Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-13
ECLI:NL:GHARL:2026:2992
Strafrecht
Hoger beroep
4,003 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2992 text/xml public 2026-05-13T14:49:59 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-13 21-001041-25 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2992 text/html public 2026-05-13T11:39:26 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-05-2026 / 21-001041-25 aanranding van jonge vrouw in haar eigen woning. Hof veroordeelt verdachte tot 90 uur taakstraf en wijst de vordering van de benadeelde partij volledig toe. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001041-25 Uitspraakdatum: 13 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2025 met parketnummer 05-128829-23 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor vermelde vonnis. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.A.M.J. Heffels, hebben aangevoerd. Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocate, mr. P.P.E. Buchele, hebben aangevoerd Het vonnis In het vonnis is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [benadeelde] door het zoenen van haar mond, gezicht en hals en haar op haar bed te duwen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Het hof is van oordeel dat de rechtbank overwegend op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met wijziging van enkele gronden, behalve voor zover het betreft de oplegging van de straf en de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Verbetering van gronden Het hof verbetert de bewijsmiddelen van de rechtbank als volgt: - Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 2 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van: Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , p. 5-6 in: Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 5-6. - Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 4 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 3-4 in: Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 3-4. Oplegging van straf Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte dezelfde straf wordt opgelegd als bij de rechtbank. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen concreet voorstel gedaan voor een eventueel op te leggen straf. Wel heeft zij aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Oordeel van het hof De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een jonge vrouw. Dit is een ernstig strafbaar feit. De verdachte kende aangeefster als oppas van zijn dochter en had haar nog maar een paar keer ontmoet. Ook was er sprake van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster. Aangeefster heeft de verdachte willen helpen met zijn behoefte om vrouwelijke kleding te dragen. De verdachte heeft deze behulpzaamheid op grove wijze beschaamd door aangeefster onverwachts op haar bed te duwen en haar ongewenst te zoenen. Bovendien vond dit voorval plaats in het huis van aangeefster. Aangeefster heeft, ook op de zitting in hoger beroep, aangegeven dat zij nog steeds diep geraakt is door het handelen van verdachte, en dat haar thuis nooit meer hetzelfde zal worden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij over de grenzen van aangeefster is heengegaan, en dat hij misbruik heeft gemaakt van de goedheid van de aangeefster om hem te helpen. Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 april 2026. De verdachte heeft een blanco strafblad. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is. Volgens het hof is er sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster maar kan niet worden geoordeeld dat die inbreuk zodanig is dat het taakstrafverbod aan de orde is. In hoger beroep is er, in tegenstelling tot bij de rechtbank, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Alles overwegende, legt het hof aan de verdachte een taakstraf van 90 uur op, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen conform het vonnis van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de hoogte van het bedrag van de materiële en immateriële schade moet worden gematigd. Oordeel van het hof De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 508,92 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. De verdediging heeft in hoger beroep geen specifiek verweer gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op basis van bewijsmiddelen en wat er op de zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de benadeelde partij. Dit levert een ernstige normschending op, waardoor de benadeelde in haar lichamelijke en seksuele integriteit is aangetast. Uit de door haar afgelegde slachtofferverklaring in hoger beroep blijkt dat het bewezenverklaarde grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Ze heeft onder andere last van herbelevingen en haar huis is voor haar nooit meer geworden wat het was voor het voorval. Ook is het niet uit te sluiten dat de benadeelde partij in de toekomst last zal hebben van het voorval. Het hof is daarom van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zodanig zijn dat aangenomen kan worden dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Door het bewezenverklaarde is de benadeelde dus op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 1.000,00 - € 5.000,00 billijk kan zijn (categorie 15.3 onder b) bij een ‘ernstige’ aanranding.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2992 text/xml public 2026-05-13T14:49:59 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-13 21-001041-25 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2992 text/html public 2026-05-13T11:39:26 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-05-2026 / 21-001041-25 aanranding van jonge vrouw in haar eigen woning. Hof veroordeelt verdachte tot 90 uur taakstraf en wijst de vordering van de benadeelde partij volledig toe. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001041-25 Uitspraakdatum: 13 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2025 met parketnummer 05-128829-23 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor vermelde vonnis. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.A.M.J. Heffels, hebben aangevoerd. Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocate, mr. P.P.E. Buchele, hebben aangevoerd Het vonnis In het vonnis is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [benadeelde] door het zoenen van haar mond, gezicht en hals en haar op haar bed te duwen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Het hof is van oordeel dat de rechtbank overwegend op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met wijziging van enkele gronden, behalve voor zover het betreft de oplegging van de straf en de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Verbetering van gronden Het hof verbetert de bewijsmiddelen van de rechtbank als volgt: - Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 2 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van: Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , p. 5-6 in: Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 5-6. - Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 4 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 3-4 in: Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 3-4. Oplegging van straf Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte dezelfde straf wordt opgelegd als bij de rechtbank. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen concreet voorstel gedaan voor een eventueel op te leggen straf. Wel heeft zij aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Oordeel van het hof De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een jonge vrouw. Dit is een ernstig strafbaar feit. De verdachte kende aangeefster als oppas van zijn dochter en had haar nog maar een paar keer ontmoet. Ook was er sprake van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster. Aangeefster heeft de verdachte willen helpen met zijn behoefte om vrouwelijke kleding te dragen. De verdachte heeft deze behulpzaamheid op grove wijze beschaamd door aangeefster onverwachts op haar bed te duwen en haar ongewenst te zoenen. Bovendien vond dit voorval plaats in het huis van aangeefster. Aangeefster heeft, ook op de zitting in hoger beroep, aangegeven dat zij nog steeds diep geraakt is door het handelen van verdachte, en dat haar thuis nooit meer hetzelfde zal worden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij over de grenzen van aangeefster is heengegaan, en dat hij misbruik heeft gemaakt van de goedheid van de aangeefster om hem te helpen. Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 april 2026. De verdachte heeft een blanco strafblad. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is. Volgens het hof is er sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster maar kan niet worden geoordeeld dat die inbreuk zodanig is dat het taakstrafverbod aan de orde is. In hoger beroep is er, in tegenstelling tot bij de rechtbank, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Alles overwegende, legt het hof aan de verdachte een taakstraf van 90 uur op, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen conform het vonnis van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de hoogte van het bedrag van de materiële en immateriële schade moet worden gematigd. Oordeel van het hof De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 508,92 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. De verdediging heeft in hoger beroep geen specifiek verweer gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op basis van bewijsmiddelen en wat er op de zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de benadeelde partij. Dit levert een ernstige normschending op, waardoor de benadeelde in haar lichamelijke en seksuele integriteit is aangetast. Uit de door haar afgelegde slachtofferverklaring in hoger beroep blijkt dat het bewezenverklaarde grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Ze heeft onder andere last van herbelevingen en haar huis is voor haar nooit meer geworden wat het was voor het voorval. Ook is het niet uit te sluiten dat de benadeelde partij in de toekomst last zal hebben van het voorval. Het hof is daarom van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zodanig zijn dat aangenomen kan worden dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Door het bewezenverklaarde is de benadeelde dus op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 1.000,00 - € 5.000,00 billijk kan zijn (categorie 15.3 onder b) bij een ‘ernstige’ aanranding.