Kroondijk tegen 1. [geïntimeerde1 in 200.329.180 en appellant1 in 200.329.187] , handelend in zijn hoedanigheid van maat/vennoot van de maatschap [naam1] (hierna: [naam1] ) die woont in [woonplaats1] advocaat mr. P. Stehouwer en 2. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , handelend in zijn hoedanigheid van maat/vennoot van de maatschap [naam1] (hierna: [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. E.Tj. van Dalen en 200.329.187 [geïntimeerde1 in 200.329.180 en appellant1 in 200.329.187] (hierna: [naam1] ) die woont in [woonplaats1] advocaat mr. P. Stehouwer tegen [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] (hierna: [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. E.Tj. van Dalen 1 Het verloop van de procedures in hoger beroep 200.329.180 & 200.329.187 1.1 In beide zaken is na het arrest van 10 oktober 2023 op 15 februari 2024 een mondelinge behandeling na aanbrengen gehouden. In dat arrest was al aangegeven dat in beide zaken hoger beroep is ingesteld tegen hetzelfde eindvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2023 en het daaraan voorafgaande tussenvonnis. 1.2 [naam1] , [appellant1] en [appellant2] hebben vervolgens met betrekking tot beide zaken verzoeken ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en tot het verrichten van een voorlopig deskundigenonderzoek. In beschikkingen van 20 augustus 2024 zijn beide verzoeken toegewezen. 1.3 Op 5 en 6 februari 2025 en 21 maart 2025 zijn door het hof getuigen gehoord. 1.4 In een beschikking van 19 februari 2025 is op verzoek van [naam1] , [appellant1] en [appellant2] het voorlopig deskundigenonderzoek beperkt. 1.5 Op 17 juni 2025 heeft de door het hof benoemde deskundige zijn deskundigenbericht uitgebracht. In een beschikking van 29 juli 2025 zijn de kosten van de deskundige vastgesteld. 200.329.180 1.6 In deze zaak hebben partijen vervolgens de volgende stukken gewisseld: een memorie van grieven tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis van [appellant1] en [appellant2] een memorie van antwoord van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] [naam1] heeft geen memorie genomen. 200.329.187 1.7 In deze zaak hebben partijen vervolgens de volgende stukken gewisseld: een memorie van grieven tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis van [naam1] een memorie van antwoord tevens houdende van grieven in incidenteel hoger beroep tevens houdende een wijziging/vermeerdering van eis van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens akte in principaal hoger beroep tevens antwoordakte wijziging/vermeerdering van eis van [naam1] akte overlegging producties van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] 1.8 De door [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ingediende antwoordakte is geweigerd. 200.329.180 & 200.329.187 1.9 Op 21 juli 2026 is een mondelinge behandeling gehouden waarvan een verslag (het proces-verbaal) is opgesteld. 1.10 Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2. De kern van de zaak 2.1 De maatschap van [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is ontbonden. Zij verschillen van mening over de wijze waarop en de waarde waartegen het vermogen van de maatschap moet worden verdeeld. Daarnaast willen [appellant1] en [appellant2] een vergoeding voor hun jarenlange inzet voor de maatschap. Het hof beslist een aantal geschilpunten maar heeft voor de verdeling meer informatie nodig alvorens te kunnen beslissen. Dat wordt hierna toegelicht, waarvoor eerst wordt beschreven wat er is gebeurd en welke vorderingen aan de orde zijn. 3 Wat is er gebeurd 3.1 [naam1] , geboren in 1956, en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , geboren in 1963, zijn broers. [appellant2] en [appellant1] zijn zonen van [naam1] . 3.2 [naam1] is per 1 mei 1978 een maatschap aangegaan met zijn vader, de heer [naam2] , voor het uitoefenen van een landbouw- en veehouderijbedrijf in [woonplaats2] . Dit is vastgelegd in een door beiden ondertekend maatschapscontract. 3.3 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is per 1 mei 1986 toegetreden tot de maatschap. Dit is vastgelegd in een door [naam2] , [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ondertekende aanvulling op voornoemd maatschapscontract. 3.4 Met een overeenkomst van bedrijfsoverdracht is per 1 mei 1998 door de uittreding van [naam2] de maatschap ontbonden. Het bedrijf is voortgezet door [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , die een nieuwe maatschap (hierna: de maatschap) zouden aangaan. 3.5 Er is een nieuw maatschapscontract opgemaakt, dat door [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] op 16 mei 1998 is ondertekend. Er is ook een gewijzigde (al dan niet getekende) versie van dat contract, en die versie vermeldt als datum 26 juni 1998. 3.6 In 2001 is het landbouw- en veehouderijbedrijf via vrijwillige kavelruil grotendeels verplaatst van [woonplaats2] naar [plaats] . Het bedrijf werd vervolgens geëxploiteerd vanuit de boerderij en de bedrijfsgebouwen, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres1] en [adres2] . [naam1] is met zijn gezin vervolgens de bedrijfswoning/boerderij in [plaats] gaan bewonen. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is – toen nog samen met hun ouders – blijven wonen in de woning in [woonplaats2] . 3.7 De maatschap had na de bedrijfsverplaatsing in eigendom de bedrijfswoning met 750 m2 ondergrond, de daarbij gelegen bedrijfsgebouwen met 12.268 m2 ondergrond/erf, cultuurgrond nabij de bedrijfsgebouwen (19.37.32 ha) en in [woonplaats2] (12.82.50 ha in eigendom). Daarnaast heeft de maatschap nog 40.16.90 ha cultuurgrond in erfpacht nabij de bedrijfsgebouwen, welke erfpacht, behoudens verlenging, eindigt per 27 december 2027. 3.8 In 2006 is gecorrespondeerd met de belastingdienst over de fiscale consequenties van het overbrengen van de bedrijfswoning te [plaats] aan de [adres1] naar het privévermogen van [naam1] , in welk verband de belastingdienst in een brief van 6 maart 2007 zijn standpunt over heretikettering kenbaar heeft gemaakt. Vervolgens is in de op 3 december 2007 gedateerde jaarrekening 2006/2007 verwerkt dat de woning is overgebracht van het maatschapsvermogen naar het vermogen van [naam1] in privé. De woning bleef kadastraal op naam gesteld van de maatschap. 3.9 [appellant1] en [appellant2] hebben sinds 2013 werkzaamheden verricht in de onderneming van maatschap [naam3] . Zij hebben hier geen financiële vergoeding voor ontvangen. 3.10 Vanaf het voorjaar van 2018 zijn – ook onder begeleiding door het boekhoudkantoor van de maatschap; meer in het bijzonder door hun (voormalig) boekhouder de heer [naam4] – meerdere besprekingen geweest over een eventuele toetreding van [appellant1] en [appellant2] tot de maatschap en de voorwaarden waaronder dat zou kunnen. 3.11 Na een bespreking op 10 mei 2021 heeft de door [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ingeschakelde (toenmalige) advocaat laten weten dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] geen maatschap met [appellant1] en [appellant2] wenst en dat als de maatschap heeft te eindigen, hij wil dat er met elkaar wordt afgerekend, waarbij hij de percelen grond in [woonplaats2] toegedeeld wenst te krijgen. 3.12 Verdere briefwisseling tussen de advocaten van partijen heeft niet tot een oplossing geleid. 3.13 De onderneming van de maatschap is een zogeheten PAS-melder. De door de maatschap gemelde wijziging/uitbreiding van de onderneming is tot op heden nog niet gelegaliseerd. Eén van de gevolgen daarvan is dat de maatschap van haar hypothecaire financier geen uitbreiding van de financiering kan krijgen. 3.14 In een vonnis in kort geding is in 2024 bepaald dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] de benodigde werkzaamheden voor de onderneming van de maatschap moet overlaten aan [naam1] . 4 Het geschil en de beslissing van de rechtbank 4.1 [naam1] en zijn zonen [appellant1] en [appellant2] zijn een procedure gestart bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarbij – voor zover in hoger beroep relevant – zij hebben gevorderd, samengevat: primair te verklaren voor recht dat de maatschap, althans haar maten [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , gehouden is/zijn de bezittingen/de onderneming van de maatschap over te dragen aan [appellant1] en/of [appellant2] tegen een op agrarische grondslagen te bepalen waarde; de maatschap althans [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] te veroordelen aan [appellant1] en/of [appellant2] over te dragen en te leveren de aan de maatschap [naam3] toebehorende (roerende en onroerende) zaken en belangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en [naam1] daarbij te gebieden daaraan zijn medewerking te geven; subsidiair [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] te veroordelen tot dooronderhandelen met [naam1] , [appellant1] en [appellant2] zodat een overeenkomst over toetreding tot de maatschap dan wel over de overname van de activa en de activiteiten door [appellant1] en [appellant2] alsnog tot stand zal komen, met inachtneming van de gebruikelijke agrarische voorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom; meer subsidiair de maatschap dan wel [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding/schadeloosstelling vanwege de door hen verrichte werkzaamheden ten behoeve van de maatschap, nader op te maken bij staat. [naam1] heeft daarnaast voorwaardelijk/subsidiair gevorderd, samengevat: de maatschap(sovereenkomst) te ontbinden als bedoeld in artikel 12 jo 14 lid 2 van de maatschapsovereenkomst en te bepalen dat [naam1] het recht op voortzetting daarvan toekomt en dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] zijn aandeel moet overdragen op basis van agrarische waarden en uitgangspunten, op straffe van verbeurte van een dwangsom; de maatschap te ontbinden wegens gewichtige redenen en daarbij te bepalen dat [naam1] het recht op voortzetting daarvan toekomt en dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] zijn aandeel moet overdragen op basis van agrarische waarden en uitgangspunten en/of de waarde vast te stellen op basis van die waarden en uitgangspunten en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] te veroordelen tot overdracht van zijn aandeel in de maatschap en te bepalen dat [naam1] het aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] te betalen bedrag kan voldaan in maximaal vijf termijnen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.2 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft een tegenvordering ingesteld, waarbij hij vordert, samengevat: de maatschap te ontbinden wegens gewichtige redenen en te bepalen dat hij gerechtigd is de zaken van de maatschap voort te zetten met uitsluiting van [naam1] ; de verdeling van de maatschap vast te stellen aldus dat de activa en de passiva aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] worden toebedeeld en [naam1] te veroordelen aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] over te dragen en te leveren de aan de maatschap toebehorende goederen en belangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; [naam1] te veroordelen tot medewerking aan de overdracht en levering van de maatschap dan wel alles wat daartoe behoort aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , op straffe van verbeurte van een dwangsom; 4.3 In een vonnis van 20 juli 2022 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald, die op 20 januari 2023. In een vonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank de maatschap wegens gewichtige redenen ontbonden en alle overige vorderingen afgewezen, onder bepaling dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De (gewijzigde) vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellant1] en [appellant2] vorderen na wijziging van eis in hoger beroep (200.329.180) de vernietiging van de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 12 april 2023 en dat het hof, opnieuw rechtdoende: het vermogen van de ontbonden maatschap zal vereffenen en verdelen zoals door [naam1] c.s. gevorderd; zal verklaren voor recht dat tot het vermogen van de ontbonden maatschap behoren 5.302 kg (bruto) fosfaatrechten, en dat bij de waardering van deze rechten uitgegaan moet worden van de waarde die bij verkoop zouden opleveren en dat mitsdien rekening gehouden wordt met een korting van 30%; zal verklaren voor recht dat [appellant1] en [appellant2] in natura worden gecompenseerd waarbij aan hen wordt toe gescheiden de bedrijfsgebouwen met ondergrond en erf en het vee, de machines en werktuigen, de voorraden en de fosfaatrechten tegen boekwaarde, dit met een meerwaardeclausule; althans: zal verklaren voor recht dat [appellant1] en [appellant2] bij liquidatie van het bedrijf in geld worden gecompenseerd voor een bedrag van € 882.203 exclusief 21% btw, althans met een in goede justitie te bepalen bedrag. 5.2 [naam1] vordert na wijziging van zijn eis in hoger beroep (200.329.187) de vernietiging van de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 12 april 2023 en dat het hof, opnieuw rechtdoende: i. het vermogen van de ontbonden zal vereffenen en verdelen waarbij: de landerijen te [woonplaats2] worden toegescheiden aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en de overige landerijen aan [naam1] ; de overige activa, te weten de bedrijfsgebouwen, de fosfaatrechten, de voorraden en de machines en werktuigen tegen boekwaarde worden toegescheiden aan, althans overgedragen aan [appellant1] en [appellant2] , ieder voor de onverdeelde helft; aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en [naam1] (ieder) de helft van de hypotheekschuld wordt toegescheiden; een en ander met dien verstande dat het bedrijf van de ontbonden maatschap (met uitzondering van de aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] toe te scheiden landerijen en de aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] toe te scheiden helft van de hypotheekschuld) wordt voortgezet door [naam1] , [appellant1] en [appellant2] , waarbij [naam1] afstand doet van zijn recht op uitkering van zijn kapitaal (vermogen) voor zover dat hoger is als dat van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en waarbij een meerwaardeclausule wordt overeengekomen tussen [naam1] , [appellant1] en [appellant2] enerzijds en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] anderzijds, met een looptijd van 10 jaar met een jaarlijkse afbouw van 10%, welke meerwaardeclausule ziet op het verschil tussen het bedrag dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] nu in natura ontvangt en het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien het bedrijf van de maatschap tegen de door de deskundige getaxeerde bedragen zou zijn verkocht, waarbij het vee en de machines en werktuigen op boekwaarde worden gewaardeerd en waarbij alsdan wel rekening gehouden met de verschillen in kapitaal tussen [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , met een gebruikelijke afbouw van 10 jaar en waarbij voor de fosfaatrechten gerekend is met de korting van 30%. zal verklaren voor recht dat de bedrijfswoning met ondergrond in [plaats] aan de [adres1] niet tot het vermogen van de maatschap behoort; zal verklaren voor recht dat tot het vermogen behoren 5.302 kg fosfaatrechten en dat bij de waardering van deze rechten uitgegaan moet worden van de waarde die deze bij verkoop zouden opleveren en dat daarom rekening moet worden gehouden met de korting van 30%. 5.3 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] vordert na wijziging van zijn eis in hoger beroep (200.329.187) de vernietiging van het vonnis van 12 april 2023, voor zover het afwijzing van de verdeling betreft en de verdeling zelf ter hand te nemen, aldus: a. primair: dat het activum 12.82.50 ha grond [woonplaats2] , kadastraal [woonplaats2] D365, grootte 26.050 m2 en [woonplaats2] D366, grootte 2.200 m2, aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] toegedeeld wordt tegen een bedrag van € 945.200 en partijen worden veroordeeld tot verkoop van alle overige activa van de onderneming van de maatschap, subsidiair: partijen worden veroordeeld tot verkoop van alle overige activa van de onderneming van de maatschap, primair en subsidiair: alsmede aflossing van de schulden en vervolgens verdeling van de netto opbrengst en daarbij een notaris te benoemen om de verkoop van de overige activa en eindafrekening tussen partijen bindend ter hand te nemen en de notaris zich desgewenst kan laten bijstaan door een accountant; voor recht wordt verklaard dat [naam1] voorafgaand aan de winstverdeling over de boekjaren 2019/2020, 2020/2021, 2021/2022, 2022/2023, 2023/2024 en (2024/2025) en slotbalans geen arbeidsvergoeding toekomt; voor recht wordt verklaard dat [naam1] geen vergoeding voor inbreng en gebruik van vee en fosfaatrechten toekomt; voor recht wordt verklaard dat het woongedeelte en de ondergrond van de boerderij tot het maatschapsvermogen behoort en derhalve tot het te verdelen vermogen en dus niet privé in (economische) eigendom van [naam1] is en niet als buitenmaatschappelijk vermogen heeft te gelden; althans de wijze van verdeling vast te stellen van de ontbonden maatschap; met veroordeling van [naam1] in alle gevallen om alle noodzakelijke medewerking te verlenen om de verkoop en levering tot stand te brengen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 6 De toelichting op de beslissing van het hof 200.329.180 & 200.329.187 Omvang van de hoger beroepen 6.1 [appellant1] en [appellant2] hebben drie bezwaren (grieven) aangevoerd. Deze zien op (1) hun positie tegenover de maatschap, (2) het niet toewijzen van een schadevergoeding / schadeloosstelling voor de door hen ten behoeve van de maatschap verrichte werkzaamheden en (3) het aantal van de aan de maatschap toebehorende fosfaatrechten. De bezwaren van [naam1] zien op (i) het afwijzen van zijn vorderingen, (ii) de door hem voorgestane verdeling, (iii) de bedrijfswoning en (iv) het aantal fosfaatrechten en wettelijke afroming daarvan bij overdracht. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] komt op tegen de uitgebleven verdeling. Ieder van partijen heeft daarbij een wijze van verdeling voorgesteld. De bezwaren van partijen en de door hen voorgestelde verdelingen zullen thematisch worden behandeld. 6.2 Geen van partijen is aldus in hoger beroep is gekomen en heeft kenbaar grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de maatschap niet wordt beheerst door een schriftelijke maatschapsovereenkomst, dat de ontbinding van de maatschap alleen kan worden gegrond op gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1684 BW en dat – kort gezegd – de al langer bestaande slechte verstandhouding tussen de maten als zulke gewichtige reden moet worden aangemerkt. In verlengde daarvan is geen van partijen opgekomen tegen de in het aangevallen vonnis uitgesproken ontbinding van de maatschap. Al die beslissingen staan hiermee vast. 6.3 [appellant1] en [appellant2] hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hun eerste grief geconcretiseerd in die zin dat zij daarmee opkomen tegen de door rechtbank in de rov. 4.20 tot en met 4.22 besproken en afgewezen vergoeding voor hun werkzaamheden en dat zij niet (ook) grieven tegen wat de rechtbank in rov. 4.4 tot en met 4.19 heeft overwogen en beslist. In deze laatstbedoelde overwegingen heeft de rechtbank bepaald – samengevat – dat er geen afspraken zijn gemaakt of afdwingbare toezeggingen zijn gedaan over toetreding van [appellant1] en [appellant2] tot de maatschap of over overname van de onderneming van de maatschap en dat er evenmin een verplichting tot dooronderhandelen daarover kan worden aangenomen. Ook die beslissingen staan hiermee vast. 6.4 Tot slot, tegen het vonnis van 20 juli 2022, waarbij alleen een mondelinge behandeling is bepaald, staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open. Het hof zal [appellant1] , [appellant2] en [naam1] in zoverre in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Vergoeding aan [appellant1] en [appellant2] 6.5 Daar waar in hoger beroep vaststaat dat [appellant1] en [appellant2] niet de positie hebben van maat van de maatschap, hebben zij geen rechtens te respecteren belang bij hun vorderingen sub i) en ii) als weergegeven in rov. 5.1. Die vorderingen zullen bij eindarrest worden afgewezen. 6.6 Met hun vordering sub iii) beogen [appellant1] en [appellant2] gecompenseerd te worden voor hun werkzaamheden die zij stellen alleen maar te hebben uitgevoerd tegen de achtergrond van de gewekte verwachting dat zij na succesvolle onderhandelingen met [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] tot de maatschap zouden toetreden. Zij hebben in dat verband – zo begrijpt het hof hen – in de eerste plaats schadevergoeding in een andere vorm dan geld (als bedoeld in artikel 6:103 BW) gevorderd. Als dat niet mogelijk is – zo begrijpt het hof hen verder – maken zij bij liquidatie van de onderneming aanspraak op een geldelijke compensatie. 6.7 Voorop staat dat hoofdregel is dat schadevergoeding in geld plaatsvindt en dat slechts om bijzondere redenen daarvan wordt afgeweken. In dit geval komt de gevraagde andere vorm dan geld erop neer dat [appellant1] en [appellant2] alsnog feitelijk worden gepresenteerd alsof zij maten zijn van de maatschap. Daarmee stellen zij kennelijk dat zij aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die die rechtsverhouding mede beheersen (zie hierna de rov. 6.34 e.v.) een aanspraak kunnen ontlenen om de zaken, waarvan zij als de andere vorm van schadevergoeding de toescheiding vragen, op een lagere waarde dan de waarde in het economisch verkeer te stellen. Dit acht het hof in de gegeven omstandigheden hoe dan ook niet passend en geboden. Gelet op de aan het hof toekomende bevoegdheden bij vaststelling van de vorm en de omvang van een schadevergoeding neemt het dan ook tot uitgangspunt dat de vergoeding van schade in geld moet worden vastgesteld, ook zonder liquidatie van de onderneming van de maatschap. Vordering sub iii) zal op die wijze worden beoordeeld. 6.8 De vordering van [appellant1] en [appellant2] is daarop gebaseerd dat zij menen dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] schadeplichtig is omdat hij de onderhandelingen ongeoorloofd heeft afgebroken. Als maatstaf voor de beoordeling daarvan heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. 6.9 [appellant1] en [appellant2] hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij vanaf 2013 steeds intensiever voor de onderneming van de maatschap werkzaamheden zijn gaan verrichten. Vanwege de steun van hun vader [naam1] en de toen niet onwelwillende houding van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] zijn vervolgens vanaf het voorjaar 2018 verkennende besprekingen gevoerd over hun eventueel toetreden van de maatschap en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden. Die besprekingen hebben ertoe geleid dat, zo blijkt afdoende uit de overgelegde stukken, de toenmalige boekhouder van de maatschap [naam4] overleg met de erfverpachter heeft gevoerd over voortzetting van de erfpachtrelatie met (ook) [appellant1] en [appellant2] en een conceptovereenkomst heeft opgesteld voor het vormen van een commanditaire vennootschap tussen [naam1] , [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , [appellant1] en [appellant2] . Daarbij is van belang dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat hij vanaf de bouw van de nieuwe melkstal in 2015 minder werkzaamheden voor de maatschap is gaan uitvoeren; met name is hij toen gestopt met het melken van het vee. Evenzo is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [naam1] vanwege schouderklachten in mindere mate in staat was om alle benodigde werkzaamheden voor de onderneming te verrichten en met name beperkt was in het melken van het vee. Daarmee was een essentieel onderdeel van het melkveebedrijf van de maatschap bij [appellant1] en [appellant2] beland. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat [appellant1] en [appellant2] hun (ook dagelijkse) werkzaamheden in de mate waarin zij deze zijn gaan verrichten, alleen op zich hebben genomen tegen de achtergrond dat al langere tijd onderhandelingen werden gevoerd over hun toetreding. Al die tijd hebben [appellant1] en [appellant2] voor hun inspanningen geen vergoedingen ontvangen; voldoende aannemelijk is dat zij dat zo deden juist in het vooruitzicht dat zij tot de maatschap zouden toetreden en op termijn samen de onderneming zouden voortzetten. In dat verband staat als niet weersproken vast dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] nog in november 2020, daarnaar gevraagd, tegen [appellant1] heeft gezegd er geen moeite mee te hebben als [appellant1] en [appellant2] ‘de boel zouden voortzetten’. 6.10 In mei 2021 heeft [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] de onderhandelingen stopgezet door kenbaar te maken dat hij niet in één maatschap met [appellant1] en [appellant2] wilde zitten. Wat hem betrof, zo blijkt uit de brief van zijn advocaat, moest de maatschap worden beëindigd en werd tussen hem en [naam1] afgerekend. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en/of [naam1] aan [appellant1] en [appellant2] daarbij kenbaar heeft/hebben gemaakt dat zij hun werkzaamheden voor de maatschap hadden te beëindigen en dat hij/zij voortaan de door hen verrichte werkzaamheden zou(den) overnemen. In plaats daarvan is een en ander kennelijk op zijn beloop gelaten terwijl de maten via de verdeling van de winst van de onderneming van de maatschap daarvan wel profiteerden. 6.11 Tegen de achtergrond van een en ander acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] de onderhandelingen over de toetreding van [appellant1] en [appellant2] heeft afgebroken zonder dat zij schadeloos werden gesteld voor de al door hen bestede tijd. In het verlengde daarvan moet aan de maten worden verweten dat zij geen regeling met [appellant1] en [appellant2] hebben getroffen voor hun verdere inspanningen voor de onderneming terwijl zij daarvan wel profiteerden. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en [naam1] zijn daarmee schadeplichtig tegenover [appellant1] en [appellant2] . 6.12 Wat betreft de schadevergoeding hebben [appellant1] en [appellant2] in hun grieven een berekening gegeven die start in 2013 en doorloopt tot en met 2025. Daarin hebben zij betrokken een vergoeding voor het gebruik van aan [appellant1] toebehorende machines vanaf 2020 tot en met 2025, waarbij zij stellen dat in hun opstelling nog niet is verwerkt de kosten van verbruikt materiaal en verbruikte brandstof dat volgens hen te begroten is op € 75.000. 6.13 Daarover overweegt het hof als volgt. A. Tegen de achtergrond dat in de overgelegde concept-jaarrekeningen van de maatschap afzonderlijke posten zijn opgenomen als “kosten machines en werktuigen” en “brandstofkosten” is onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat [appellant1] en [appellant2] dergelijke kosten hebben moeten maken en/of dat die niet al door de maatschap zijn gedragen. In zoverre gaat het hof aan hun stellingen voorbij. Daar waar de onderhandelingen over een toetreding van [appellant1] en [appellant2] in het voorjaar van 2018 concreet werden, valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat alsnog achteraf een vergoeding verschuldigd zou zijn over de daaraan voorafgegane periode. Daarbij is van belang dat [appellant1] en [appellant2] niet hebben weersproken wat de rechtbank in dat verband heeft overwogen, te weten dat het niet ongebruikelijk is dat zoons uit eigen beweging, en zonder dat daar een vergoeding tegenover staat, hand- en spandiensten te verrichten in het bedrijf van hun vader. Er is daarmee al onvoldoende grond om een vergoeding te baseren op vóór 2018 verrichte werkzaamheden. Wat betreft de periode vanaf voorjaar 2018 tot medio 2020 geldt naar het oordeel van het hof hetzelfde. De door partijen gevoerde besprekingen over toetreding van [appellant1] en [appellant2] zijn kennelijk pas in de zomer van 2020 zodanig verdiept dat [naam4] met de erfverpachter is gaan overleggen over een participatie van [appellant1] en [appellant2] en hij een conceptovereenkomst heeft opgesteld met een financiële uitwerking van een en ander. Uit de overgelegde getuigenverklaringen blijkt dat [appellant1] en [appellant2] in november 2020 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] hebben gevraagd, als gaat om de voortzetting van het bedrijf, ‘hoe hij er nu instond’ en dat hij daarop heeft geantwoord dat hij er geen moeite mee had als zij ‘de boel zouden voortzetten’. De onderhandelingen waren daarmee in zodanig ver stadium beland dat vanwege het afbreken daarvan de sindsdien – ofwel vanaf de zomer van 2020 – verrichte werkzaamheden (in ieder geval deels) vergoedingsplichtig zijn. Naar het oordeel van het hof zijn niet alle vanaf de zomer van 2020 gestelde werkzaamheden voor vergoeding vatbaar. Daarvoor geldt allereerst dat aangenomen moet worden, zoals hiervoor overwogen, dat [appellant1] en [appellant2] hoe dan ook al hand- en spandiensten voor hun vader zouden hebben verricht zonder dat daarvoor een vergoeding zou worden betaald. Daarnaast hebben zij een deel van de werkzaamheden van hun vader overgenomen omdat hij daartoe minder staat was. Daar waar [naam1] , zoals hierna zal worden overwogen, al een arbeidsvergoeding toekomt, zijn die werkzaamheden al deels door de maatschap vergoed. Daarmee rekening houdend en gezien het ontbreken van een objectieve vastlegging van de inspanningen van [appellant1] en [appellant2] komt het hof dan ook schattenderwijs uit op een jaarlijkse vergoeding van € 15.000 in totaal voor hun beider inspanningen en de daarbij door hen gemaakte, onvergoed gebleven kosten. Omdat het gaat om schadevergoeding is er geen reden om dat bedrag te vermeerderen met omzetbelasting. 6.14 Uit een en ander volgt dat de maatschap ofwel [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] vanaf juli 2020 als schadevergoeding jaarlijks € 15.000 aan [appellant1] en [appellant2] zijn verschuldigd. In zoverre is de door hen gevorderde verklaring voor recht als bedoeld in rov. 5.3 sub iii) toewijsbaar. Arbeidsvergoeding [naam1] 6.15 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] stelt dat de bij een verdeling in aanmerking te nemen kapitaalstand moet worden gecorrigeerd omdat in de concept-jaarrekeningen vanaf 2019/2020 steeds ten onrechte een arbeidsvergoeding voor [naam1] is verwerkt, waardoor de jaarlijkse verdeling van de winst in zijn geval lager uitvalt. Het hof volgt [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] niet in zijn bezwaar. Het staat vast dat [naam1] – in ieder geval vanaf boekjaar 2006/2007 – een arbeidsvergoeding is toegekend, waarmee [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] – zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd – tot en met boekjaar 2019/2020 steeds heeft ingestemd. Het gaat daarmee om een bestendig gebruik, gebaseerd op een onderlinge instemming van de maten. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft niet aangevoerd en dit is ook niet op andere wijze gebleken dat [naam1] , ook als daarbij in aanmerking wordt genomen de inzet van zijn zonen [appellant1] en [appellant2] , zich wezenlijk minder voor de onderneming van de maatschap heeft ingezet. Het hof ziet daardoor geen reden om de verwerking van de jaarlijkse arbeidsvergoeding voor [naam1] in het bedrijfsresultaat voor onjuist te houden. Daarmee kan niet tot de conclusie worden gekomen dat de kapitaalstand tussen de maten om die reden onjuist is berekend. Daaruit volgt verder dat de vordering sub b) van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , als weergegeven in rov. 5.3, zal worden afgewezen. De bedrijfswoning 6.16 Volgens [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] maakt van het maatschapsvermogen ook deel uit de bedrijfswoning aan de [adres1] in [plaats] . Het hof volgt hem daarin niet. Uit de stukken blijkt afdoende dat die woning in 2006/2007 na overleg met de belastingdienst is overgebracht van het maatschapsvermogen naar het privévermogen van [naam1] , in welk verband het kapitaal van [naam1] in het maatschapsvermogen overeenkomstig is verminderd. Het staat verder vast dat die heretikettering is verwerkt in de jaarrekening 2006/2007 waarvan vaststaat dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] met die jaarrekening heeft ingestemd. Daarnaast is niet in geschil dat die bedrijfswoning in de daaropvolgende jaarrekeningen niet meer is gepresenteerd als onderdeel van het maatschapsvermogen. Omdat verder niet blijkt van enig protest of voorbehoud van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is van een en ander de slotsom dat de bedrijfswoning geen deel uitmaakt van het te verdelen maatschapsvermogen. De omstandigheid dat daarna de tenaamstelling van de bedrijfswoning in het kadaster niet is gewijzigd (en die woning nog niet aan [naam1] in privé in eigendom is geleverd) is onvoldoende om anders te oordelen. Dit betekent dat sub ii) van de door [naam1] verwoorde vordering, als weergegeven in rov. 5.2, wel en de door [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] in rov. 5.3 sub d) vermelde vordering niet toewijsbaar is. Fosfaatrechten 6.17 In het door deskundige uitgebrachte bericht wordt op basis van wat in de jaarrekening 2022/2023 is vermeld, uitgegaan van 6.644 kilogram fosfaatrechten. [naam1] heeft daarop betoogd dat aan de maatschap op basis van de peildatum van juli 2015 per januari 2018 5.302 kilogram fosfaatrechten is toegekend en dat die fosfaatrechten moet worden verdeeld. Volgens [naam1] behoren de overige fosfaatrechten aan hem toe omdat hij die zelf heeft aangekocht en slechts in gebruik en in genot van de maatschap heeft gegeven. 6.18 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft op zich niet bestreden dat per 1 januari 2018 5.302 kilogram fosfaatrechten aan de maatschap zijn toegekend. Dat hij stelt dat het niet duidelijk is aan wie de in gebruik en genot van de maatschap gegeven fosfaatrechten toebehoren ( [naam1] , [appellant1] en/of [appellant2] ) maakt niet dat van een ander aantal in januari 2018 toegekende fosfaatrechten moet worden uitgegaan. 6.19 Uit de stellingen van [naam1] zelf volgt echter dat hij de opbrengst van tijdelijk verhuurde fosfaatrechten – ook als het om zijn eigen fosfaatrechten gaat – steeds heeft omgezet in fosfaatrechten en die fosfaatrechten aan de maatschap heeft laten toevallen. Dat verklaart ook waarom in de jaarrekeningen een klein deel van de fosfaatrechten als immateriële activa zijn opgenomen en in de concept-jaarrekening 2024/2025 het aantal kilogram fosfaatrechten van de maatschap op 5.513 wordt gesteld, met vermelding dat daarnaast 1.431 kilogram fosfaatrechten aan [naam1] in eigendom toebehoort. 6.20 Wat betreft de waardering van de aan de maatschap toebehorende fosfaatrechten geldt dat de door het hof benoemde deskundige ervan uitgaat dat bij een overdracht in verband met de verdeling van het maatschapsvermogen geen wettelijke afroming van die rechten met 30% zal plaatsvinden. De deskundige heeft vervolgens in zijn opstelling rekening gehouden met alle fosfaatrechten. Het hof volgt de deskundige niet in deze benadering. Bij hanteren van een waarde in het economisch verkeer heeft te gelden dat bij een overdracht aan een derde het aantal fosfaatrechten met 30% worden afgeroomd, in die zin dat bij verkoop van (bijvoorbeeld) 100 kilogram fosfaatrechten de koper 70 kilogram fosfaatrechten ontvangt en bijgevolg alleen die laatste hoeveelheid rechten zal betalen. Voor de toekenning van fosfaatrechten per januari 2018 heeft de maatschap niets betaald; bij toescheiding van die rechten aan [naam1] in verband met een voortzetting van de onderneming wordt als zodanig geen (extra) waarde van de onderneming gecreëerd of een opbrengst behaald. Dat is pas aan de orde bij verkoop aan een derde, in welk geval rekening gehouden moet worden met een afroming. Het is daarmee in de verhouding tussen [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] en [naam1] passend dat bij een toescheiding van de fosfaatrechten van de maatschap aan [naam1] daarmee rekening wordt gehouden. Dit beantwoordt naar het oordeel van het hof aan het uitgangspunt dat wordt toegescheiden op basis van de waarde in het economisch verkeer. 6.21 De door [naam1] gevorderde verklaring voor recht sub iii) als weergegeven in rov. 5.2 zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat daarbij het aantal aan de maatschap toebehorende fosfaatrechten op 5.513 kilogram wordt gesteld. Vergoeding voor in genot ingebracht vee / ingebrachte fosfaatrechten 6.22 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft bezwaar tegen de vanaf de jaarrekening 2021/2022 van de maatschap daarin opgenomen vergoedingen voor gebruik en genot van de alleen aan [naam1] toebehorende melkkoeien en fosfaatrechten. Dat bezwaar ziet zowel op de gerechtigdheid van [naam1] daartoe als de daarbij tot uitgangspunt genomen bedragen. 6.23 Het staat echter voldoende vast dat bedoelde koeien en rechten zijn ingezet voor de onderneming van de maatschap; uit de in zoverre onbestreden gebleven jaarrekeningen blijkt dat daardoor een hogere melkopbrengst in kilogrammen is behaald en de maatschap daarvan de financiële opbrengsten heeft genoten. Ondanks dat [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] daarvoor geen expliciete toestemming heeft gegeven, is de uitkomst dat hij daarvan wel profiteert via een hogere winst van de maatschap. Het is dan ook redelijk en billijk dat [naam1] voor dat gebruik en genot door de maatschap een vergoeding ontvangt. 6.24 Wat betreft de omvang van de daarvoor gestelde vergoeding heeft [naam1] toegelicht dat die is gebaseerd op de verhouding tussen de fosfaatrechten van de maatschap en zijn fosfaatrechten ofwel 20,8%. Van het saldo van de opbrengst van de melkveehouderij minus de daaraan toe te rekenen kosten wordt naar die verhouding een deel van het saldo als vergoeding toegekend aan [naam1] . Gebleken is dat die wijze van toerekening geheel arbitrair is. Enerzijds omdat vaststaat dat niet alle fosfaatrechten daadwerkelijk werden ingezet om melkkoeien te kunnen houden en anderzijds omdat uit de jaarrekening 2021/2022 blijkt dat het aantal melkkoeien binnen de onderneming niet met gelijke verhouding is toegenomen, bij een dalende melkproductie per melkkoe. Zo is per saldo de melkproductie in 2021/2022 ten opzichte van het voorgaande jaar met 11,8% toegenomen van 764.193 kilogram tot 854.242 kilogram. De melkproductie in 2022/2023 was ten opzichte van 2020/2021 17% hoger, waarna in 2023/2024 de melkproductie met een paar procenten is afgenomen. Het arbitraire karakter wordt onderstreept door de voor de vergoeding gehanteerde bedragen: € 21.133 in boekjaar 2021/2022, € 45.691 in boekjaar 2022/2023, € 30.011, later bijgesteld tot € 55.805 in boekjaar 2023/2024 en € 59.886 in boekjaar 2024/2025. 6.25 Uit de overgelegde jaarrekening 2006/2007, die door [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is goedgekeurd, blijkt dat zij de jaarrekeningen van hun onderneming (laten) opstellen “in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving”. Het hof neemt aan dat zij daarmee hebben bedoeld te verwijzen naar de normen uit Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ofwel de artikelen 2:360 e.v. BW. Het hof neemt verder aan dat zij alle jaarrekeningen van de maatschap op die wijze hebben laten opstellen. Lid 3 van artikel 2:362 BW bepaalt dat de winst- en verliesrekening een getrouw, duidelijk en stelselmatig beeld heeft te geven van het resultaat van een boekjaar, wat volgens de wetsgeschiedenis ook geldt voor de keuze voor en de toepassing van waarderingsgrondslagen. Dit betekent dat de vergoeding voor ingebracht vee en ingebrachte fosfaatrechten daaraan moet beantwoorden. Daar waar in dit geval [naam1] een vergoeding voorstaat op basis van de aan hem toebehorende fosfaatrechten, ongeacht het gebruik daarvan, het aantal aanwezige melkkoeien en de feitelijk gerealiseerde melkopbrengst, is dat naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate in overeenstemming met voorgaand voorschrift en evenmin met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ook beheersen. 6.26 [naam1] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een en ander onderkend en nader gesteld dat een aan hem toekomende jaarlijkse vergoeding voor het gebruik en genot van de ingebrachte melkkoeien en fosfaatrechten billijkheidshalve op € 21.400 kan worden gesteld – en daarmee op een substantieel lager bedrag dan waarmee in de concept-jaarrekeningen is gecijferd. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft daarop volstaan met de enkele opmerking dat hij niet kan beoordelen of die gevraagde vergoeding redelijk is. Dat acht het hof in de gegeven omstandigheden onvoldoende om niet van de redelijkheid van dat meer dan gehalveerde bedrag uit te gaan. Aan de betwisting van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] van deze post gaat het hof dan ook voorbij. Tot uitgangspunt dient partijen daarmee dat in de jaarrekeningen vanaf 2021/2022 moet worden verwerkt een aan [naam1] toegekende jaarlijkse vergoeding van € 21.400 voor in gebruik en genot ingebrachte melkkoeien en fosfaatrechten. Dit betekent verder dat de vordering van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] als bedoeld in rov. 5.3 sub c) niet toewijsbaar is. Tussenconclusie 6.27 Uit het voorgaande volgt dat de concept-jaarrekeningen op het onderdeel van de aan [naam1] toegerekende vergoeding voor het in genot ingebracht vee en voor de in genot ingebrachte fosfaatrechten moet worden aangepast alsook dat daarin alsnog de aan [appellant1] en [appellant2] toekomende vergoedingen moeten worden verwerkt. Die aanpassingen leiden ertoe dat ook de in die concepten opgenomen berekening van de kapitaalstand per einde boekjaar steeds moet worden aangepast. Daartoe zullen [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] , gelet op het belang daarvan voor de verdeling van hun maatschapsvermogen, in de gelegenheid worden gesteld als hierna weer te geven. De verdeling 6.28 Het hof komt nu toe – samengevat – aan de vaststelling van de verdeling van het vermogen van de ontbonden maatschap partijen dan wel aan de wijze van verdeling daarvan. 6.29 Tot het ontbonden maatschapsvermogen behoren, zo blijkt mede uit het voorlopig deskundigenbericht en gezien wat hiervoor is overwogen, aldus onder meer de volgende zaken: de bedrijfsgebouwen (ligboxenstal, jongveestal en wagenberging inclusief mestsilo, sleufsilo’s en kuilplaat) met ondergrond en erf gelegen aan de [adres2] in [plaats] , ter grootte van 01.26.28 hectare; percelen cultuurgrond in eigendom, gelegen (na)bij de bedrijfsgebouwen, ter grootte van 19.37.32 hectare; percelen cultuurgrond in erfpacht, gelegen (na)bij de bedrijfsgebouwen ( [plaats] , E4, E5, E6, E11, E12, E13, E565, E566, E621, E635, E636, E637 en E661), ter grootte van 40.16.90 hectare; percelen cultuurgrond in eigendom, gelegen in [woonplaats2] , ( [woonplaats2] , D365 en D366), ter grootte van 12.82.50 hectare; 5.513 kilogram fosfaatrechten; melkkoeien en jongvee, vleeskoeien, schapen en paarden; machines en installaties en een hypothecaire schuld aan de bank. 6.30 De deskundige heeft uitgaande van een peildatum van 12 mei 2025 de waarde in het economisch verkeer van de sub a) tot en met sub d) genoemde onroerende zaken getaxeerd op achtereenvolgens € 321.700, € 1.351.400, € 109.800 en € 945.200, samen € 2.728.100. Uitgaande van de aan de maatschap toebehorende fosfaatrechten en de door de deskundige daarvoor per 12 mei 2025 gehanteerde waardes en rekening houdend met een afroming van 30% bij vervreemding daarvan, een en ander conform wat hiervoor in rov. 6.20 is overwogen, moet de waarde van de fosfaatrechten in het economisch verkeer worden gewaardeerd op afgerond € 467.000 (5.513 kg × € 121 × 70%). 6.31 Tussen partijen is niet in geschil dat [naam1] op dit moment de onderneming van de maatschap, die tussen hem en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft bestaan, voortzet. [naam1] wil in verband met verdere voortzetting van deze onderneming – in de toekomst samen met [appellant1] en [appellant2] – alle zaken toebedeeld krijgen, behoudens de percelen grond in [woonplaats2] tegen de getaxeerde waarde en de helft van de hypothecaire schuld, die volgens [naam1] aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] kunnen/moeten worden toebedeeld. Omdat toedeling aan [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] op basis van de waarde in het economisch verkeer door [naam1] niet is op te brengen, wil hij bij toedeling als voorgesteld afstand doen van zijn kapitaal in het maatschapsvermogen voor zover dat meer is dan dat van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] . Daarnaast wil hij zich dan binden aan een meerwaardeclausule die ziet op zijn overbedeling en geldt voor 10 jaar. De overbedeling is volgens hem te berekenen op € 345.500. 6.32 [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] staat een verdeling voor waarbij de percelen grond in [woonplaats2] aan hem worden toebedeeld tegen de getaxeerde waarde en de overige bestanddelen van het vermogen van de maatschap worden verkocht. Ter toelichting daarop heeft [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] gesteld dat hij die percelen grond nodig heeft voor de exploitatie van een door hem te starten agrarische onderneming; dit omdat hij zijn kosten van levensonderhoud moet bekostigen en hij geen alternatief inkomen heeft. 6.33 Zowel [naam1] als [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] de bestrijdt de redelijkheid van de door de ander voorgestelde wijze van verdeling. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de door partijen ieder voor zich opgestelde berekeningen al moet worden aangepast. 6.34 Voor de bepaling van de in aanmerking te nemen waarde van de zaken als de onderhavige is geen algemeen geldende maatstaf te geven, omdat deze afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Al ligt het voor de hand in dit geval uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik als de hoogste waarde, de eisen van redelijkheid en billijkheid die op de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten van toepassing zijn (artikel 3:166 lid 3 BW) kunnen meebrengen dat wordt uitgegaan van een (lagere) waarde waartegen op bedrijfsmatig en agrarisch verantwoorde wijze de exploitatie van de door [naam1] voortgezette onderneming nog mogelijk is en waartegen [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] de door hem voorgenomen eigen agrarische onderneming kan starten en exploiteren, eveneens op een bedrijfsmatig en agrarisch verantwoorde wijze. 6.35 Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet verder rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, in het bijzonder die in agrarische kringen, en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). Daarbij zullen de eisen van redelijkheid en billijkheid niet snel meebrengen dat onderscheid wordt gemaakt in de te hanteren waarde als een deel van de zaken niet aan de voortzetter (d.i. [naam1] ) wordt toebedeeld, maar aan de ander, de niet-voorzetter (d.i. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ), die een eigen agrarische onderneming wenst te starten. 6.36 Voor de beoordeling van een en ander is daarom van belang dat inzicht wordt verkregen *van [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] in: - de actuele stand van het kapitaal van [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] in de maatschap, rekening houdend met wat hiervoor is overwogen en beslist; *van [naam1] in: het bedrag dat [naam1] kan investeren in de toedeling van de (onroerende) zaken (rekening houdend met de omstandigheid dat hijzelf ook deelgenoot is), waarbij het hof van [naam1] verlangt dat hij dit bedrag zo exact als mogelijk zal begroten, zoveel als mogelijk te onderbouwen met (verifieerbare) stukken; de investeringen die daarnaast nog noodzakelijk zijn om het voor [naam1] (en [appellant1] en [appellant2] ) benodigde ondernemingsrendement te behalen, zoveel als mogelijk te onderbouwen met verifieerbare stukken; de mogelijkheden en de kosten (‘insteek’) van voortzetting van het recht van erfpacht aangaande voormelde 40.16.90 hectare, zoveel als mogelijk te onderbouwen met verifieerbare stukken; alle andere feiten en omstandigheden die naar inzicht van [naam1] van belang kunnen zijn voor de waardering van de (onroerende) zaken, zoals het toekomstperspectief met én zonder toekomstig gebruik van de erfpachtpercelen en de stand van legalisatie van de bedrijfsactiviteiten; *en van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] in: zijn plan om met de percelen grond in [woonplaats2] een andere agrarische onderneming te starten, het bedrag dat hij daarvoor nodig heeft (de noodzakelijke investeringen daaronder begrepen, waarbij het hof van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] verlangt dat hij dit zo exact mogelijk zal begroten) en de planologische mogelijkheden daartoe, een en ander zoveel als mogelijk te onderbouwen met verifieerbare stukken en alle andere feiten en omstandigheden die naar inzicht van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] van belang kunnen zijn voor de (lagere) waardering van de (onroerende) zaken. De conclusie 6.37 Het hof is mede gelet op het voorgaande nog onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te geven over de waarde die bij de verdeling van de onroerende zaken in aanmerking moet worden genomen en zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten als hieronder wordt beslist. Gelet op het in de nabije toekomst eindigen van het recht van erfpacht van de in rov. 6.29 sub c) bedoelde gronden en het tijdig verkrijgen van duidelijkheid over een eventuele verlenging daarvan, zal het hof bepalen dat zij in beginsel geen uitstel krijgen voor hun respectieve uitlatingen als hierna weer te geven. 6.38 Zodra is beslist over de in aanmerking te nemen waarde zal het hof bezien of de onderdelen van het maatschapsvermogen kunnen worden toegedeeld of de onderneming in verband met een onmogelijkheid om een overbedelingsvordering te voldoen (geheel of gedeeltelijk) moet worden geliquideerd. In dat verband zal te zijner tijd eveneens worden bezien of nog een nadere instructie van partijen of een deskundige nodig is. 6.39 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. 7 De beslissing Het hof: in 200.329.187 - stelt [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] elk in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over alle in rov. 6.35 genoemde gezichtspunten en de in rov. 6.36 genoemde gegevens, bedragen, feiten en omstandigheden; - verwijst de zaak daartoe naar de rol van 6 oktober 2026 voor akte uitlating aan de zijde van [naam1] onderscheidenlijk [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ; - bepaalt dat [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] vervolgens op de rol van 3 november 2026 op elkaars akte mogen reageren; - bepaalt dat partijen voor deze rolhandelingen in beginsel geen uitstel krijgen, behoudens klemmende redenen; in 200.329.180 & 200.329.187 - verklaart [appellant1] , [appellant2] en [naam1] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 20 juli 2022; - houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en M.A.L.M. Willems, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026. De uitspraak is niet gepubliceerd. Vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337. Kamerstukken II, 9595, nr. 3, p. 13.