Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-26
ECLI:NL:GHARL:2026:3326
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.356.010 arrest van de pachtkamer van 26 mei 2026 in de zaak van Stichting [naam Stichting] die is gevestigd in [vestigingsplaats] eiseres hierna: de Stichting advocaat: mr. R. Jansen tegen [verweerder] die woont in [woonplaats] (gemeente [naam gemeente] ) verweerder hierna: [verweerder] advocaat: mr. P. Stehouwer 1 Het verloop van de procedure 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 25 november 2025 heeft op 26 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 1.2. Deze zaak is bij prorogatie bij het hof aangebracht (artikel 329 Rv). Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor prorogatie is voldaan en het hof daarom bevoegd is. Het toepasselijke landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven bepaalt voor pachtzaken dat als sprake is van prorogatie er na de mondelinge behandeling gelegenheid is tot het nemen van memories van repliek en dupliek. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat als het hof een tussenarrest zou wijzen waarin het oordeelt dat de berekening van de fosfaatrechten en de daarmee verband houdende vergoeding relevant zijn, partijen daarover nog een akte mochten nemen. Het hof wijst met dit arrest echter een eindarrest waarin de aanspraak van de Stichting wordt afgewezen, zodat een nadere akte niet meer aan de orde is. 2 De kern van de zaak; feiten en vordering Kern van de zaak 2.1. Het gaat er in deze zaak om of de Stichting recht heeft op fosfaatrechten of op een vergoeding daarvoor van [verweerder] in verband met de beëindiging van de pachtverhouding tussen de Stichting en [verweerder] , of dat deze aanspraak is verjaard. Het hof concludeert dat deze aanspraak is verjaard en de vorderingen van de Stichting daarom moeten worden afgewezen. Feiten 2.2. [verweerder] pachtte op het landgoed [naam landgoed] de hoeve “Parkzicht” met landerijen met een totale oppervlakte van 42.23.09 ha. [verweerder] exploiteerde op het gepachte en op het bedrijf van zijn ouders op een ander adres een melkveehouderij. Op enig moment zijn [verweerder] en de Stichting in overleg getreden over verplaatsing van het bedrijf van [verweerder] . 2.3. Op 25 november 2016 heeft Alfa Accountants en Adviseurs, de adviseur van [verweerder] , (hierna: Alfa) aan [verweerder] bericht hoeveel fosfaatrechten hij te zijner tijd zou kunnen registeren. Alfa schrijft ook dat de rentmeester van de Stichting het voornemen heeft een werkafspraak te maken over de ontbinding van de pachtovereenkomst. In die werkafspraken wil de rentmeester een artikel wijden aan een mogelijke vergoeding voor de nog vast te stellen fosfaatrechten. In dit artikel zal worden vastgelegd hoe te handelen in het geval wetgeving, of naar aanleiding daarvan jurisprudentie, de verpachter een aanspraak zou geven op fosfaatrechten. 2.4. Op 12 juni 2017 heeft de heer [naam A] namens de Stichting aan [verweerder] (via zijn tussenpersoon [naam tussenpersoon] ) bevestigd dat de Stichting in verband met de ontpachting van de Hoeve [naam hoeve] aan [verweerder] een ontpachtingsvergoeding van € 800.000 betaalt. Aan de uitbetaling van deze vergoeding heeft de Stichting in deze brief uitdrukkelijk een aantal voorwaarden verbonden. Eén daarvan was: “ De fosfaatrechten blijven achter op de pachtgronden van [verweerder] . Mocht [verweerder] de fosfaatrechten willen meenemen naar zijn vervangend bedrijf, dan zullen daarover met de stichting nadere afspraken gemaakt moeten worden en zal er op een marktconforme basis met de stichting moeten worden afgerekend. In dit verband verwijs ik naar de aangehechte bijlagen. Mocht uit jurisprudentie blijken dat de fosfaatrechten aan [verweerder] toekomen, dan vindt er geen verrekening plaats. ” Hierna wordt deze bepaling aangeduid als de “fosfaatrechtenv Artikel 7:323 BW is niet bedoeld om in een geval als dit de opeisbaarheid te ontnemen aan verbintenissen die gerelateerd zijn aan het beëindigen van de pacht, waaraan door ontruiming van het gepachte uitvoering is gegeven. Zou het beroep van de Stichting op artikel 7:323 BW overigens wel slagen, dan zou dat artikel aan haar vordering tot nakoming en schadevergoeding in de weg staan, omdat [verweerder] in dat geval niet aan deze afspraak gebonden zou zijn, behalve dat hij daarvan niet eenzijdig zou kunnen terugtreden. Moet de fosfaatrechtenvoorwaarde zo worden uitgelegd dat deze pas later opeisbaar is? 3.6. De stichting beroept zich er verder op dat partijen beoogd hebben om de opeisbaarheid van de fosfaatrechtenvoorwaarde afhankelijk te maken van het moment dat in de rechtspraak zou zijn bepaald aan wie de fosfaatrechten toekomen. Omdat daarvan op zijn vroegst in 2019 sprake is geweest, is de vordering van de Stichting niet verjaard. [verweerder] heeft betwist dat de fosfaatrechtenvoorwaarde zo uitgelegd moet worden. 3.7. Het komt bij de uitleg van een overeenkomst aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). 3.8. De uitleg die de Stichting aan de fosfaatrechtenvoorwaarde geeft, is dat is afgesproken dat [verweerder] alle fosfaatrechten zou achterlaten. Als hij deze mee wilde nemen, dan moest nog een marktconforme vergoeding aan de Stichting betaald worden, tenzij in de jurisprudentie anders werd bepaald. Er zijn volgens de Stichting twee opschortende voorwaarden of tijdsbepalingen verbonden aan deze verbintenis: ten eerste dat in de rechtspraak duidelijkheid zou komen over de aanspraken op fosfaatrechten en ten tweede nadere afspraken tussen de Stichting en [verweerder] als hij de fosfaatrechten meenam. Ter onderbouwing van deze uitleg verwijst de Stichting naar de tekst van de bepaling en naar de brief van Alfa van 25 november 2016. 3.9. Het hof oordeelt als volgt. De Stichting heeft ten eerste bedongen dat de fosfaatrechten achtergelaten zouden worden. Die verplichting was onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten uitvoerbaar. Ook de omvang van de verplichting was duidelijk: het ging om alle aan het gepachte toe te rekenen fosfaatrechten. Dat deze verbintenis afhankelijk was van een toekomstige gebeurtenis, zoals jurisprudentie, blijkt nergens uit. Dat bedoeld was deze verbintenis pas opeisbaar te maken bij duidelijkheid in de rechtspraak over welke aanspraak de Stichting had, blijkt in ieder geval niet uit de tekst van de bepaling. 3.10. Ten tweede voorziet de fosfaatrechtenvoorwaarde in de mogelijkheid dat [verweerder] de fosfaatrechten mee zou nemen. In dat geval heeft de Stichting bedongen dat partijen nadere afspraken zouden maken en dat [verweerder] een marktconforme vergoeding zou betalen. Ook de verbintenissen om een dergelijke afspraak te maken en marktconform te betalen, was onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten uitvoerbaar. De bepaling spreekt ook van een marktconforme vergoeding, niet van een vergoeding conform nog nader te verschijnen jurisprudentie. Niets stond eraan in de weg om onmiddellijk na toekenning van de fosfaatrechten aan deze verbintenissen uitvoering te geven. Dat de Stichting met haar aanspraak op vergoeding wilde wachten op jurisprudentie over haar aanspraken blijkt niet uit de tekst van de fosfaatrechtenvoorwaarde. Dat een dergelijke opschorting bedoeld was, ligt ook niet voor de hand, omdat op dat moment onduidelijk was of, en zo ja, wanneer dergelijke jurisprudentie dan beschikbaar zou komen en ook niet met welke jurisprudentie partijen dan genoegen zouden nemen (pachtkamer, pachtkamer van het hof of Hoge Raad). De fosfaatrechtenvoorwaarde zegt ook “ Mocht uit jurisprudentie blijken dat de fosfaatrechten aan [verweerder] toekomen, dan vindt er geen verrekening plaats. ” Het gebruik van het woord “mocht” wijst erop dat niet