Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-11
ECLI:NL:GHARL:2026:5220
Effectenlease. Dexia. Afnemer toegelaten tot leveren van tegenbewijs tegen vermoeden dat echtgenote vóór 13 maart 2000 met bestaan van overeenkomst bekend raakte. Bewijsvermoeden met afgelegde getuigenverklaringen niet ontzenuwd. Verjaringsberoep Dexia slaagt. Overeenkomst niet rechtsgeldig vernietigd op grond van art. 1:88 jo 1:89 BW GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.340.042 zaaknummer Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 9785653 arrest van 11 augustus 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: Dexia advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 27 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête genomen. Vervolgens is de afnemer in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door Dexia bij antwoordmemorie na enquête overgelegde productie A. Daarvan heeft de afnemer geen gebruik gemaakt. Daarna is een datum bepaald voor de uitspraak. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen Dexia en de afnemer is in 1998 een effectenleaseovereenkomst gesloten met contractnummer [contractnummer] (hierna: de overeenkomst). De toenmalige echtgenoot van de afnemer, [naam] (hierna: [naam] ), heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomst. Op 12 januari 2006 heeft [naam] aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van die toestemming, de overeenkomst vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomst, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. 3 De verdere beoordeling door het hof Vernietiging overeenkomst ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW 3.1. Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat de echtgenoot ( [naam] ) op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomst, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat de echtgenoot niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III). 3.2. Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [naam] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. 3.3. Het hof heeft in het tussenarrest verder het volgende overwogen. De betalingen aan Dexia ten aanzien van de overeenkomst zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van de afnemer en [naam] . Gelet op dat gegeven geldt in dit geval het vermoeden dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, [naam] door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van de overeenkomst – en dus op of voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met de overeenkomst bekend is geworden. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden. Hij heeft zichzelf en [naam] als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête. 3.4. Het hof is van oordeel dat de afnemer het voorshands aangenomen bewijs niet heeft ontzenuwd en daarmee niet in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang. 3.5. De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. Hij heeft de overeenkomst destijds afgesloten omdat hij wilde sparen voor zijn pensioen. Bij de totstandkoming van de overeenkomst was geen adviseur betrokken. De afnemer denkt dat hij het contract destijds per post heeft gekregen en daarna heeft teruggestuurd. Hij was toen in gemeenschap van goederen getrouwd met [naam] . De afnemer heeft het aangaan van de overeenkomst niet met haar besproken. Hij werkte als carrosseriebouwer en [naam] werkte op dat moment niet. Zij deed het huishouden. De afnemer en [naam] bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet. Zij beslisten wel samen over grote uitgaven, zoals de aankoop van een auto of meubels. De afnemer deed de financiële administratie. De belastingaangifte deed hij samen met een boekhouder. [naam] bemoeide zich daar niet mee. Zij ondertekende de belastingaangifte wel. De afnemer denkt dat de betalingen aan Dexia werden afgeschreven van een en/of-rekening. In het huishouden opende de afnemer de post. [naam] opende alleen post die op haar naam stond. [naam] bekeek de bankafschriften van de en/of-rekening niet. Ook gebruikte zij de bankpas van die rekening niet. [naam] betaalde haar uitgaven contant met huishoudgeld. De afnemer denkt dat [naam] ook een rekening had op haar eigen naam. De bankafschriften van die rekening bekeek zij wel. [naam] weet sinds het moment dat de afnemer zich aanmeldde bij Leaseproces van het bestaan van de overeenkomst. De aanmelding bij Leaseproces was misschien 15 jaar geleden. 3.6. [naam] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [naam] wist niet dat de afnemer de overeenkomst met Dexia had afgesloten. Toen de overeenkomst werd aangegaan werkte [naam] niet. Zij was thuis bij de kinderen en zorgde voor het huishouden. [naam] en de afnemer bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet. Wel bespraken [naam] en de afnemer grote uitgaven, zoals de aanschaf van een nieuwe auto of bank. De afnemer deed de financiële administratie. Voor de belastingaangifte kwam er een boekhouder bij hen thuis. [naam] zat erbij toen de boekhouder kwam, maar had er verder “geen kaas van gegeten”. Volgens [naam] waren er destijds in het gezin twee rekeningen op naam van de afnemer. Ook was er een en/of-rekening. Daarvan haalde de afnemer geld af voor het huishouden. [naam] had geen bankpas van de gezamenlijke rekening. Zij kreeg contant huishoudgeld van de afnemer. Een kleine 25 jaar geleden is [naam] gaan werken. Toen kreeg zij een rekening op haar eigen naam. In het huishouden opende de afnemer de post. [naam] opende wel de reclame die binnenkwam. Toen zij later zelf een bankrekening kreeg, kreeg zij daarvan de post digitaal. Die opende zij wel. [naam] weet niet van welke rekening de betalingen voor de overeenkomst met Dexia werden afgeschreven. Zij weet sinds een televisie-uitzending van Radar of Kassa van het bestaan van de overeenkomst met Dexia. Toen heeft de afnemer haar daarover verteld. [naam] weet niet in welk jaar dat was. 3.7. Het hof acht de verklaring van [naam] dat zij pas na 13 maart 2000 op de hoogte is geraakt van de overeenkomst onvoldoende overtuigend. Daarbij betrekt het hof dat de afnemer en [naam] wisselende verklaringen hebben afgelegd over het moment waarop de afnemer [naam] heeft ingelicht over de overeenkomst. De afnemer heeft bij de kantonrechter ten eerste verklaard dat [naam] wetenschap kreeg van het bestaan van de overeenkomst op het moment dat het slecht ging met de overeenkomst. De afnemer zag op een jaaroverzicht van Dexia dat het niet goed ging met de overeenkomst. Volgens de afnemer heeft hij [naam] hierover een tijd later thuis ingelicht. Ten tweede heeft de afnemer bij de kantonrechter en het getuigenverhoor verklaard dat hij [naam] voor het eerst heeft ingelicht over het bestaan van de overeenkomst naar aanleiding van zijn aanmelding bij Leaseproces in december 2005. Volgens de afnemer zijn hij en [naam] toen samen naar het intakegesprek bij Leaseproces geweest, waarna [naam] gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen. [naam] heeft bij het getuigenverhoor echter verklaard dat zij niet bij Leaseproces is geweest en zich daar niet mee heeft bemoeid. Volgens [naam] heeft de afnemer haar tijdens het bekijken van een televisie-uitzending van Radar of Kassa over de aandelenleaseproblematiek laten weten dat hij een overeenkomst met Dexia had afgesloten. Nadien heeft de afnemer in zijn memorie na enquête ook het standpunt ingenomen dat hij [naam] na een televisie-uitzending van Radar heeft verteld over de overeenkomst. Een voldoende begrijpelijke uitleg voor deze wijziging van zijn standpunt of een verklaring voor de voornoemde tegenstrijdigheden in de verklaringen van de afnemer en/of [naam] ontbreekt echter. 3.8. Verder hebben de afnemer en [naam] tijdens de looptijd van de overeenkomst hun hypothecaire lening gewijzigd. Zowel de afnemer als [naam] hebben bij het getuigenverhoor aangegeven dat bij de gesprekken over het wijzigen van de hypothecaire lening de overeenkomst niet ter sprake is gekomen. Daarnaast heeft [naam] bij het getuigenverhoor verklaard dat zij bij het wijzigen van de hypothecaire lening betrokken was en dat zij een BKR-registratie hebben laten verwijderen. In de memorie na enquête heeft de afnemer echter aangevoerd dat er nooit een relevante BKR-registratie is geweest die te maken had met de overeenkomst. Vervolgens heeft Dexia bij haar antwoordmemorie na enquête als productie A een brief van de afnemer van 6 september 2000 overgelegd. In die brief heeft de afnemer in de wij-vorm geschreven dat hij in verband met een hypotheekaanpassing informatie nodig heeft over onder meer de BKR-registratie en de mogelijkheid om de resterende maandtermijnen van de overeenkomst vol te storten. De informatie in deze brief strookt niet met de verklaringen van de afnemer en [naam] dat de overeenkomst bij de wijziging van de hypothecaire lening niet aan de orde is gekomen. Ook duidt deze brief erop dat [naam] in september 2000 al bekend was met de overeenkomst. Deze tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen maken de verklaringen van de afnemer en [naam] dat [naam] pas na 13 maart 2000 bekend is geworden met de overeenkomst onvoldoende geloofwaardig. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat zij daarbij onderkent dat de genoemde brief van de afnemer dateert van 6 september 2000, dus van ná 13 maart 2000. Gelet op het voorgaande heeft de afnemer het bewijsvermoeden naar het oordeel van het hof niet weerlegd. Dexia heeft voldoende aangetoond dat [naam] voor 13 maart 2000 bekend is geworden met de overeenkomst, dit in de zin dat daarmee de verjaringstermijn voor het inroepen van de vernietiging is gaan lopen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de verjaringstermijn niet voor 13 maart 2003 is gestuit. Daarmee staat vast dat de verjaringstermijn vóór 13 maart 2000 is gaan lopen en dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring van 12 januari 2006 al was verjaard. 3.9. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Dexia op grond van het Hofmodel aan de afnemer nog een bedrag is verschuldigd van € 203,35, vermeerderd met wettelijke rente. Gelet op het voorgaande zal het hof toewijzen de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij, na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 203,35, vermeerderd met wettelijke rente, met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd. De conclusie 3.10. Het hoger beroep slaagt. Omdat de afnemer in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten van zowel het hoger beroep als de procedure bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.11. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 december 2023; 4.2. verklaart voor recht dat Dexia, na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 203,35, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 februari 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd; 4.3. veroordeelt de afnemer tot terugbetaling aan Dexia van alles wat Dexia op grond van het vonnis van 21 december 2023 aan de afnemer heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Dexia tot aan de dag van terugbetaling; 4.4. veroordeelt de afnemer tot betaling van de volgende proceskosten van Dexia tot aan de uitspraak van de kantonrechter: € 128,- aan griffierecht € 127,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding € 660,- aan salaris van de gemachtigde van Dexia; en tot betaling van de volgende proceskosten van Dexia in hoger beroep: € 798,- aan griffierecht € 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de afnemer € 2.580,- aan salaris van de advocaat van Dexia (2 procespunten x het toepasselijke tarief II); 4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.6. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.7. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, S.C.P. Giesen en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.