Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-26
ECLI:NL:GHARL:2026:3333
Civiel recht
Hoger beroep
24,272 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3333 text/xml public 2026-05-28T13:09:46 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-26 200.363.503 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:10505 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3333 text/html public 2026-05-28T12:51:10 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-05-2026 / 200.363.503 Hoger beroep. Kort geding. Didam-zaak en staatssteun. Gemeente heeft Ekoma kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Aannemelijk geworden dat er sprake is van voorgenomen staatssteun. Verbod om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.363.503 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 455472 arrest in kort geding van 26 mei 2026 in de zaak van 1 Becedo Vastgoed IV B.V. die is gevestigd in Didam 2. [appelante sub 2] B.V. die is gevestigd in [vestigingsplaats] eisende partijen bij de voorzieningenrechter hierna samen: Becedo c.s. advocaat: mr. A.A. al Khatib en gemeente Doesburg die zetelt in Doesburg gedaagde partij bij de voorzieningenrechter hierna: de gemeente advocaat: mr. E.M.M. Vendrig en Ekoma Onroerend Goed B.V. die is gevestigd in Apeldoorn tussenkomende partij bij de voorzieningenrechter hierna: Ekoma advocaat mr. H. Doornhof. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Becedo c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 1 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, met producties de memorie van antwoord van de gemeente de memorie van antwoord van Ekoma een akte overlegging producties van Becedo een nadere productie van Becedo het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 maart 2026 is gehouden 1.2. Hierna hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof daarvoor een datum bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. De gemeente heeft het voornemen tot overdracht (via een grondruil) van een perceel grond gelegen in de wijk Beinum in Doesburg (hierna te noemen: Perceel Gemeente) aan Ekoma die daar een supermarkt wil vestigen. Ekoma heeft een perceel grond in dezelfde wijk waarop een supermarkt is gevestigd (hierna te noemen: Perceel Ekoma), welk perceel zij wil overdragen aan de gemeente. Becedo c.s. vindt dat zij ook moet kunnen meedingen naar verkrijging van het Perceel Gemeente. Volgens haar had de gemeente potentiële gegadigden voor de verkrijging van het Perceel Gemeente mededingingsruimte moeten bieden door middel van een openbare selectieprocedure. Naar haar mening handelt de gemeente in strijd met artikel 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door dit perceel op de voorgenomen wijze aan Ekoma over te dragen. Daarnaast stelt Becedo c.s. dat er sprake is van (verboden) staatssteun door de gemeente aan Ekoma doordat zij het Perceel Gemeente overdraagt tegen een te lage, niet marktconforme, prijs. Haar vorderingen in eerste aanleg waren erop gericht te voorkomen dat de gemeente een definitieve overeenkomst met Ekoma zou sluiten en het Perceel Gemeente aan Ekoma zou overdragen zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen. De gemeente heeft zich daartegen verweerd en gewezen op haar “Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. grondruil van gemeentegrond” van juli 2025. Daarin heeft zij toegelicht dat Ekoma de enige serieuze gegadigde voor het perceel is en dat daarom een openbare selectieprocedure achterwege kon blijven. 2.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Becedo c.s. afgewezen. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente in het kader van die ontwikkeling Ekoma heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Tot slot heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil (verboden) staatssteun oplevert. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep is dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Becedo c.s. worden toegewezen. Kort gezegd komen de vorderingen van Becedo c.s. in hoger beroep erop neer dat ze wil dat de gemeente wordt veroordeeld tot het intrekken van de publicatie over haar voornemen tot overdracht van het Perceel Gemeente aan Ekoma, haar wordt verboden om het Perceel Gemeente aan Ekoma te verkopen en te leveren zonder selectieprocedure en wordt geboden om een eventuele verkoop c.q. grondruil aan Ekoma ongedaan te maken. Deze laatste vordering richt zich ook tot Ekoma. Becedo c.s. vordert tevens oplegging van een dwangsom en een proceskostenveroordeling. 2.4. Het hof is voorshands van oordeel dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente Ekoma in dat kader heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde voor het Perceel Gemeente. Het hof zal echter het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil staatssteun oplevert, vernietigen de gemeente veroordelen in de proceskosten van Becedo c.s. in beide instanties. De proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma zal het hof in beide instanties compenseren. Ten behoeve van de leesbaarheid van het dictum zal het hele vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd. 3 De feiten 3.1. Ekoma is eigenaar van Perceel Ekoma, gelegen in het centrum van de wijk Beinum in Doesburg . Op Perceel Ekoma exploiteert Dekamarkt, gelieerd aan Ekoma, een supermarkt. 3.2. De gemeente is eigenaar van de omliggende percelen in het centrum van de wijk Beinum, met uitzondering van een perceel dat is gelegen naast het Perceel Ekoma waarop een snackbar wordt geëxploiteerd en een perceel met vijver van het Waterschap Rijn en IJssel. 3.3. De gemeente is sinds 2016 voornemens om het centrum van Beinum te herontwikkelen. Dit voornemen is opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Doesburg 2030 van 22 juni 2016. Ten behoeve van de herontwikkeling heeft de gemeente een participatieproces ingericht en is een projectgroep opgericht. In deze projectgroep zaten verschillende deskundigen, adviseurs en belanghebbenden waaronder een vertegenwoordiger van Ekoma/Dekamarkt. De eigenaar van de snackbar is uitgenodigd voor deelname aan de projectgroep, maar heeft daar niet aan deelgenomen. 3.4. Op 29 maart 2022 is het Projectplan Herontwikkeling Centrum Beinum voltooid. Hierin staat een beschrijving van het project die luidt: “ 2.1. Wat is de opgave? Het centrum van Beinum heeft een gedateerde en vervallen uitstraling. Hierdoor functioneert dit centrum onvoldoende als kloppend hart van de wijk. Dit komt mede door: de beeldbepalende en introverte sporthal en de gedateerde supermarkt en snackbar; een supermarkt die door haar huidige omvang te klein is om toekomstbestendig haar rol in de wijk te kunnen vervullen; een tussenliggend parkeerterrein dat te krap, te onoverzichtelijk en verkeersonveilig is; een groot stuk ongebruikt openbaar groen; de slechte waterkwaliteit van vijver De Brink die door de beperkte doorstromingsmogelijkheden de laatste jaren hard achteruit gegaan; het ontbreken van samenhang en groen- /verblijfskwaliteit (van belang voor een gezonde leefomgeving). Het project ziet op het aantrekkelijk maken van het centrum van Beinum zodat de locatie een toekomstbestendige bijdrage levert aan de leefbaarheid van de wijk.” 3.5. Op 8 april 2022 is het in opdracht van de gemeente uitgevoerde distributie-planologisch onderzoek (DPO) voltooid. De conclusies van dit onderzoek luiden: “ Kwalitatieve uitbreiding gewenst In de gemeente Doesburg is er nu en in de toekomst geen marktruimte voor het uitbreiden van het dagelijkse aanbod.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3333 text/xml public 2026-05-28T13:09:46 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-26 200.363.503 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:10505 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3333 text/html public 2026-05-28T12:51:10 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-05-2026 / 200.363.503 Hoger beroep. Kort geding. Didam-zaak en staatssteun. Gemeente heeft Ekoma kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Aannemelijk geworden dat er sprake is van voorgenomen staatssteun. Verbod om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.363.503 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 455472 arrest in kort geding van 26 mei 2026 in de zaak van 1 Becedo Vastgoed IV B.V. die is gevestigd in Didam 2. [appelante sub 2] B.V. die is gevestigd in [vestigingsplaats] eisende partijen bij de voorzieningenrechter hierna samen: Becedo c.s. advocaat: mr. A.A. al Khatib en gemeente Doesburg die zetelt in Doesburg gedaagde partij bij de voorzieningenrechter hierna: de gemeente advocaat: mr. E.M.M. Vendrig en Ekoma Onroerend Goed B.V. die is gevestigd in Apeldoorn tussenkomende partij bij de voorzieningenrechter hierna: Ekoma advocaat mr. H. Doornhof. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Becedo c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 1 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, met producties de memorie van antwoord van de gemeente de memorie van antwoord van Ekoma een akte overlegging producties van Becedo een nadere productie van Becedo het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 maart 2026 is gehouden 1.2. Hierna hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof daarvoor een datum bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. De gemeente heeft het voornemen tot overdracht (via een grondruil) van een perceel grond gelegen in de wijk Beinum in Doesburg (hierna te noemen: Perceel Gemeente) aan Ekoma die daar een supermarkt wil vestigen. Ekoma heeft een perceel grond in dezelfde wijk waarop een supermarkt is gevestigd (hierna te noemen: Perceel Ekoma), welk perceel zij wil overdragen aan de gemeente. Becedo c.s. vindt dat zij ook moet kunnen meedingen naar verkrijging van het Perceel Gemeente. Volgens haar had de gemeente potentiële gegadigden voor de verkrijging van het Perceel Gemeente mededingingsruimte moeten bieden door middel van een openbare selectieprocedure. Naar haar mening handelt de gemeente in strijd met artikel 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door dit perceel op de voorgenomen wijze aan Ekoma over te dragen. Daarnaast stelt Becedo c.s. dat er sprake is van (verboden) staatssteun door de gemeente aan Ekoma doordat zij het Perceel Gemeente overdraagt tegen een te lage, niet marktconforme, prijs. Haar vorderingen in eerste aanleg waren erop gericht te voorkomen dat de gemeente een definitieve overeenkomst met Ekoma zou sluiten en het Perceel Gemeente aan Ekoma zou overdragen zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen. De gemeente heeft zich daartegen verweerd en gewezen op haar “Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. grondruil van gemeentegrond” van juli 2025. Daarin heeft zij toegelicht dat Ekoma de enige serieuze gegadigde voor het perceel is en dat daarom een openbare selectieprocedure achterwege kon blijven. 2.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Becedo c.s. afgewezen. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente in het kader van die ontwikkeling Ekoma heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Tot slot heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil (verboden) staatssteun oplevert. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep is dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Becedo c.s. worden toegewezen. Kort gezegd komen de vorderingen van Becedo c.s. in hoger beroep erop neer dat ze wil dat de gemeente wordt veroordeeld tot het intrekken van de publicatie over haar voornemen tot overdracht van het Perceel Gemeente aan Ekoma, haar wordt verboden om het Perceel Gemeente aan Ekoma te verkopen en te leveren zonder selectieprocedure en wordt geboden om een eventuele verkoop c.q. grondruil aan Ekoma ongedaan te maken. Deze laatste vordering richt zich ook tot Ekoma. Becedo c.s. vordert tevens oplegging van een dwangsom en een proceskostenveroordeling. 2.4. Het hof is voorshands van oordeel dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente Ekoma in dat kader heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde voor het Perceel Gemeente. Het hof zal echter het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil staatssteun oplevert, vernietigen de gemeente veroordelen in de proceskosten van Becedo c.s. in beide instanties. De proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma zal het hof in beide instanties compenseren. Ten behoeve van de leesbaarheid van het dictum zal het hele vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd. 3 De feiten 3.1. Ekoma is eigenaar van Perceel Ekoma, gelegen in het centrum van de wijk Beinum in Doesburg . Op Perceel Ekoma exploiteert Dekamarkt, gelieerd aan Ekoma, een supermarkt. 3.2. De gemeente is eigenaar van de omliggende percelen in het centrum van de wijk Beinum, met uitzondering van een perceel dat is gelegen naast het Perceel Ekoma waarop een snackbar wordt geëxploiteerd en een perceel met vijver van het Waterschap Rijn en IJssel. 3.3. De gemeente is sinds 2016 voornemens om het centrum van Beinum te herontwikkelen. Dit voornemen is opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Doesburg 2030 van 22 juni 2016. Ten behoeve van de herontwikkeling heeft de gemeente een participatieproces ingericht en is een projectgroep opgericht. In deze projectgroep zaten verschillende deskundigen, adviseurs en belanghebbenden waaronder een vertegenwoordiger van Ekoma/Dekamarkt. De eigenaar van de snackbar is uitgenodigd voor deelname aan de projectgroep, maar heeft daar niet aan deelgenomen. 3.4. Op 29 maart 2022 is het Projectplan Herontwikkeling Centrum Beinum voltooid. Hierin staat een beschrijving van het project die luidt: “ 2.1. Wat is de opgave? Het centrum van Beinum heeft een gedateerde en vervallen uitstraling. Hierdoor functioneert dit centrum onvoldoende als kloppend hart van de wijk. Dit komt mede door: de beeldbepalende en introverte sporthal en de gedateerde supermarkt en snackbar; een supermarkt die door haar huidige omvang te klein is om toekomstbestendig haar rol in de wijk te kunnen vervullen; een tussenliggend parkeerterrein dat te krap, te onoverzichtelijk en verkeersonveilig is; een groot stuk ongebruikt openbaar groen; de slechte waterkwaliteit van vijver De Brink die door de beperkte doorstromingsmogelijkheden de laatste jaren hard achteruit gegaan; het ontbreken van samenhang en groen- /verblijfskwaliteit (van belang voor een gezonde leefomgeving). Het project ziet op het aantrekkelijk maken van het centrum van Beinum zodat de locatie een toekomstbestendige bijdrage levert aan de leefbaarheid van de wijk.” 3.5. Op 8 april 2022 is het in opdracht van de gemeente uitgevoerde distributie-planologisch onderzoek (DPO) voltooid. De conclusies van dit onderzoek luiden: “ Kwalitatieve uitbreiding gewenst In de gemeente Doesburg is er nu en in de toekomst geen marktruimte voor het uitbreiden van het dagelijkse aanbod.
Volledig
Er is echter aanleiding om de supermarkt in de wijk Beinum uit te breiden en te moderniseren, waarmee voor de inwoners van de wijk een toekomstbestendige boodschappenlocatie gerealiseerd wordt. Effecten afhankelijk van omvang supermarkt Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk detailhandelsbeleid, mits de uitbreiding geen afbreuk doet aan de algehele detailhandelsstructuur van de gemeente. Het centrum van Doesburg is hét hoofdwinkelgebied en de enige bovenlokale boodschappenlocatie in de gemeente. Om deze positie niet te ondermijnen is het belangrijk dat de supermarkt in Beinum geen bovenlokale aantrekkingskracht krijgt. Er wordt dan ook geadviseerd een uitbreinding van de supermarkt tot maximaal 1.200 m2 wvo toe te staan. Dit is een iets ruimere maat dan in de Detailhandelsstructuurvisie opgenomen (maximaal 1.000 m2 wvo). Deze verruiming is te onderbouwen door de inmiddels doorgezette trend van schaalvergroting in de supermarktsector. Een supermarkt van 1.200 m2 wvo vervult nog steeds een wijkverzorgende functie. DTNP adviseert hierbij een maximale brutovloeroppervlakte (bvo)* van 1.500 m2 aan te houden. (…) * De totale ruimte van een winkel bestaat uit winkelvloeroppervlak en niet voor consumenten toegankelijke ruimten (opslag, kantine, etc.). (…)” 3.6. Op 2 augustus 2022 heeft Becedo c.s. een brief geschreven aan de gemeente waarin zij interesse toont in het realiseren van een supermarkt op de locatie van de huidige sporthal in Beinum. De gemeente heeft hierop geantwoord dat zij bezig is met de planontwikkeling voor woningbouw in het centrum van Beinum en dat hierbij ook de huidige functies in het gebied worden betrokken. Ook schrijft zij dat zij bij gronduitgifte het Didam-arrest zal naleven en dat daarom in voorkomend geval ofwel een openbare selectieprocedure zal worden gestart ofwel bekend zal worden gemaakt dat er sprake is van één serieuze gegadigde. Daarop heeft Becedo c.s. geantwoord dat zij ervan uitgaat in alle situaties uitgenodigd te zullen worden voor een openbare aanbesteding of selectieprocedure omdat zich een situatie dat er sprake is van één serieuze gegadigde zich niet zal voordoen. 3.7. Op 14 oktober 2022 heeft de gemeenteraad de Nota van Uitgangspunten voor de Herontwikkeling centrum Beinum vastgesteld. Hierin staat dat er nog geen harde omlijning is van het plangebied. Als kernpunten worden genoemd het realiseren van ten minste veertig appartementen en een supermarkt van 1.600 m2 inclusief laden en lossen (inpandig), maar geen extra winkels. 3.8. De gemeente heeft op basis van de Nota van Uitgangspunten een ontwerpstudie laten uitvoeren. Vervolgens zijn drie schetsontwerpen voor de herontwikkeling gepresenteerd tijdens een wijkbijeenkomst. In één van deze ontwerpen is een supermarkt ingetekend op de huidige plek van de Dekamarkt; in de andere twee ontwerpen staat een supermarkt op een andere plek in het plangebied ingetekend. 3.9. Op 6 juni 2023 heeft Becedo c.s. de gemeente nogmaals verzocht om geïnformeerd te worden over plannen voor de ontwikkelingen betreffende supermarkten in Doesburg . 3.10. Op 5 juli 2023 zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgesteld waarin is bepaald waaraan het definitieve ontwerp moet voldoen. Vervolgens is het voorlopig ontwerp van het Hart van Beinum in november 2023 voltooid, resulterend in een definitief ontwerp- en beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum in april 2024. Dit definitieve ontwerp is op 29 mei 2024 in de gemeenteraad vastgesteld. 3.11. In april 2024 heeft Arcadis in opdracht van de gemeente een residuele grondwaardeberekening uitgevoerd van het Perceel Gemeente. Arcadis concludeert tot een grondprijs van € 1.701.500. 3.12. Teneinde het plan volgens het vastgestelde definitieve ontwerp te kunnen uitvoeren is de gemeente in overleg getreden met Ekoma over de voorwaarden voor verkoop c.q. grondruil van het Perceel Ekoma en de verplaatsing van de Dekamarkt. Dit heeft geresulteerd in een concept-koopovereenkomst tussen de gemeente en Ekoma in juni 2025. Hierin staat, voor zover van belang: “ Artikel 7: Aan- en verkoop bouwgrond Aankoop Nieuwe Locatie door Ondernemer van Gemeente 1. Ondernemer koopt van de Gemeente de Nieuwe Locatie in bouwrijpe staat. De koopsom bedraagt € 1.231.500. Dit bedrag is gebaseerd op een winkelvloeroppervlak van 1200 m2 (bruto oppervlak van circa 2.000 m2) én de realisatie van parkeerplekken op het dak van de Supermarkt. 2. (…) 3. De prijs voor de Nieuwe Locatie is conform artikel 4.1 sub 3 residueel bepaald met als aanvullende voorwaarden: a. Voor het parkeren op het dak is gerekend met een onrendabele top van € 10.000 per parkeerplaats, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen. De uiteindelijke meer/minder te realiseren parkeerplaatsen worden verrekend op basis van voornoemd bedrag van € 10.000.” 3.13. Op 21 juli 2025 heeft de gemeente het voornemen tot verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma of een aan haar gelieerde onderneming gepubliceerd in het Gemeenteblad (hierna: de publicatie). De publicatie luid als volgt: “ Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. ruil van gemeentegrond De Hoge Raad heeft op 26 november 2021 het Didam-arrest gewezen. Daarin is bepaald dat een overheidslichaam bij de verkoop van onroerende zaken, of een uitgifte anderszins, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om: 1. mee te dingen naar deze onroerende zaak, of; 2. in ieder geval kennis te nemen van het voornemen dat deze onroerende zaak wordt uitgeven aan één specifieke partij of persoon. Enige serieuze gegadigde De Gemeente Doesburg is voornemens om bouwgrond (voor de realisatie van een supermarkt met aangrenzend parkeerterrein) (…) te verkopen aan Ekoma (…) of een aan haar gelieerde onderneming. De Gemeente Doesburg is van oordeel dat Ekoma op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is die voor de aankoop van de percelen in aanmerking komt. De Gemeente komt tot die conclusie op grond van de volgende criteria: 1. De gemeente wenst het centrum van Beinum te transformeren in een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de wijk Beinum. Daarvoor zijn op 29 mei 2024 de ruimtelijke kaders door de gemeenteraad van Doesburg vastgesteld (onder meer een definitief ontwerp en een beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum); 2. Ekoma beschikt over gronden binnen het transformatiegebied. Indien de gemeente niet beschikt over deze gronden van Ekoma, kan het door de raad vastgestelde plan voor het centrum van Beinum niet worden gerealiseerd. Ekoma is slechts bereid haar gronden te verkopen indien zij de (voornoemde) percelen in eigendom verkrijgt; 3. Met deze verkoop c.q. grondruil wordt het mogelijk om de door de Gemeente gestelde doelen voor het centrum van Beinum te behalen. Door de positie van Ekoma en de omstandigheid dat zij beschikt over gronden die de Gemeente nodig heeft voor de transformatie, is Ekoma – in het kader van de grondruil – aan te merken als enige serieuze gegadigde. Zonder de medewerking van Ekoma kan het plan voor het centrum van Beinum niet gerealiseerd worden. (…)” 3.14. Becedo c.s. heeft de gemeente gesommeerd de publicatie in te trekken en een openbare selectieprocedure voor de verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente te starten. Dit heeft de gemeente geweigerd. 3.15. In maart 2026 heeft Kendes Rentmeesters Veenendaal B.V. (hierna: Kendes) in opdracht van de gemeente de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Bij de taxatie is rekening gehouden met het uitgangspunt dat het bouwrijpe grond is, bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt tevens dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van 1.600 m2 zal kennen en een winkelvloeroppervlakte van circa 1.200 m2. De taxateur heeft zowel de comparatieve methode als de residuele grondwaardemethode gebruikt bij de taxatie. De taxateur concludeert (na middeling van de uitkomsten van beide methodes) tot een grondwaarde van het perceel van afgerond € 1.500.000. 3.16. In maart 2026 heeft Baken B.V. (hierna: Baken) in opdracht van Becedo c.s. de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd.
Volledig
Er is echter aanleiding om de supermarkt in de wijk Beinum uit te breiden en te moderniseren, waarmee voor de inwoners van de wijk een toekomstbestendige boodschappenlocatie gerealiseerd wordt. Effecten afhankelijk van omvang supermarkt Een dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk detailhandelsbeleid, mits de uitbreiding geen afbreuk doet aan de algehele detailhandelsstructuur van de gemeente. Het centrum van Doesburg is hét hoofdwinkelgebied en de enige bovenlokale boodschappenlocatie in de gemeente. Om deze positie niet te ondermijnen is het belangrijk dat de supermarkt in Beinum geen bovenlokale aantrekkingskracht krijgt. Er wordt dan ook geadviseerd een uitbreinding van de supermarkt tot maximaal 1.200 m2 wvo toe te staan. Dit is een iets ruimere maat dan in de Detailhandelsstructuurvisie opgenomen (maximaal 1.000 m2 wvo). Deze verruiming is te onderbouwen door de inmiddels doorgezette trend van schaalvergroting in de supermarktsector. Een supermarkt van 1.200 m2 wvo vervult nog steeds een wijkverzorgende functie. DTNP adviseert hierbij een maximale brutovloeroppervlakte (bvo)* van 1.500 m2 aan te houden. (…) * De totale ruimte van een winkel bestaat uit winkelvloeroppervlak en niet voor consumenten toegankelijke ruimten (opslag, kantine, etc.). (…)” 3.6. Op 2 augustus 2022 heeft Becedo c.s. een brief geschreven aan de gemeente waarin zij interesse toont in het realiseren van een supermarkt op de locatie van de huidige sporthal in Beinum. De gemeente heeft hierop geantwoord dat zij bezig is met de planontwikkeling voor woningbouw in het centrum van Beinum en dat hierbij ook de huidige functies in het gebied worden betrokken. Ook schrijft zij dat zij bij gronduitgifte het Didam-arrest zal naleven en dat daarom in voorkomend geval ofwel een openbare selectieprocedure zal worden gestart ofwel bekend zal worden gemaakt dat er sprake is van één serieuze gegadigde. Daarop heeft Becedo c.s. geantwoord dat zij ervan uitgaat in alle situaties uitgenodigd te zullen worden voor een openbare aanbesteding of selectieprocedure omdat zich een situatie dat er sprake is van één serieuze gegadigde zich niet zal voordoen. 3.7. Op 14 oktober 2022 heeft de gemeenteraad de Nota van Uitgangspunten voor de Herontwikkeling centrum Beinum vastgesteld. Hierin staat dat er nog geen harde omlijning is van het plangebied. Als kernpunten worden genoemd het realiseren van ten minste veertig appartementen en een supermarkt van 1.600 m2 inclusief laden en lossen (inpandig), maar geen extra winkels. 3.8. De gemeente heeft op basis van de Nota van Uitgangspunten een ontwerpstudie laten uitvoeren. Vervolgens zijn drie schetsontwerpen voor de herontwikkeling gepresenteerd tijdens een wijkbijeenkomst. In één van deze ontwerpen is een supermarkt ingetekend op de huidige plek van de Dekamarkt; in de andere twee ontwerpen staat een supermarkt op een andere plek in het plangebied ingetekend. 3.9. Op 6 juni 2023 heeft Becedo c.s. de gemeente nogmaals verzocht om geïnformeerd te worden over plannen voor de ontwikkelingen betreffende supermarkten in Doesburg . 3.10. Op 5 juli 2023 zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgesteld waarin is bepaald waaraan het definitieve ontwerp moet voldoen. Vervolgens is het voorlopig ontwerp van het Hart van Beinum in november 2023 voltooid, resulterend in een definitief ontwerp- en beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum in april 2024. Dit definitieve ontwerp is op 29 mei 2024 in de gemeenteraad vastgesteld. 3.11. In april 2024 heeft Arcadis in opdracht van de gemeente een residuele grondwaardeberekening uitgevoerd van het Perceel Gemeente. Arcadis concludeert tot een grondprijs van € 1.701.500. 3.12. Teneinde het plan volgens het vastgestelde definitieve ontwerp te kunnen uitvoeren is de gemeente in overleg getreden met Ekoma over de voorwaarden voor verkoop c.q. grondruil van het Perceel Ekoma en de verplaatsing van de Dekamarkt. Dit heeft geresulteerd in een concept-koopovereenkomst tussen de gemeente en Ekoma in juni 2025. Hierin staat, voor zover van belang: “ Artikel 7: Aan- en verkoop bouwgrond Aankoop Nieuwe Locatie door Ondernemer van Gemeente 1. Ondernemer koopt van de Gemeente de Nieuwe Locatie in bouwrijpe staat. De koopsom bedraagt € 1.231.500. Dit bedrag is gebaseerd op een winkelvloeroppervlak van 1200 m2 (bruto oppervlak van circa 2.000 m2) én de realisatie van parkeerplekken op het dak van de Supermarkt. 2. (…) 3. De prijs voor de Nieuwe Locatie is conform artikel 4.1 sub 3 residueel bepaald met als aanvullende voorwaarden: a. Voor het parkeren op het dak is gerekend met een onrendabele top van € 10.000 per parkeerplaats, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen. De uiteindelijke meer/minder te realiseren parkeerplaatsen worden verrekend op basis van voornoemd bedrag van € 10.000.” 3.13. Op 21 juli 2025 heeft de gemeente het voornemen tot verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma of een aan haar gelieerde onderneming gepubliceerd in het Gemeenteblad (hierna: de publicatie). De publicatie luid als volgt: “ Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. ruil van gemeentegrond De Hoge Raad heeft op 26 november 2021 het Didam-arrest gewezen. Daarin is bepaald dat een overheidslichaam bij de verkoop van onroerende zaken, of een uitgifte anderszins, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om: 1. mee te dingen naar deze onroerende zaak, of; 2. in ieder geval kennis te nemen van het voornemen dat deze onroerende zaak wordt uitgeven aan één specifieke partij of persoon. Enige serieuze gegadigde De Gemeente Doesburg is voornemens om bouwgrond (voor de realisatie van een supermarkt met aangrenzend parkeerterrein) (…) te verkopen aan Ekoma (…) of een aan haar gelieerde onderneming. De Gemeente Doesburg is van oordeel dat Ekoma op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is die voor de aankoop van de percelen in aanmerking komt. De Gemeente komt tot die conclusie op grond van de volgende criteria: 1. De gemeente wenst het centrum van Beinum te transformeren in een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de wijk Beinum. Daarvoor zijn op 29 mei 2024 de ruimtelijke kaders door de gemeenteraad van Doesburg vastgesteld (onder meer een definitief ontwerp en een beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum); 2. Ekoma beschikt over gronden binnen het transformatiegebied. Indien de gemeente niet beschikt over deze gronden van Ekoma, kan het door de raad vastgestelde plan voor het centrum van Beinum niet worden gerealiseerd. Ekoma is slechts bereid haar gronden te verkopen indien zij de (voornoemde) percelen in eigendom verkrijgt; 3. Met deze verkoop c.q. grondruil wordt het mogelijk om de door de Gemeente gestelde doelen voor het centrum van Beinum te behalen. Door de positie van Ekoma en de omstandigheid dat zij beschikt over gronden die de Gemeente nodig heeft voor de transformatie, is Ekoma – in het kader van de grondruil – aan te merken als enige serieuze gegadigde. Zonder de medewerking van Ekoma kan het plan voor het centrum van Beinum niet gerealiseerd worden. (…)” 3.14. Becedo c.s. heeft de gemeente gesommeerd de publicatie in te trekken en een openbare selectieprocedure voor de verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente te starten. Dit heeft de gemeente geweigerd. 3.15. In maart 2026 heeft Kendes Rentmeesters Veenendaal B.V. (hierna: Kendes) in opdracht van de gemeente de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Bij de taxatie is rekening gehouden met het uitgangspunt dat het bouwrijpe grond is, bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt tevens dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van 1.600 m2 zal kennen en een winkelvloeroppervlakte van circa 1.200 m2. De taxateur heeft zowel de comparatieve methode als de residuele grondwaardemethode gebruikt bij de taxatie. De taxateur concludeert (na middeling van de uitkomsten van beide methodes) tot een grondwaarde van het perceel van afgerond € 1.500.000. 3.16. In maart 2026 heeft Baken B.V. (hierna: Baken) in opdracht van Becedo c.s. de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd.
Volledig
Ook Baken gaat uit van bouwrijpe grond bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van maximaal 2.000 m2 zal kennen. Ook Baken heeft zowel de comparatieve als de residuele taxatiemethode gebruikt. Baken concludeert tot een grondwaarde van afgerond € 2.000.000. 4 De toelichting op de beslissing van het hof Spoedeisend belang 4.1. Becedo c.s. heeft ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. De Didam arresten en de toepassing daarvan 4.2. In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad kort gezegd beslist dat wanneer een overheidslichaam voornemens is een onroerende zaak te verkopen, het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat dit overheidslichaam mededingingsruimte moet aanbieden door het houden van een selectieprocedure om zodoende aan potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om de onroerende zaak te verwerven. 4.3. De mededingingsruimte hoeft volgens de Hoge Raad alleen dan niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop (hierna: uniciteit). In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. 4.4. In het Didam II-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de regels uit het Didam-arrest de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens het overheidslichaam slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden. Het Didam-arrest strekt zich volgens vaste jurisprudentie ook uit tot grondruil. 4.5. Met de hierboven gegeven feitenvaststelling is grief 1 voldoende besproken. De overige klachten in grief 1 over de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter betreffen stellingen en gevolgtrekkingen van Becedo c.s. waarvoor geen plaats is in het overzicht van de tussen partijen vaststaande feiten. In zoverre is de grief ongegrond. Tijdigheid 4.6. De gemeente heeft op 21 juli 2025 haar voornemen om Perceel Gemeente over te dragen aan Ekoma bekendgemaakt. Dit heeft zij gedaan via de publicatie van dat voornemen in het Gemeenteblad. De gemeente heeft gegadigden twintig kalenderdagen na publicatie de tijd geboden om een kort geding tegen de voorgenomen overdracht aanhangig te maken en gedurende die periode heeft de gemeente geen uitvoering gegeven aan haar voornemen om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was er ook nog geen definitieve overeenkomst met Ekoma gesloten. Het hof is voorlopig van oordeel dat de gemeente haar voornemen daarmee tijdig en op zodanige wijze bekend heeft gemaakt dat een ieder daarvan kennis kon nemen en daartegen kon opkomen. Aan de door de Hoge Raad in het Didam-arrest gestelde voorwaarde van tijdige bekendmaking is voldaan. 4.7. Volgens Becedo c.s. had de gemeente reeds in de planfase ruimte voor mededinging moeten creëren en heeft de gemeente ten onrechte geen mogelijkheid aan marktpartijen geboden om een alternatief plan te presenteren. In die zin is er volgens Becedo c.s. geen sprake van een tijdige publicatie. 4.8. Becedo c.s. gaat er hierbij vanuit dat de gemeente al vanaf maart 2022 een exclusief partnerschap met Ekoma is aangegaan door Ekoma wél en anderen niet deel uit te laten maken van de projectgroep. Het standpunt dat er sprake was van een exclusief partnerschap vanaf maart 2022 vindt echter onvoldoende steun in de feiten, althans is onvoldoende aannemelijk geworden. Een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt is inderdaad in 2022 toegetreden tot de projectgroep. Volgens de gemeente is dit het logische gevolg van de grondpositie van Ekoma in het plangebied. Op dit punt verschilt de situatie ook van de situatie die voorlag in de zaak waarin dit hof op 4 april 2023 arrest heeft gewezen . In die zaak was de gemeente Didam exclusieve onderhandelingen aangegaan met een partij die nog geen grondpositie had. 4.9. Voorshands oordelend is de keuze van de gemeente om een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt toe te voegen aan de projectgroep logisch en verdedigbaar en past dit binnen haar beleidsruimte op het punt van het inrichten van het participatieproces. Om dezelfde reden zijn het betreffende waterschap, eigenaar van de vijver, en de eigenaar van de snackbar benaderd voor de projectgroep. De eigenaar van de snackbar heeft daarvan vervolgens afgezien. De gemeente heeft onbetwist aangevoerd dat er daarnaast meerdere openbare inspraakavonden en wijkbijeenkomsten zijn gehouden waarop Ekoma wél en Becedo c.s. niet is verschenen. In zoverre is Becedo c.s. inspraak geboden. Hoe de gemeente de participatie / inspraak organiseert, valt binnen haar beleidsruimte. De deelname van een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt aan de projectgroep doet naar het voorshands oordeel van het hof niet af aan de tijdigheid van de publicatie van 21 juli 2025. Uniciteit 4.10. Vervolgens is de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de gemeente terecht heeft aangenomen dat er sprake is van uniciteit. 4.11. Becedo c.s. stelt dat de herontwikkeling naar Ekoma is toegeschreven. Becedo c.s. voert ter onderbouwing daarvan aan dat alleen een vertegenwoordiger van Ekoma deel heeft genomen aan de projectgroep en er ook andere plannen denkbaar zijn om de publieke doelen van de gemeente te realiseren. De gemeente heeft Perceel Ekoma ook niet nodig volgens Becedo c.s.; de gewenste huisvesting kan ook op andere locaties binnen het plangebied. De verkoop c.q. grondruil is bovendien disproportioneel. De verhuizing van de supermarkt wordt niet gedragen door redelijke, objectieve en toetsbare criteria die maken dat de verkoop c.q. grondruil noodzakelijk is en daarmee sprake is van uniciteit. 4.12. De gemeente en Ekoma betwisten dat de plannen zijn toegeschreven naar Ekoma. Zij wijzen erop dat de gemeente met betrekking tot het centrum van Beinum al in 2016 beleid heeft vastgesteld met als doel de herontwikkeling van dit centrum. Ze wilde appartementen bouwen in het plangebied en het supermarktaanbod verbeteren zonder daar winkels aan toe te voegen. 4.13. De gemeente heeft als het gaat om gebiedsontwikkeling een grote mate van beleidsruimte. Het door de gemeente opgestelde beleid blijkt uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en die hiervoor onder de feiten zijn opgesomd. De Didam-regels strekken zich naar het voorshands oordeel van het hof niet uit tot de keuze van de gemeente voor de omvang van het plangebied. Die keuze valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt bij het inrichten van de omgeving. De gemeente heeft op voorhand voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen overdracht gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. Het is, is in het licht van het hiervoor beschreven beleid vanaf 2016, niet aannemelijk gemaakt dat het beleid en de selectiecriteria naar Ekoma zijn toegeschreven. Het is juist dat een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt deel uit heeft gemaakt van de projectgroep en anderen, zoals de eigenaar van de snackbar en een vertegenwoordiger van Becedo c.s. niet, maar het beleid dateert al van vóór het oprichten van de projectgroep en de uiteindelijke beslissing is niet aan de projectgroep, maar aan de gemeenteraad en ook door de gemeenteraad genomen.
Volledig
Ook Baken gaat uit van bouwrijpe grond bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van maximaal 2.000 m2 zal kennen. Ook Baken heeft zowel de comparatieve als de residuele taxatiemethode gebruikt. Baken concludeert tot een grondwaarde van afgerond € 2.000.000. 4 De toelichting op de beslissing van het hof Spoedeisend belang 4.1. Becedo c.s. heeft ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. De Didam arresten en de toepassing daarvan 4.2. In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad kort gezegd beslist dat wanneer een overheidslichaam voornemens is een onroerende zaak te verkopen, het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat dit overheidslichaam mededingingsruimte moet aanbieden door het houden van een selectieprocedure om zodoende aan potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om de onroerende zaak te verwerven. 4.3. De mededingingsruimte hoeft volgens de Hoge Raad alleen dan niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop (hierna: uniciteit). In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. 4.4. In het Didam II-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de regels uit het Didam-arrest de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens het overheidslichaam slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden. Het Didam-arrest strekt zich volgens vaste jurisprudentie ook uit tot grondruil. 4.5. Met de hierboven gegeven feitenvaststelling is grief 1 voldoende besproken. De overige klachten in grief 1 over de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter betreffen stellingen en gevolgtrekkingen van Becedo c.s. waarvoor geen plaats is in het overzicht van de tussen partijen vaststaande feiten. In zoverre is de grief ongegrond. Tijdigheid 4.6. De gemeente heeft op 21 juli 2025 haar voornemen om Perceel Gemeente over te dragen aan Ekoma bekendgemaakt. Dit heeft zij gedaan via de publicatie van dat voornemen in het Gemeenteblad. De gemeente heeft gegadigden twintig kalenderdagen na publicatie de tijd geboden om een kort geding tegen de voorgenomen overdracht aanhangig te maken en gedurende die periode heeft de gemeente geen uitvoering gegeven aan haar voornemen om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was er ook nog geen definitieve overeenkomst met Ekoma gesloten. Het hof is voorlopig van oordeel dat de gemeente haar voornemen daarmee tijdig en op zodanige wijze bekend heeft gemaakt dat een ieder daarvan kennis kon nemen en daartegen kon opkomen. Aan de door de Hoge Raad in het Didam-arrest gestelde voorwaarde van tijdige bekendmaking is voldaan. 4.7. Volgens Becedo c.s. had de gemeente reeds in de planfase ruimte voor mededinging moeten creëren en heeft de gemeente ten onrechte geen mogelijkheid aan marktpartijen geboden om een alternatief plan te presenteren. In die zin is er volgens Becedo c.s. geen sprake van een tijdige publicatie. 4.8. Becedo c.s. gaat er hierbij vanuit dat de gemeente al vanaf maart 2022 een exclusief partnerschap met Ekoma is aangegaan door Ekoma wél en anderen niet deel uit te laten maken van de projectgroep. Het standpunt dat er sprake was van een exclusief partnerschap vanaf maart 2022 vindt echter onvoldoende steun in de feiten, althans is onvoldoende aannemelijk geworden. Een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt is inderdaad in 2022 toegetreden tot de projectgroep. Volgens de gemeente is dit het logische gevolg van de grondpositie van Ekoma in het plangebied. Op dit punt verschilt de situatie ook van de situatie die voorlag in de zaak waarin dit hof op 4 april 2023 arrest heeft gewezen . In die zaak was de gemeente Didam exclusieve onderhandelingen aangegaan met een partij die nog geen grondpositie had. 4.9. Voorshands oordelend is de keuze van de gemeente om een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt toe te voegen aan de projectgroep logisch en verdedigbaar en past dit binnen haar beleidsruimte op het punt van het inrichten van het participatieproces. Om dezelfde reden zijn het betreffende waterschap, eigenaar van de vijver, en de eigenaar van de snackbar benaderd voor de projectgroep. De eigenaar van de snackbar heeft daarvan vervolgens afgezien. De gemeente heeft onbetwist aangevoerd dat er daarnaast meerdere openbare inspraakavonden en wijkbijeenkomsten zijn gehouden waarop Ekoma wél en Becedo c.s. niet is verschenen. In zoverre is Becedo c.s. inspraak geboden. Hoe de gemeente de participatie / inspraak organiseert, valt binnen haar beleidsruimte. De deelname van een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt aan de projectgroep doet naar het voorshands oordeel van het hof niet af aan de tijdigheid van de publicatie van 21 juli 2025. Uniciteit 4.10. Vervolgens is de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de gemeente terecht heeft aangenomen dat er sprake is van uniciteit. 4.11. Becedo c.s. stelt dat de herontwikkeling naar Ekoma is toegeschreven. Becedo c.s. voert ter onderbouwing daarvan aan dat alleen een vertegenwoordiger van Ekoma deel heeft genomen aan de projectgroep en er ook andere plannen denkbaar zijn om de publieke doelen van de gemeente te realiseren. De gemeente heeft Perceel Ekoma ook niet nodig volgens Becedo c.s.; de gewenste huisvesting kan ook op andere locaties binnen het plangebied. De verkoop c.q. grondruil is bovendien disproportioneel. De verhuizing van de supermarkt wordt niet gedragen door redelijke, objectieve en toetsbare criteria die maken dat de verkoop c.q. grondruil noodzakelijk is en daarmee sprake is van uniciteit. 4.12. De gemeente en Ekoma betwisten dat de plannen zijn toegeschreven naar Ekoma. Zij wijzen erop dat de gemeente met betrekking tot het centrum van Beinum al in 2016 beleid heeft vastgesteld met als doel de herontwikkeling van dit centrum. Ze wilde appartementen bouwen in het plangebied en het supermarktaanbod verbeteren zonder daar winkels aan toe te voegen. 4.13. De gemeente heeft als het gaat om gebiedsontwikkeling een grote mate van beleidsruimte. Het door de gemeente opgestelde beleid blijkt uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en die hiervoor onder de feiten zijn opgesomd. De Didam-regels strekken zich naar het voorshands oordeel van het hof niet uit tot de keuze van de gemeente voor de omvang van het plangebied. Die keuze valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt bij het inrichten van de omgeving. De gemeente heeft op voorhand voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen overdracht gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. Het is, is in het licht van het hiervoor beschreven beleid vanaf 2016, niet aannemelijk gemaakt dat het beleid en de selectiecriteria naar Ekoma zijn toegeschreven. Het is juist dat een vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt deel uit heeft gemaakt van de projectgroep en anderen, zoals de eigenaar van de snackbar en een vertegenwoordiger van Becedo c.s. niet, maar het beleid dateert al van vóór het oprichten van de projectgroep en de uiteindelijke beslissing is niet aan de projectgroep, maar aan de gemeenteraad en ook door de gemeenteraad genomen.
Volledig
Dat een grondeigenaar betrokken is bij de projectgroep is voorshands oordelend onvoldoende om te concluderen dat het plan naar Ekoma is toegeschreven. Het is in het kader van dit kort geding ook niet aannemelijk geworden dat de invloed van de vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt de keuze voor het definitieve ontwerp heeft bepaald. 4.14. Uiteindelijk is het de keuze van de gemeenteraad geweest om woningen te willen realiseren op de huidige plek van de supermarkt. Ook als het juist zou zijn dat er hiervoor alternatieven waren, zoals Becedo c.s. stelt, valt de keuze voor de wijze van inrichten van het plangebied binnen de beleidsruimte van de gemeente. Het gevolg van deze keuze is dat de gemeente Perceel Ekoma, wil verwerven voor woningbouw én daarmee ontstaat de noodzakelijkheid van het verplaatsen van de supermarkt. Ekoma, als grondeigenaar, is immers bereid hieraan mee te werken onder de voorwaarde van grondruil. De inzet van eigen grondposities voor het realiseren van beleidsdoelen valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt. Dát er slechts plaats is voor één supermarkt in het centrum van Beinum volgt uit het beleid van de gemeente evenals de behoefte aan het realiseren van woningen. Ook maakt deel uit van het beleid dat de supermarkt in Beinum moet worden vernieuwd en uitgebreid. 4.15. De vraag is vervolgens of er alternatieven zijn om het door de gemeenteraad vastgestelde definitieve ontwerp met inachtneming van het beleid, te realiseren, zoals Becedo c.s. stelt. Die alternatieven zijn niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de keuze voor woningbouw op de plek van de huidige supermarkt, de noodzaak tot herontwikkeling van de huidige supermarkt, de ruimte voor hooguit één supermarkt in Beinum én de grondpositie van Ekoma, is de voorgestelde verkoop c.q. grondruil de enige mogelijkheid. Daar komt bij dat de Didam-regels de gemeente niet dwingen om voor onteigening te kiezen. De alternatieven van Becedo c.s. waarbij Ekoma niet uitgekocht wordt, komen neer op een situatie dat er twee supermarkten in Beinum zullen zijn. Dat is echter in strijd met het gemeentelijke beleid, zodat naar het voorshands oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat dat een reëel alternatief is. 4.16. Het hof acht, voorlopig oordelend, de privaatrechtelijke medewerking van Ekoma als eigenaar van een perceel dat deel uitmaakt van het te herontwikkelen centrum van Beinum, een objectief, toetsbaar en redelijk criterium. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van het hof ook redelijkerwijs mogen aannemen dat Ekoma is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de verwerving van het Perceel Gemeente. Motivering publicatie 4.17. Volgens Becedo c.s. is de publicatie gebrekkig gemotiveerd omdat de vindplaats van de genoemde plannen niet genoemd worden en uit de gegeven toelichting niet blijkt waarom daaruit volgt dat Ekoma de enige gegadigde is. Ook volgt uit de publicatie niet waarom het Perceel Ekoma essentieel is voor de herontwikkeling van het centrum van Beinum, benoemt de publicatie niet of alternatieven zijn onderzocht voor het realiseren van de herontwikkeling en benoemt de publicatie niet waarom op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria is gekozen voor het alternatief waarbij de supermarkt naar de nieuwe locatie verhuist. Tot slot benoemt de publicatie niet waarom dit perceel geschikt is voor grondruil, terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma, aldus Becedo c.s. 4.18. Aan Becedo c.s. kan worden toegegeven dat de motivering van de publicatie, mede gelet op wat de gemeente in deze procedure naar voren heeft gebracht en de stukken waarnaar zij in dat verband heeft verwezen, uitgebreider en concreter had kunnen zijn, maar de Didam-regels gaan niet zover dat het overheidslichaam de vindplaatsen van alle stukken hoeft te noemen of dat uit de publicatie moet blijken of alternatieven zijn onderzocht. Ook hoeft daarin niet te staan waarom het perceel geschikt is voor grondruil terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma. De gemeente moet wel goed en toetsbaar uitleggen dat er slechts één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is immers dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan een bepaalde gegadigde te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die belanghebbenden niet voldoen aan het Didam-arrest. 4.19. Voorshands kan niet geoordeeld worden dat de publicatie zo summier is dat de gemeente daarmee niet kon volstaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof benoemt de publicatie de criteria op grond waarvan de gemeente tot de conclusie is gekomen dat Ekoma de enige serieuze gegadigde is. Deze criteria zijn in dit geval (i) dat de gemeente het centrum van Beinum wil herontwikkelen binnen de ruimtelijke kaders die de gemeenteraad heeft vastgesteld (ii) dat Ekoma een bestaande grondpositie in het plangebied heeft en zonder deze gronden de herontwikkeling niet gerealiseerd kan worden; de gemeente heeft de medewerking van Ekoma nodig (iii) dat Ekoma alleen bereid is tot verkoop c.q. grondruil - medewerking - indien zij Perceel Gemeente verkrijgt. Becedo c.s. is ook in staat gebleken haar bezwaren tegen het voornemen van de gemeente in dit kort geding naar voren te brengen . Overige argumenten van Becedo c.s. 4.20. Becedo c.s. stelt dat de gemeente afwijkt van haar beleid en naar een uitbreiding van Dekamarkt toeschrijft door een supermarkt toe te staan met een bovenwijks karakter als gevolg van de grootte. Of de te vestigen supermarkt door haar grootte een bovenwijks karakter zal hebben, is echter niet van belang voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen. Het is ook niet relevant voor de beantwoording van de vraag of er uniciteit is. De centrale vraag is immers of er objectieve, toetsbare en redelijke criteria zijn om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Die vraag is hiervoor reeds beantwoord. Hetzelfde geldt voor het aantal parkeerplaatsen. Staatssteun 4.21. Volgens Becedo c.s. heeft de gemeente in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 107 lid 1 en 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van verboden staatssteun. Daartegen richten zich de grieven 9 tot en met 14 van Becedo c.s., die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Centraal hierbij staat de vraag of de concept-koopovereenkomst van juni 2025 (of een deel daarvan) een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die op grond van artikel 108 lid 3 VWEU had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en wat in dat geval de gevolgen van het niet aanmelden zijn. Vaststaat dat de concept-koopovereenkomst niet is aangemeld en dat de gemeente geen contact daarover heeft gehad met het Coördinatiepunt Staatsteun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Staatssteun algemeen 4.22. Artikel 107 lid 1 VWEU bepaalt, voor zover hier van belang, dat steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, met de interne markt onverenigbaar zijn, voor zover zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Ingevolge vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is er sprake van een steunmaatregel indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel een selectief voordeel verschaffen aan de begunstigde ervan. Ten derde moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten vierde moet hij de mededinging op de interne markt vervalsen of dreigen te vervalsen. 4.23.
Volledig
Dat een grondeigenaar betrokken is bij de projectgroep is voorshands oordelend onvoldoende om te concluderen dat het plan naar Ekoma is toegeschreven. Het is in het kader van dit kort geding ook niet aannemelijk geworden dat de invloed van de vertegenwoordiger van Ekoma / Dekamarkt de keuze voor het definitieve ontwerp heeft bepaald. 4.14. Uiteindelijk is het de keuze van de gemeenteraad geweest om woningen te willen realiseren op de huidige plek van de supermarkt. Ook als het juist zou zijn dat er hiervoor alternatieven waren, zoals Becedo c.s. stelt, valt de keuze voor de wijze van inrichten van het plangebied binnen de beleidsruimte van de gemeente. Het gevolg van deze keuze is dat de gemeente Perceel Ekoma, wil verwerven voor woningbouw én daarmee ontstaat de noodzakelijkheid van het verplaatsen van de supermarkt. Ekoma, als grondeigenaar, is immers bereid hieraan mee te werken onder de voorwaarde van grondruil. De inzet van eigen grondposities voor het realiseren van beleidsdoelen valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt. Dát er slechts plaats is voor één supermarkt in het centrum van Beinum volgt uit het beleid van de gemeente evenals de behoefte aan het realiseren van woningen. Ook maakt deel uit van het beleid dat de supermarkt in Beinum moet worden vernieuwd en uitgebreid. 4.15. De vraag is vervolgens of er alternatieven zijn om het door de gemeenteraad vastgestelde definitieve ontwerp met inachtneming van het beleid, te realiseren, zoals Becedo c.s. stelt. Die alternatieven zijn niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de keuze voor woningbouw op de plek van de huidige supermarkt, de noodzaak tot herontwikkeling van de huidige supermarkt, de ruimte voor hooguit één supermarkt in Beinum én de grondpositie van Ekoma, is de voorgestelde verkoop c.q. grondruil de enige mogelijkheid. Daar komt bij dat de Didam-regels de gemeente niet dwingen om voor onteigening te kiezen. De alternatieven van Becedo c.s. waarbij Ekoma niet uitgekocht wordt, komen neer op een situatie dat er twee supermarkten in Beinum zullen zijn. Dat is echter in strijd met het gemeentelijke beleid, zodat naar het voorshands oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat dat een reëel alternatief is. 4.16. Het hof acht, voorlopig oordelend, de privaatrechtelijke medewerking van Ekoma als eigenaar van een perceel dat deel uitmaakt van het te herontwikkelen centrum van Beinum, een objectief, toetsbaar en redelijk criterium. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van het hof ook redelijkerwijs mogen aannemen dat Ekoma is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de verwerving van het Perceel Gemeente. Motivering publicatie 4.17. Volgens Becedo c.s. is de publicatie gebrekkig gemotiveerd omdat de vindplaats van de genoemde plannen niet genoemd worden en uit de gegeven toelichting niet blijkt waarom daaruit volgt dat Ekoma de enige gegadigde is. Ook volgt uit de publicatie niet waarom het Perceel Ekoma essentieel is voor de herontwikkeling van het centrum van Beinum, benoemt de publicatie niet of alternatieven zijn onderzocht voor het realiseren van de herontwikkeling en benoemt de publicatie niet waarom op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria is gekozen voor het alternatief waarbij de supermarkt naar de nieuwe locatie verhuist. Tot slot benoemt de publicatie niet waarom dit perceel geschikt is voor grondruil, terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma, aldus Becedo c.s. 4.18. Aan Becedo c.s. kan worden toegegeven dat de motivering van de publicatie, mede gelet op wat de gemeente in deze procedure naar voren heeft gebracht en de stukken waarnaar zij in dat verband heeft verwezen, uitgebreider en concreter had kunnen zijn, maar de Didam-regels gaan niet zover dat het overheidslichaam de vindplaatsen van alle stukken hoeft te noemen of dat uit de publicatie moet blijken of alternatieven zijn onderzocht. Ook hoeft daarin niet te staan waarom het perceel geschikt is voor grondruil terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma. De gemeente moet wel goed en toetsbaar uitleggen dat er slechts één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is immers dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan een bepaalde gegadigde te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die belanghebbenden niet voldoen aan het Didam-arrest. 4.19. Voorshands kan niet geoordeeld worden dat de publicatie zo summier is dat de gemeente daarmee niet kon volstaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof benoemt de publicatie de criteria op grond waarvan de gemeente tot de conclusie is gekomen dat Ekoma de enige serieuze gegadigde is. Deze criteria zijn in dit geval (i) dat de gemeente het centrum van Beinum wil herontwikkelen binnen de ruimtelijke kaders die de gemeenteraad heeft vastgesteld (ii) dat Ekoma een bestaande grondpositie in het plangebied heeft en zonder deze gronden de herontwikkeling niet gerealiseerd kan worden; de gemeente heeft de medewerking van Ekoma nodig (iii) dat Ekoma alleen bereid is tot verkoop c.q. grondruil - medewerking - indien zij Perceel Gemeente verkrijgt. Becedo c.s. is ook in staat gebleken haar bezwaren tegen het voornemen van de gemeente in dit kort geding naar voren te brengen . Overige argumenten van Becedo c.s. 4.20. Becedo c.s. stelt dat de gemeente afwijkt van haar beleid en naar een uitbreiding van Dekamarkt toeschrijft door een supermarkt toe te staan met een bovenwijks karakter als gevolg van de grootte. Of de te vestigen supermarkt door haar grootte een bovenwijks karakter zal hebben, is echter niet van belang voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen. Het is ook niet relevant voor de beantwoording van de vraag of er uniciteit is. De centrale vraag is immers of er objectieve, toetsbare en redelijke criteria zijn om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Die vraag is hiervoor reeds beantwoord. Hetzelfde geldt voor het aantal parkeerplaatsen. Staatssteun 4.21. Volgens Becedo c.s. heeft de gemeente in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 107 lid 1 en 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van verboden staatssteun. Daartegen richten zich de grieven 9 tot en met 14 van Becedo c.s., die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Centraal hierbij staat de vraag of de concept-koopovereenkomst van juni 2025 (of een deel daarvan) een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die op grond van artikel 108 lid 3 VWEU had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en wat in dat geval de gevolgen van het niet aanmelden zijn. Vaststaat dat de concept-koopovereenkomst niet is aangemeld en dat de gemeente geen contact daarover heeft gehad met het Coördinatiepunt Staatsteun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Staatssteun algemeen 4.22. Artikel 107 lid 1 VWEU bepaalt, voor zover hier van belang, dat steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, met de interne markt onverenigbaar zijn, voor zover zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Ingevolge vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is er sprake van een steunmaatregel indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel een selectief voordeel verschaffen aan de begunstigde ervan. Ten derde moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten vierde moet hij de mededinging op de interne markt vervalsen of dreigen te vervalsen. 4.23.
Volledig
Voor de uitleg van de in artikel 107 VWEU gehanteerde begrippen dient te worden aangesloten bij de rechtspraak van het HvJ EU. Verdere aanwijzingen voor de wijze waarop artikel 107 lid 1 VWEU door de nationale rechter dient te worden toegepast, zijn te vinden in de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” (hierna: de Mededeling). 4.24. Artikel 108 lid 3 VWEU verplicht de lidstaten om (voorgenomen) steunmaatregelen aan de Commissie te melden. Het in artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU vervatte verbod strekt ertoe te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen heeft voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het voornemen te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van lid 2 van artikel 108 VWEU in te leiden. Een steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die niet overeenkomstig artikel 108 lid 3 VWEU is aangemeld, wordt als een onrechtmatige steunmaatregel beschouwd. Het uitvoeren van een onrechtmatige steunmaatregel is (ook naar Nederlands recht) onrechtmatig. De nationale rechter heeft op grond van artikel 108 lid 3 VWEU tot taak de rechten van de justitiabelen te beschermen tegen niet-aangemelde steunmaatregelen; het verbod in artikel 108 lid 3 VWEU heeft rechtstreekse werking en strekt zich uit tot iedere steunmaatregel die zonder melding tot uitvoering is gebracht. Het oordeel of er sprake is van met artikel 107 VWEU onverenigbare staatssteun is exclusief aan de Commissie voorbehouden. In de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties wordt de bevoegdheidsverdeling (tussen Commissie en nationale rechters) verder uitgewerkt. Toetsing 4.25. Becedo c.s. heeft gesteld dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU, zoals hiervoor onder 4.22 opgesomd, waaronder de voorwaarde dat de maatregel een selectief voordeel biedt, als deze een niet marktconform voordeel aan Ekoma verschaft. Becedo c.s. komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ekoma haar stellingen over verboden staatssteun gemotiveerd heeft weersproken. Daarop is door Ekoma in hoger beroep alleen gereageerd met betrekking tot de vraag of zij Ekoma een selectief voordeel heeft verschaft. Het hof is daarom in het kader van dit kort geding voorlopig van oordeel dat inderdaad aan de bedoelde voorwaarden is voldaan met uitzondering van de vraag of met de verkoop c.q. grondruil een niet marktconform voordeel aan Ekoma wordt gegeven. Daarover zal het hof hieronder zijn oordeel geven. 4.26. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU, gaat het erom of de prijs die Ekoma voor het Perceel Gemeente betaalt, een prijs is die onder normale marktvoorwaarden, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen, voor aankoop door Ekoma zou zijn betaald. Beslissend daarbij is of een vergelijkbare particuliere grondeigenaar in de gegeven omstandigheden een vergelijkbare (koop)prijs zou hebben gevraagd voor (een perceel als) het Perceel Gemeente. Voor dat onderzoek worden - waar het grondtransacties betreft - in randnummer 103 van de Mededeling door de Commissie aanwijzingen gegeven, zoals : “(……) In the case of sales of land, an independent expert evaluation prior to the sale negotiations to establish the market value on the basis of generally accepted market indicators and valuation standards is in principle satisfactory.” 4.27. In dit geval heeft de gemeente op verschillende momenten taxaties van Perceel Gemeente laten verrichten, te weten in april 2024 door Arcadis en in maart 2026 door Kendes. Het object van deze taxaties was verschillend: Arcadis heeft in april 2024 een residuele grondwaarde berekend voor een BVO van 1.985 m2. De getaxeerde waarde bedraagt volgens haar € 1.701.500,- Kendes is in maart 2026 uitgegaan van een BVO van 1.600 m2 en waardeert die (op basis van een combinatie van twee waarderingsmethodes) op € 1.500.000,- In de hier ter beoordeling voorliggende concept-koopovereenkomst van juni 2025 gaat het om Perceel Gemeente van circa 2.000 m2 BVO voor een koopprijs van € 1.231.500,-. De taxatie van Arcadis, waarin wordt uitgegaan van 1.985 m², lijkt daarbij aan te sluiten. Op de door Arcadis getaxeerde waarde hebben de gemeente en Ekoma een afslag toegepast van € 470.000,-, omdat wordt uitgegaan van de financiering door de gemeente van een onrendabele top voor het parkeren op het dak van de beoogde supermarkt, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen en € 10.000,- per parkeerplaats. Uiteindelijk meer of minder te realiseren parkeerplaatsen worden op basis van dit bedrag verrekend. Het hof laat hier in het midden dat niet aannemelijk is gemaakt door de gemeente waarom onrendabele top financiering nodig zou zijn en of die financiering zelf de toets aan artikel 107 VWEU kan doorstaan. Doordat de gemeente in een later stadium een van de taxatie van Arcadis afwijkende taxatie van Kendes heeft overgelegd, kan het hof in het kader van dit kort geding niet uitgaan van de juistheid van de in de taxatie van Arcadis geformuleerde uitgangspunten. De nader overgelegde taxatie van Kendes sluit niet aan bij het object van de concept-koopovereenkomst, nu daarin wordt uitgegaan van een BVO van 1.600 m². Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de concept-koopovereenkomst in overeenstemming is gebracht met de taxatie van Kendes en daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, althans dat daarover tussen Ekoma en de gemeente wilsovereenstemming is bereikt. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van het hof ten eerste dat de concept-koopovereenkomst op het punt van de door Ekoma te betalen koopprijs niet wordt onderbouwd met een taxatie die de koopprijs verklaart, terwijl de gemeente geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit die prijs wel zou voortvloeien. Weliswaar is een taxatie in de Mededeling (onder 103) niet dwingend voorgeschreven en levert het ontbreken daarvan niet (automatisch) een vermoeden van staatssteun (in formele zin) op, maar in combinatie met het ontbreken van andere aanwijzingen voor de door de gemeente in de concept-koopovereenkomst opgenomen prijs van € 1.231.500,- is dat vermoeden in dit kort geding wel aannemelijk geworden. 4.28. Daar komt bij dat de gemeente in het licht van de gemotiveerde en concrete stellingen van Becedo c.s. onvoldoende heeft betwist dat de koopprijs in de concept-koopovereenkomst, te weten € 1.231.500,- ook vanuit materieel oogpunt bekeken een niet marktconforme prijs oplevert voor Ekoma en een prijs is die de gemeente van een particuliere koper niet zou hebben ontvangen en evenmin overeenstemt met de prijs die Ekoma aan een particuliere grondeigenaar zou hebben betaald. Het hof kan de gemeente niet volgen waar zij aanvoert dat de BVO prijs per m² ongeveer gelijk is in de taxatie van Arcadis - die bepalend is geweest voor de koopprijs - en de taxatie van Kendes (€ 857,- versus € 850,- per m² BVO). Het hof komt waar het de taxatie van Kendes betreft op een BVO prijs per m² van € 937,50 (€ 1.500.000/1.600 m²) en daarmee tot een meer substantieel prijsverschil. 4.29. Daaruit volgt naar het voorshands oordeel van het hof dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de concept-koopovereenkomst op het gebied van de prijs van Perceel Gemeente voorgenomen staatssteun is. Vast staat dat de concept-koopovereenkomst niet als voorgenomen steunmaatregel bij de Commissie is gemeld. 4.30. Bij deze stand van zaken behoeft het hof niet meer in te gaan op de stellingen en weren van partijen over de rol van het sleutelgeld en de financiering door de gemeente van de onrendabele top van de parkeerplaatsen, het aantal parkeerplaatsen en de vraag of deze financiering van de onrendabele top op zich ook een (meldingsplichtige) staatssteunmaatregel zou kunnen zijn, zoals Becedo c.s. betoogt. 108 lid 3 VWEU 4.31. Uit de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties (randnr.
Volledig
Voor de uitleg van de in artikel 107 VWEU gehanteerde begrippen dient te worden aangesloten bij de rechtspraak van het HvJ EU. Verdere aanwijzingen voor de wijze waarop artikel 107 lid 1 VWEU door de nationale rechter dient te worden toegepast, zijn te vinden in de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” (hierna: de Mededeling). 4.24. Artikel 108 lid 3 VWEU verplicht de lidstaten om (voorgenomen) steunmaatregelen aan de Commissie te melden. Het in artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU vervatte verbod strekt ertoe te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen heeft voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het voornemen te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van lid 2 van artikel 108 VWEU in te leiden. Een steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die niet overeenkomstig artikel 108 lid 3 VWEU is aangemeld, wordt als een onrechtmatige steunmaatregel beschouwd. Het uitvoeren van een onrechtmatige steunmaatregel is (ook naar Nederlands recht) onrechtmatig. De nationale rechter heeft op grond van artikel 108 lid 3 VWEU tot taak de rechten van de justitiabelen te beschermen tegen niet-aangemelde steunmaatregelen; het verbod in artikel 108 lid 3 VWEU heeft rechtstreekse werking en strekt zich uit tot iedere steunmaatregel die zonder melding tot uitvoering is gebracht. Het oordeel of er sprake is van met artikel 107 VWEU onverenigbare staatssteun is exclusief aan de Commissie voorbehouden. In de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties wordt de bevoegdheidsverdeling (tussen Commissie en nationale rechters) verder uitgewerkt. Toetsing 4.25. Becedo c.s. heeft gesteld dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU, zoals hiervoor onder 4.22 opgesomd, waaronder de voorwaarde dat de maatregel een selectief voordeel biedt, als deze een niet marktconform voordeel aan Ekoma verschaft. Becedo c.s. komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ekoma haar stellingen over verboden staatssteun gemotiveerd heeft weersproken. Daarop is door Ekoma in hoger beroep alleen gereageerd met betrekking tot de vraag of zij Ekoma een selectief voordeel heeft verschaft. Het hof is daarom in het kader van dit kort geding voorlopig van oordeel dat inderdaad aan de bedoelde voorwaarden is voldaan met uitzondering van de vraag of met de verkoop c.q. grondruil een niet marktconform voordeel aan Ekoma wordt gegeven. Daarover zal het hof hieronder zijn oordeel geven. 4.26. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU, gaat het erom of de prijs die Ekoma voor het Perceel Gemeente betaalt, een prijs is die onder normale marktvoorwaarden, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen, voor aankoop door Ekoma zou zijn betaald. Beslissend daarbij is of een vergelijkbare particuliere grondeigenaar in de gegeven omstandigheden een vergelijkbare (koop)prijs zou hebben gevraagd voor (een perceel als) het Perceel Gemeente. Voor dat onderzoek worden - waar het grondtransacties betreft - in randnummer 103 van de Mededeling door de Commissie aanwijzingen gegeven, zoals : “(……) In the case of sales of land, an independent expert evaluation prior to the sale negotiations to establish the market value on the basis of generally accepted market indicators and valuation standards is in principle satisfactory.” 4.27. In dit geval heeft de gemeente op verschillende momenten taxaties van Perceel Gemeente laten verrichten, te weten in april 2024 door Arcadis en in maart 2026 door Kendes. Het object van deze taxaties was verschillend: Arcadis heeft in april 2024 een residuele grondwaarde berekend voor een BVO van 1.985 m2. De getaxeerde waarde bedraagt volgens haar € 1.701.500,- Kendes is in maart 2026 uitgegaan van een BVO van 1.600 m2 en waardeert die (op basis van een combinatie van twee waarderingsmethodes) op € 1.500.000,- In de hier ter beoordeling voorliggende concept-koopovereenkomst van juni 2025 gaat het om Perceel Gemeente van circa 2.000 m2 BVO voor een koopprijs van € 1.231.500,-. De taxatie van Arcadis, waarin wordt uitgegaan van 1.985 m², lijkt daarbij aan te sluiten. Op de door Arcadis getaxeerde waarde hebben de gemeente en Ekoma een afslag toegepast van € 470.000,-, omdat wordt uitgegaan van de financiering door de gemeente van een onrendabele top voor het parkeren op het dak van de beoogde supermarkt, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen en € 10.000,- per parkeerplaats. Uiteindelijk meer of minder te realiseren parkeerplaatsen worden op basis van dit bedrag verrekend. Het hof laat hier in het midden dat niet aannemelijk is gemaakt door de gemeente waarom onrendabele top financiering nodig zou zijn en of die financiering zelf de toets aan artikel 107 VWEU kan doorstaan. Doordat de gemeente in een later stadium een van de taxatie van Arcadis afwijkende taxatie van Kendes heeft overgelegd, kan het hof in het kader van dit kort geding niet uitgaan van de juistheid van de in de taxatie van Arcadis geformuleerde uitgangspunten. De nader overgelegde taxatie van Kendes sluit niet aan bij het object van de concept-koopovereenkomst, nu daarin wordt uitgegaan van een BVO van 1.600 m². Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de concept-koopovereenkomst in overeenstemming is gebracht met de taxatie van Kendes en daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, althans dat daarover tussen Ekoma en de gemeente wilsovereenstemming is bereikt. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van het hof ten eerste dat de concept-koopovereenkomst op het punt van de door Ekoma te betalen koopprijs niet wordt onderbouwd met een taxatie die de koopprijs verklaart, terwijl de gemeente geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit die prijs wel zou voortvloeien. Weliswaar is een taxatie in de Mededeling (onder 103) niet dwingend voorgeschreven en levert het ontbreken daarvan niet (automatisch) een vermoeden van staatssteun (in formele zin) op, maar in combinatie met het ontbreken van andere aanwijzingen voor de door de gemeente in de concept-koopovereenkomst opgenomen prijs van € 1.231.500,- is dat vermoeden in dit kort geding wel aannemelijk geworden. 4.28. Daar komt bij dat de gemeente in het licht van de gemotiveerde en concrete stellingen van Becedo c.s. onvoldoende heeft betwist dat de koopprijs in de concept-koopovereenkomst, te weten € 1.231.500,- ook vanuit materieel oogpunt bekeken een niet marktconforme prijs oplevert voor Ekoma en een prijs is die de gemeente van een particuliere koper niet zou hebben ontvangen en evenmin overeenstemt met de prijs die Ekoma aan een particuliere grondeigenaar zou hebben betaald. Het hof kan de gemeente niet volgen waar zij aanvoert dat de BVO prijs per m² ongeveer gelijk is in de taxatie van Arcadis - die bepalend is geweest voor de koopprijs - en de taxatie van Kendes (€ 857,- versus € 850,- per m² BVO). Het hof komt waar het de taxatie van Kendes betreft op een BVO prijs per m² van € 937,50 (€ 1.500.000/1.600 m²) en daarmee tot een meer substantieel prijsverschil. 4.29. Daaruit volgt naar het voorshands oordeel van het hof dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de concept-koopovereenkomst op het gebied van de prijs van Perceel Gemeente voorgenomen staatssteun is. Vast staat dat de concept-koopovereenkomst niet als voorgenomen steunmaatregel bij de Commissie is gemeld. 4.30. Bij deze stand van zaken behoeft het hof niet meer in te gaan op de stellingen en weren van partijen over de rol van het sleutelgeld en de financiering door de gemeente van de onrendabele top van de parkeerplaatsen, het aantal parkeerplaatsen en de vraag of deze financiering van de onrendabele top op zich ook een (meldingsplichtige) staatssteunmaatregel zou kunnen zijn, zoals Becedo c.s. betoogt. 108 lid 3 VWEU 4.31. Uit de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties (randnr.
Volledig
57) volgt dat het hof als nationale rechter (nu hij voorlopig heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de concept-koopovereenkomst wat betreft de prijs op grond van artikel 107 lid 1 VWEU als staatssteun kwalificeert) vervolgens moet beoordelen of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU valt. 4.32. Om onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU te vallen, moeten twee voorwaarden vervuld zijn: ten eerste moet de maatregel kwalificeren als nieuwe steun, (met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun) en ten tweede moet de maatregel onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108 lid 3 VWEU vallen. 4.33. Gesteld noch gebleken is dat het hier zou gaan om bestaande steun. Aan de voorwaarde dat het moet gaan om nieuwe steun wordt voldaan. 4.34. Ten aanzien van de verplichting tot voorafgaande aanmelding geldt dat daarvan (in bepaalde gevallen) geen sprake is als wordt voldaan aan de voorwaarden van een Groepsvrijstelling of de De Minimis-Verordening . Ook op dit punt is door de gemeente gesteld noch is in dit kort geding op een andere wijze gebleken dat aan de voorwaarden van de (relevante) Groepsvrijstellingen of de De Minimis-Verordening wordt voldaan. Dat betekent dat de verplichting tot voorafgaande aanmelding van de voorgenomen steunmaatregel (verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma) naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval geldt. Indien het verweer van de gemeente dat geen sprake is van een voorgenomen verkoop c.q. grondruil van het perceel voor een bedrag van tenminste € 1.000.000,- te weinig, maar (subsidiair) hoogstens van minder dan € 300.000,- te weinig (het verschil tussen de prijs in de concept-koopovereenkomst € 1.231.500,- voor 2.000 m2 en de taxatie van Kendes ter hoogte van € 1.500.000,- voor 1.600 m2) gelezen moet worden als een beroep op de De-Minimisregeling, gaat dat verweer niet op. Gesteld noch gebleken of aannemelijk is gemaakt dat het totale bedrag aan De Minimis-steun dat in de lidstaat Nederland over een periode van drie jaar is verleend aan de in Ekoma gevoerde onderneming maximaal € 300.000,- heeft bedragen (vgl. artikel 3 lid 2 De Minimis-Verordening). Het lag op de weg van de gemeente, voor zover zij op deze uitzondering van de aanmeldverplichting een beroep heeft willen doen, om aannemelijk te maken dat dat bedrag in die periode niet is overschreden. Dat heeft zij niet gedaan. 4.35. Uit artikel 108 lid 3 VWEU vloeit voort dat het hof als nationale rechter beoordelingsvrijheid heeft om de voor de(ze) situatie meest passende maatregel te treffen om de standstillverplichting te effectueren. In dit geval, waarin de gemeente nog niet is overgegaan tot het finaliseren en uitvoeren van de concept-koopovereenkomst van juni 2025, mag de nationale rechter die uitvoering beletten. Onder punt 2. van het subsidiaire petitum heeft Becedo c.s. gevorderd dat de gemeente wordt verboden Perceel Gemeente te verkopen/te leveren aan Ekoma of enige andere aan haar gelieerde partij. Toewijzing van die vordering zou een te algemeen geformuleerd en daarmee te ruim verbod aan de gemeente opleggen. Niet kan worden uitgesloten dat de gemeente en Ekoma naar aanleiding van deze uitspraak de prijs van Perceel Gemeente aanpassen aan het juiste aantal BVO m2 en taxatie(s), dan wel een nieuwe taxatie laten uitvoeren waardoor de situatie anders komt te liggen. Het hof zal daarom het mindere toewijzen in die zin dat het de gemeente wordt verboden om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU de Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van steun of dat deze steun verenigbaar is met het VWEU. Voor het opleggen van een dwangsom om dit verbod te versterken, zoals Becedo c.s. heeft gevorderd, ziet het hof op dit moment geen aanleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente zich niet aan het uit te spreken verbod zal houden. Belangenafweging 4.36. Voor zover de toepassing van het VWEU in dit geval het hof als nationale rechter al ruimte zou bieden tot een belangenafweging, leidt die niet tot een ander resultaat. Zowel de gemeente als Ekoma zijn of dienen op de hoogte te zijn van het verbod op het verlenen van staatssteun, de verplichting tot het melden van voorgenomen staatssteunmaatregelen en de daaruit voortvloeiende standstillverplichting. 4.37. Partijen hebben een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het (nader) bewijsaanbod van partijen voorbij. De conclusie 4.38. Het hoger beroep slaagt. Omdat de gemeente in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de gemeente tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 4.39. Ten aanzien van de vordering van Becedo c.s. tegen Ekoma bepaalt het hof dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten). 4.40. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5. De beslissing Het hof: 5.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 december 2025 en beslist; 5.2. verbiedt de gemeente om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 met Ekoma tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU, de Europese Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van een steunmaatregel dan wel dat deze steunmaatregel verenigbaar is met artikel 108 VWEU; 5.3. veroordeelt de gemeente tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter: € 714,- aan griffierecht € 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente € 1.107,- aan salaris van de advocaat van Becedo c.s. en tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. in hoger beroep: € 851,- aan griffierecht € 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente € 1.177 aan salaris van de advocaat van Becedo c.s. 5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 5.5. bepaalt dat de proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof; 5.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, S.M. Evers en G.D. Hoekstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026. Rechtbank Gelderland 1 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10505. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778. HR 15 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1661. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2796. Gerechtshof Den Haag, 18 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1368. Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:476. Mededeling van de Commissie betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 2016/C 262/01. HvJ EU, 11 november 2015, zaak C-505/14, ECLI:EU:C:2015:742, Klausner Holz . Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, 2021/C 305/01. HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, SFEI e.a./La Poste e.a . Verordening (EU) nr.
Volledig
57) volgt dat het hof als nationale rechter (nu hij voorlopig heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de concept-koopovereenkomst wat betreft de prijs op grond van artikel 107 lid 1 VWEU als staatssteun kwalificeert) vervolgens moet beoordelen of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU valt. 4.32. Om onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU te vallen, moeten twee voorwaarden vervuld zijn: ten eerste moet de maatregel kwalificeren als nieuwe steun, (met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun) en ten tweede moet de maatregel onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108 lid 3 VWEU vallen. 4.33. Gesteld noch gebleken is dat het hier zou gaan om bestaande steun. Aan de voorwaarde dat het moet gaan om nieuwe steun wordt voldaan. 4.34. Ten aanzien van de verplichting tot voorafgaande aanmelding geldt dat daarvan (in bepaalde gevallen) geen sprake is als wordt voldaan aan de voorwaarden van een Groepsvrijstelling of de De Minimis-Verordening . Ook op dit punt is door de gemeente gesteld noch is in dit kort geding op een andere wijze gebleken dat aan de voorwaarden van de (relevante) Groepsvrijstellingen of de De Minimis-Verordening wordt voldaan. Dat betekent dat de verplichting tot voorafgaande aanmelding van de voorgenomen steunmaatregel (verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma) naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval geldt. Indien het verweer van de gemeente dat geen sprake is van een voorgenomen verkoop c.q. grondruil van het perceel voor een bedrag van tenminste € 1.000.000,- te weinig, maar (subsidiair) hoogstens van minder dan € 300.000,- te weinig (het verschil tussen de prijs in de concept-koopovereenkomst € 1.231.500,- voor 2.000 m2 en de taxatie van Kendes ter hoogte van € 1.500.000,- voor 1.600 m2) gelezen moet worden als een beroep op de De-Minimisregeling, gaat dat verweer niet op. Gesteld noch gebleken of aannemelijk is gemaakt dat het totale bedrag aan De Minimis-steun dat in de lidstaat Nederland over een periode van drie jaar is verleend aan de in Ekoma gevoerde onderneming maximaal € 300.000,- heeft bedragen (vgl. artikel 3 lid 2 De Minimis-Verordening). Het lag op de weg van de gemeente, voor zover zij op deze uitzondering van de aanmeldverplichting een beroep heeft willen doen, om aannemelijk te maken dat dat bedrag in die periode niet is overschreden. Dat heeft zij niet gedaan. 4.35. Uit artikel 108 lid 3 VWEU vloeit voort dat het hof als nationale rechter beoordelingsvrijheid heeft om de voor de(ze) situatie meest passende maatregel te treffen om de standstillverplichting te effectueren. In dit geval, waarin de gemeente nog niet is overgegaan tot het finaliseren en uitvoeren van de concept-koopovereenkomst van juni 2025, mag de nationale rechter die uitvoering beletten. Onder punt 2. van het subsidiaire petitum heeft Becedo c.s. gevorderd dat de gemeente wordt verboden Perceel Gemeente te verkopen/te leveren aan Ekoma of enige andere aan haar gelieerde partij. Toewijzing van die vordering zou een te algemeen geformuleerd en daarmee te ruim verbod aan de gemeente opleggen. Niet kan worden uitgesloten dat de gemeente en Ekoma naar aanleiding van deze uitspraak de prijs van Perceel Gemeente aanpassen aan het juiste aantal BVO m2 en taxatie(s), dan wel een nieuwe taxatie laten uitvoeren waardoor de situatie anders komt te liggen. Het hof zal daarom het mindere toewijzen in die zin dat het de gemeente wordt verboden om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU de Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van steun of dat deze steun verenigbaar is met het VWEU. Voor het opleggen van een dwangsom om dit verbod te versterken, zoals Becedo c.s. heeft gevorderd, ziet het hof op dit moment geen aanleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente zich niet aan het uit te spreken verbod zal houden. Belangenafweging 4.36. Voor zover de toepassing van het VWEU in dit geval het hof als nationale rechter al ruimte zou bieden tot een belangenafweging, leidt die niet tot een ander resultaat. Zowel de gemeente als Ekoma zijn of dienen op de hoogte te zijn van het verbod op het verlenen van staatssteun, de verplichting tot het melden van voorgenomen staatssteunmaatregelen en de daaruit voortvloeiende standstillverplichting. 4.37. Partijen hebben een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het (nader) bewijsaanbod van partijen voorbij. De conclusie 4.38. Het hoger beroep slaagt. Omdat de gemeente in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de gemeente tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 4.39. Ten aanzien van de vordering van Becedo c.s. tegen Ekoma bepaalt het hof dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten). 4.40. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5. De beslissing Het hof: 5.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 december 2025 en beslist; 5.2. verbiedt de gemeente om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 met Ekoma tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU, de Europese Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van een steunmaatregel dan wel dat deze steunmaatregel verenigbaar is met artikel 108 VWEU; 5.3. veroordeelt de gemeente tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter: € 714,- aan griffierecht € 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente € 1.107,- aan salaris van de advocaat van Becedo c.s. en tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. in hoger beroep: € 851,- aan griffierecht € 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente € 1.177 aan salaris van de advocaat van Becedo c.s. 5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 5.5. bepaalt dat de proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof; 5.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, S.M. Evers en G.D. Hoekstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026. Rechtbank Gelderland 1 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10505. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778. HR 15 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1661. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2796. Gerechtshof Den Haag, 18 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1368. Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:476. Mededeling van de Commissie betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 2016/C 262/01. HvJ EU, 11 november 2015, zaak C-505/14, ECLI:EU:C:2015:742, Klausner Holz . Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, 2021/C 305/01. HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, SFEI e.a./La Poste e.a . Verordening (EU) nr.