Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-30
ECLI:NL:GHARL:2026:2708
Strafrecht
Hoger beroep
11,600 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2708 text/xml public 2026-05-15T13:43:59 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 21-004306-22 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2708 text/html public 2026-05-15T13:43:20 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2708 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / 21-004306-22 Artikel 3 en 11 Opiumwet. Vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Veroordeling ten aanzien van het medeplegen van het meermaals telen van hennep tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004306-22 Uitspraakdatum: 30 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 oktober 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-760037-20 en 08-770001-21, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep Verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, te weten voor zover verdachte is veroordeeld voor feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21 tot een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf van 130 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 65 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.G.J. Plat, hebben aangevoerd. Het vonnis Bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot een taakstraf van 150 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Het hof komt in dit arrest tot een (enigszins) andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 25 februari 2020, te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid van (in totaal) (telkens) ongeveer 1278, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van het telen en verwerken van een grote hoeveelheid hennep in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2020. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof primair verzocht om verdachte van het aan hem tenlastegelegde vrij te spreken. Hiertoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) de enige persoon is die verdachte linkt aan de hennepkwekerij en dat de verklaringen van [getuige] niet betrouwbaar zijn, omdat deze wisselend zijn en hij daarnaast een eigenbelang heeft om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Een mogelijke ontnemingsvordering kan in dat geval immers door meer personen worden gedeeld. Volgens de verdediging kunnen de verklaringen van [getuige] gelet op het voorgaande niet als bewijs worden gebruikt waardoor er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de tenlastegelegde periode aanzienlijk te beperken, namelijk vanaf het moment dat verdachte voor het eerst bij de loods is gezien op 12 november 2019 tot het moment dat verdachte voor de laatste keer bij de loods is gezien en de relatie tussen verdachte en [getuige] is geëindigd op 10 december 2019, dan wel in ieder geval pas vanaf november 2018 nu verdachte er volgens [getuige] pas een half jaar later bij gekomen is. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs en overweegt hiertoe als volgt. Feiten en omstandigheden Aanleiding van het onderzoek was het volgende. Op 22 augustus 2019 kwam er via Meld Misdaad Anoniem een melding binnen met de tekst: Hennepkwekerij [adres 2] ( [postcode] ) in [plaats 1] . In de loods op deze locatie wordt hennep geteeld. Bewijsmiddelen. Daarop werden diverse netmetingen bij deze loods uitgevoerd en werden warmtebeelden gemaakt. Er werd een 12-uurs stroomcyclus waargenomen en uit de thermische opnamen bleek dat er een duidelijke warmtebron zichtbaar was in de loods. Uit de verstrekte gegevens van Enexis bleek dat op 17 april 2018 een zogeheten power-up en power-down van stroom geregistreerd was aan de [adres 2] te [plaats 1] , terwijl er die dag geen stroomstoring heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de stroom handmatig van het net is gehaald. Naar aanleiding van voorgaande metingen en gegevens vond op 25 februari 2020 een instap bij de loods aan de [adres 2] in [plaats 1] plaats, waarbij verschillende hennepgerelateerde goederen en sporen van eerdere hennepteelten werden aangetroffen. Verbalisanten troffen twee ruimtes aan die vermoedelijk werden gebruikt als kweekruimtes, 1.278 gebruikte potten met daarin plantenresten van hennep en ook twee watercontainers en tien witte, met potgrond gevulde Big-Bags met daarin restanten van hennepplanten en plantenwortels. Berekend werd dat de aangetroffen potgrond voldoende is om 1.289 potten te vullen. Een van de ruimtes had een oppervlakte van 37,31 vierkante meter. In totaal hadden de ruimtes een oppervlakte van 86 vierkante meter. Op grond van de hiervoor genoemde netmetingen en warmtebeelden werd de loods gedurende de periode van september tot en met december 2019 stelselmatig geobserveerd. Verdachte is op 12 en 30 november 2019 en op 3, 9 en 10 december 2019 gezien bij de loods aan de [adres 2] . Een aantal keren was hij samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Op dinsdag 12 november 2019 is gezien dat verdachte samen met [medeverdachte] in de loods was, toen [medeverdachte] een aanhangwagen de loods inreed. Vervolgens werd gezien dat deze planken en balken met de heftruck van de aanhangwagen af werden gehaald. Gezien werd dat er, links achter de ingang, een houten wand zat met daarin een donkerkleurige deur. Gezien werd dat deze houten wand gemaakt was van planken gelijkend op de planken welke op de aanhangwagen lagen. Achter deze afgetimmerde wand bevond zich de hennepkwekerij.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2708 text/xml public 2026-05-15T13:43:59 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 21-004306-22 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2708 text/html public 2026-05-15T13:43:20 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2708 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / 21-004306-22 Artikel 3 en 11 Opiumwet. Vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Veroordeling ten aanzien van het medeplegen van het meermaals telen van hennep tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004306-22 Uitspraakdatum: 30 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 oktober 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-760037-20 en 08-770001-21, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep Verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, te weten voor zover verdachte is veroordeeld voor feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21 tot een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf van 130 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 65 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.G.J. Plat, hebben aangevoerd. Het vonnis Bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 08-770001-21 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot een taakstraf van 150 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Het hof komt in dit arrest tot een (enigszins) andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 25 februari 2020, te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid van (in totaal) (telkens) ongeveer 1278, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van het telen en verwerken van een grote hoeveelheid hennep in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2020. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof primair verzocht om verdachte van het aan hem tenlastegelegde vrij te spreken. Hiertoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) de enige persoon is die verdachte linkt aan de hennepkwekerij en dat de verklaringen van [getuige] niet betrouwbaar zijn, omdat deze wisselend zijn en hij daarnaast een eigenbelang heeft om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Een mogelijke ontnemingsvordering kan in dat geval immers door meer personen worden gedeeld. Volgens de verdediging kunnen de verklaringen van [getuige] gelet op het voorgaande niet als bewijs worden gebruikt waardoor er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de tenlastegelegde periode aanzienlijk te beperken, namelijk vanaf het moment dat verdachte voor het eerst bij de loods is gezien op 12 november 2019 tot het moment dat verdachte voor de laatste keer bij de loods is gezien en de relatie tussen verdachte en [getuige] is geëindigd op 10 december 2019, dan wel in ieder geval pas vanaf november 2018 nu verdachte er volgens [getuige] pas een half jaar later bij gekomen is. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs en overweegt hiertoe als volgt. Feiten en omstandigheden Aanleiding van het onderzoek was het volgende. Op 22 augustus 2019 kwam er via Meld Misdaad Anoniem een melding binnen met de tekst: Hennepkwekerij [adres 2] ( [postcode] ) in [plaats 1] . In de loods op deze locatie wordt hennep geteeld. Bewijsmiddelen. Daarop werden diverse netmetingen bij deze loods uitgevoerd en werden warmtebeelden gemaakt. Er werd een 12-uurs stroomcyclus waargenomen en uit de thermische opnamen bleek dat er een duidelijke warmtebron zichtbaar was in de loods. Uit de verstrekte gegevens van Enexis bleek dat op 17 april 2018 een zogeheten power-up en power-down van stroom geregistreerd was aan de [adres 2] te [plaats 1] , terwijl er die dag geen stroomstoring heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de stroom handmatig van het net is gehaald. Naar aanleiding van voorgaande metingen en gegevens vond op 25 februari 2020 een instap bij de loods aan de [adres 2] in [plaats 1] plaats, waarbij verschillende hennepgerelateerde goederen en sporen van eerdere hennepteelten werden aangetroffen. Verbalisanten troffen twee ruimtes aan die vermoedelijk werden gebruikt als kweekruimtes, 1.278 gebruikte potten met daarin plantenresten van hennep en ook twee watercontainers en tien witte, met potgrond gevulde Big-Bags met daarin restanten van hennepplanten en plantenwortels. Berekend werd dat de aangetroffen potgrond voldoende is om 1.289 potten te vullen. Een van de ruimtes had een oppervlakte van 37,31 vierkante meter. In totaal hadden de ruimtes een oppervlakte van 86 vierkante meter. Op grond van de hiervoor genoemde netmetingen en warmtebeelden werd de loods gedurende de periode van september tot en met december 2019 stelselmatig geobserveerd. Verdachte is op 12 en 30 november 2019 en op 3, 9 en 10 december 2019 gezien bij de loods aan de [adres 2] . Een aantal keren was hij samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Op dinsdag 12 november 2019 is gezien dat verdachte samen met [medeverdachte] in de loods was, toen [medeverdachte] een aanhangwagen de loods inreed. Vervolgens werd gezien dat deze planken en balken met de heftruck van de aanhangwagen af werden gehaald. Gezien werd dat er, links achter de ingang, een houten wand zat met daarin een donkerkleurige deur. Gezien werd dat deze houten wand gemaakt was van planken gelijkend op de planken welke op de aanhangwagen lagen. Achter deze afgetimmerde wand bevond zich de hennepkwekerij.
Volledig
Door verbalisant [verbalisant] werden koolstoffilters aangetroffen die behoorlijke gebruikssporen vertoonden. Gezien werd dat het filterdoek ernstig verkleurd was, wat een indicatie is voor een langere kweekperiode. Er bevonden zich houten droogrekken met daarop zichtbare hennepblaadjes. Ook werd een houten plaat met de afdruk van een hoeveelheid transformatoren aangetroffen, waarbij opgemerkt wordt dat verkleuring van hout pas na langere tijd optreedt in een binnenruimte. Dat in ruimte E langdurig hennep is gekweekt is volgens de verbalisant duidelijk geworden onder andere door de verkleuring van pur tussen de naden. Uit de verklaring van [getuige] en de tapgesprekken van [medeverdachte] op 19 februari 2020 volgt dat verdachte en [medeverdachte] gebrouilleerd raakten. Op 10 december 2019 is verdachte voor het laatst gezien bij de loods. De verhuurder van de loods, medeverdachte [getuige] , heeft op 1 juli 2020 onder meer het volgende verklaard: "A: …in 2017... is [naam 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) in de kwekerij gekomen om de boel over te nemen. … Hij kwam samen met [verdachte] . A: ...Ik begreep niet goed waarom, maar de opbrengsten zouden door drieën gedeeld worden. [verdachte] , [naam 1] en ik zouden alle drie hetzelfde krijgen. A: ... [verdachte] deed helemaal niet zo veel. Ja, hij hielp wel met knippen en dergelijke.... A: ...Die aansluiting in de kruipruimte was er vanaf 2015. In de tijd dat [naam 1] , [verdachte] en ik er zaten is in de loop van de tijd de elektriciteit van de kwekerij aangepast. Er zijn toen ook nieuwe lampen en airco's geïnstalleerd. ...Die installateur heet [naam 2] . ...De planten kwamen ook allemaal via hem aangeleverd. [verdachte] deed dat. Hij kocht de hennep ook op" V: Dus de rol van [naam 1] , die zit er vanaf 2015 in. Eerst als 'werknemer' voor die gasten uit [plaats 2] , daarna vanaf medio 2017 als eigenaar van de kwekerij samen met jou en [verdachte] A: "precies". Op 20 juni 2022 heeft [getuige] bij de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard: V: Wat was de rol van [verdachte] ? A "... [verdachte] heeft wel de hennepplantjes verzorgd en heeft die af en toe geregeld. Hij deed af en toe de verkoop van de hennep, hij hielp mee bij het oogsten en bij het opruimen van de rotzooi.” Medeverdachte [medeverdachte] heeft in een schriftelijke verklaring aangegeven dat er meerdere oogsten zijn geweest en dat op een gegeven moment is besloten er een tweede ruimte bij te maken. De tweede ruimte was volgens [medeverdachte] eind 2018, begin 2019 klaar en toen kon men 1250 planten kwijt . Bewijsoverweging Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019 opzettelijk in nauwe en bewuste samenwerking met anderen telkens een groot aantal hennepplanten heeft geteeld in de loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , van in ieder geval meer dan 200 planten. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [getuige] betrouwbaar zijn en daarom voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [getuige] heeft vrijwel vanaf de beginfase van het onderzoek openheid van zaken gegeven waarin hij belastend over verdachte en [medeverdachte] heeft verklaard, maar ook zichzelf niet heeft ontzien. De verklaring die [getuige] later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, komt in grote lijnen overeen met zijn eerdere verklaring. Hij heeft concreet, vanuit eigen gezichtspunt en inhoudelijk consistent verklaard. Zijn verklaringen worden bovendien ondersteund door de netmetingen en de door de verbalisanten in de loods aangetroffen hennepgerelateerde goederen en sporen van eerdere hennepteelten. Op grond van de verklaringen van [getuige] stelt het hof vast dat verdachte, samen met [getuige] en [medeverdachte] , betrokken is geweest bij het telen van hennep, dat sprake is geweest van meerdere kweken en dat verdachte een actieve rol heeft gehad bij het geheel. Verdachte regelde mede de aanlevering van hennepplanten, hielp mee met het verzorgen en oogsten van de planten en had een rol in de verkoop ervan. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten en een gezamenlijke uitvoering met hen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van het telen en verwerken van hennep bewezen. Volgens de netmetingen van Enexis is de kwekerij aangesloten op 17 april 2018, zodat het hof deze datum als aanvangsdatum van de hennepkwekerij zal nemen. Dat verdachte niet eerder dan op 12 november 2019 bij de loods is gesignaleerd, zoals door de raadsvrouw is betoogd, leidt niet tot het oordeel dat verdachte op dat latere moment pas betrokken is geraakt bij de kwekerij. De observaties van de politie zijn immers pas in oktober 2019 gestart en ook uit de verklaringen van [getuige] blijkt dat verdachte al veel eerder dan oktober 2019 betrokken is geraakt bij de kwekerij. Gelet op de observaties en met name de tapgesprekken waaruit volgt dat verdachte op een gegeven moment gebrouilleerd is geraakt met [medeverdachte] , acht het hof een einddatum van 10 december 2019 (het moment waarop verdachte voor het laatst bij de loods is gesignaleerd) aannemelijk. Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat sprake is van het meermaals (‘telkens’) telen van hennep in de bewezenverklaarde periode. Dat volgt uit de verklaringen van [getuige] en [medeverdachte] en de gebruikssporen van de ruimtes waarin de hennep gekweekt is, zoals die door verbalisant [verbalisant] zijn omschreven. Anders dan de rechtbank komt het hof niet tot bewezenverklaring van het in de tenlastelegging genoemde aantal van 1278 hennepplanten. Dit aantal betreft het aantal potten dat op 25 februari 2020 is aangetroffen. Het hof kan niet vaststellen dat tijdens de bewezenverklaarde periode telkens dit aantal hennepplanten is geteeld en verwerkt. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, in het bijzonder het hierboven weergegeven proces-verbaal van aantreffen en de schriftelijke verklaring van [medeverdachte] , vast dat sprake is geweest van twee kweekruimtes van ongeveer gelijke afmetingen, dat eerst gebruikt werd gemaakt van één kweekruimte, dat later een tweede kweekruimte in gebruik is genomen en dat er toen ruimte was voor 1250 planten. Het hof leidt hieruit af dat voordat de tweede ruimte in gebruik werd genomen, het geteelde en verwerkte aantal planten per oogst ongeveer de helft van 1250 is geweest. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en verwerkt, (in een pand aan [adres 2] ) aanvankelijk telkens een hoeveelheid van 600, later een hoeveelheid van ongeveer 1250 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Kwalificatie: een grote hoeveelheid Het hof is van oordeel dat uitgaande van het bewezenverklaarde aantal geteelde hennepplanten, sprake is van ‘een grote hoeveelheid van een middel’ als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet en dat het bewezenverklaarde als zodanig gekwalificeerd kan worden. In artikel 1 lid 2 Opiumwetbesluit wordt bepaald dat van ‘een grote hoeveelheid van een middel’ sprake is bij een aantal van 200 hennepplanten of meer. Het hof zal het feit dan ook zo kwalificeren. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermaals gepleegd.
Volledig
Door verbalisant [verbalisant] werden koolstoffilters aangetroffen die behoorlijke gebruikssporen vertoonden. Gezien werd dat het filterdoek ernstig verkleurd was, wat een indicatie is voor een langere kweekperiode. Er bevonden zich houten droogrekken met daarop zichtbare hennepblaadjes. Ook werd een houten plaat met de afdruk van een hoeveelheid transformatoren aangetroffen, waarbij opgemerkt wordt dat verkleuring van hout pas na langere tijd optreedt in een binnenruimte. Dat in ruimte E langdurig hennep is gekweekt is volgens de verbalisant duidelijk geworden onder andere door de verkleuring van pur tussen de naden. Uit de verklaring van [getuige] en de tapgesprekken van [medeverdachte] op 19 februari 2020 volgt dat verdachte en [medeverdachte] gebrouilleerd raakten. Op 10 december 2019 is verdachte voor het laatst gezien bij de loods. De verhuurder van de loods, medeverdachte [getuige] , heeft op 1 juli 2020 onder meer het volgende verklaard: "A: …in 2017... is [naam 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) in de kwekerij gekomen om de boel over te nemen. … Hij kwam samen met [verdachte] . A: ...Ik begreep niet goed waarom, maar de opbrengsten zouden door drieën gedeeld worden. [verdachte] , [naam 1] en ik zouden alle drie hetzelfde krijgen. A: ... [verdachte] deed helemaal niet zo veel. Ja, hij hielp wel met knippen en dergelijke.... A: ...Die aansluiting in de kruipruimte was er vanaf 2015. In de tijd dat [naam 1] , [verdachte] en ik er zaten is in de loop van de tijd de elektriciteit van de kwekerij aangepast. Er zijn toen ook nieuwe lampen en airco's geïnstalleerd. ...Die installateur heet [naam 2] . ...De planten kwamen ook allemaal via hem aangeleverd. [verdachte] deed dat. Hij kocht de hennep ook op" V: Dus de rol van [naam 1] , die zit er vanaf 2015 in. Eerst als 'werknemer' voor die gasten uit [plaats 2] , daarna vanaf medio 2017 als eigenaar van de kwekerij samen met jou en [verdachte] A: "precies". Op 20 juni 2022 heeft [getuige] bij de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard: V: Wat was de rol van [verdachte] ? A "... [verdachte] heeft wel de hennepplantjes verzorgd en heeft die af en toe geregeld. Hij deed af en toe de verkoop van de hennep, hij hielp mee bij het oogsten en bij het opruimen van de rotzooi.” Medeverdachte [medeverdachte] heeft in een schriftelijke verklaring aangegeven dat er meerdere oogsten zijn geweest en dat op een gegeven moment is besloten er een tweede ruimte bij te maken. De tweede ruimte was volgens [medeverdachte] eind 2018, begin 2019 klaar en toen kon men 1250 planten kwijt . Bewijsoverweging Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019 opzettelijk in nauwe en bewuste samenwerking met anderen telkens een groot aantal hennepplanten heeft geteeld in de loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , van in ieder geval meer dan 200 planten. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [getuige] betrouwbaar zijn en daarom voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [getuige] heeft vrijwel vanaf de beginfase van het onderzoek openheid van zaken gegeven waarin hij belastend over verdachte en [medeverdachte] heeft verklaard, maar ook zichzelf niet heeft ontzien. De verklaring die [getuige] later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, komt in grote lijnen overeen met zijn eerdere verklaring. Hij heeft concreet, vanuit eigen gezichtspunt en inhoudelijk consistent verklaard. Zijn verklaringen worden bovendien ondersteund door de netmetingen en de door de verbalisanten in de loods aangetroffen hennepgerelateerde goederen en sporen van eerdere hennepteelten. Op grond van de verklaringen van [getuige] stelt het hof vast dat verdachte, samen met [getuige] en [medeverdachte] , betrokken is geweest bij het telen van hennep, dat sprake is geweest van meerdere kweken en dat verdachte een actieve rol heeft gehad bij het geheel. Verdachte regelde mede de aanlevering van hennepplanten, hielp mee met het verzorgen en oogsten van de planten en had een rol in de verkoop ervan. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten en een gezamenlijke uitvoering met hen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van het telen en verwerken van hennep bewezen. Volgens de netmetingen van Enexis is de kwekerij aangesloten op 17 april 2018, zodat het hof deze datum als aanvangsdatum van de hennepkwekerij zal nemen. Dat verdachte niet eerder dan op 12 november 2019 bij de loods is gesignaleerd, zoals door de raadsvrouw is betoogd, leidt niet tot het oordeel dat verdachte op dat latere moment pas betrokken is geraakt bij de kwekerij. De observaties van de politie zijn immers pas in oktober 2019 gestart en ook uit de verklaringen van [getuige] blijkt dat verdachte al veel eerder dan oktober 2019 betrokken is geraakt bij de kwekerij. Gelet op de observaties en met name de tapgesprekken waaruit volgt dat verdachte op een gegeven moment gebrouilleerd is geraakt met [medeverdachte] , acht het hof een einddatum van 10 december 2019 (het moment waarop verdachte voor het laatst bij de loods is gesignaleerd) aannemelijk. Anders dan de rechtbank, acht het hof bewezen dat sprake is van het meermaals (‘telkens’) telen van hennep in de bewezenverklaarde periode. Dat volgt uit de verklaringen van [getuige] en [medeverdachte] en de gebruikssporen van de ruimtes waarin de hennep gekweekt is, zoals die door verbalisant [verbalisant] zijn omschreven. Anders dan de rechtbank komt het hof niet tot bewezenverklaring van het in de tenlastelegging genoemde aantal van 1278 hennepplanten. Dit aantal betreft het aantal potten dat op 25 februari 2020 is aangetroffen. Het hof kan niet vaststellen dat tijdens de bewezenverklaarde periode telkens dit aantal hennepplanten is geteeld en verwerkt. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, in het bijzonder het hierboven weergegeven proces-verbaal van aantreffen en de schriftelijke verklaring van [medeverdachte] , vast dat sprake is geweest van twee kweekruimtes van ongeveer gelijke afmetingen, dat eerst gebruikt werd gemaakt van één kweekruimte, dat later een tweede kweekruimte in gebruik is genomen en dat er toen ruimte was voor 1250 planten. Het hof leidt hieruit af dat voordat de tweede ruimte in gebruik werd genomen, het geteelde en verwerkte aantal planten per oogst ongeveer de helft van 1250 is geweest. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en verwerkt, (in een pand aan [adres 2] ) aanvankelijk telkens een hoeveelheid van 600, later een hoeveelheid van ongeveer 1250 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Kwalificatie: een grote hoeveelheid Het hof is van oordeel dat uitgaande van het bewezenverklaarde aantal geteelde hennepplanten, sprake is van ‘een grote hoeveelheid van een middel’ als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet en dat het bewezenverklaarde als zodanig gekwalificeerd kan worden. In artikel 1 lid 2 Opiumwetbesluit wordt bepaald dat van ‘een grote hoeveelheid van een middel’ sprake is bij een aantal van 200 hennepplanten of meer. Het hof zal het feit dan ook zo kwalificeren. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermaals gepleegd.
Volledig
Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019 meermaals schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennep. Door zo te handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van illegale handel in hennep en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom illegale hennepteelt voordoet. Bovendien gaat illegale hennepteelt vaak gepaard met ongewenste en onrustgevende neveneffecten in de maatschappij in de vorm van een verhoogd risico op brandgevaar rondom teeltlocaties en schade voor de volksgezondheid bij veelvuldig gebruik van hennep. Het hof rekent het verdachte aan dat hij slechts heeft gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin. Voor de strafoplegging heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 17 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Dat heeft geen invloed op de door het hof op te leggen straf. Verdachte is na het plegen van het onderhavige feit wel (onherroepelijk) veroordeeld (dan wel heeft een strafbeschikking gekregen) voor een tweetal overtredingen. Het hof houdt bij de strafoplegging daarom rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte verklaart dat het goed gaat met zijn gezondheid. Hij werkt momenteel als zzp’er in de bouw en kan rondkomen van het inkomen dat er in zijn gezin binnenkomt. Verder verklaart verdachte dat hij nog steeds een woning in [land] in zijn bezit heeft. Bij de strafoplegging heeft het hof ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan voor artikel 3 onder B van de Opiumwet bij een hoeveelheid van 500 tot 1.000 hennepplanten uit van 180 uur taakstraf en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Wat betreft het procesverloop constateert het hof dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, nu er niet binnen twee jaar na het instellen van het rechtsmiddel einduitspraak is gedaan. De periode tussen het instellen van het hoger beroep op 6 oktober 2022 en de einduitspraak op 30 april 2026 beslaat ruim drie jaar en zes maanden. In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof ten aanzien van de strafzaak van verdachte volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het hof zal de overschrijding tot uitdrukking brengen in de samenhangende ontnemingszaak van verdachte, waarin ook sprake is van een overschrijding, zij het van kortere duur. Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voldoende gecompenseerd. Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Anders dan de rechtbank verbindt het hof aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van 2 jaren, nu verdachte gedurende de looptijd van het hoger beroep niet gerecidiveerd heeft. Een kortere proeftijd volstaat daarom. Gelet op de gebruikelijke straffen die worden opgelegd voor dergelijke strafbare feiten, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte er bovendien van weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. M.B. de Wit en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 april 2026. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Noord-Nederland, onderzoeknummer NN3RO19095/Nevada, tenzij hieronder anders wordt vermeld. Er wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Pagina 68 tot en met 77. Pagina 111 en 276, 2e alinea en pagina 277. Pagina 326 en 327. Pagina 367 tot en met 372. Pagina 368, 2e alinea. Pagina 347. Pagina 519. Pagina 710 tot en met 717, pagina 150 tot en met 155, pagina 160, 2e alinea,161, 4e alinea, pagina 163, bijschrift bij de 2e foto in combinatie met pagina 167 tot en met 171. Pagina 150 tot en met 155. Pagina 330, 2e alinea in combinatie met pagina 331 en pagina 333, bijschrift onder de 1e foto. Pagina’s 336, 341, 344 en 347. Pagina 410, 411 en 854. Pagina 716 en 717. Pagina 852 tot en met 854. Zie het proces-verbaal van het verhoor getuige [getuige] van 20 juni 2022 door de rechter-commissaris, pagina 3, 1e alinea. Een geschrift, te weten een verklaring van [medeverdachte] van 14 september 2022, pagina 3.
Volledig
Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich in de periode van 17 april 2018 tot en met 10 december 2019 meermaals schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennep. Door zo te handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van illegale handel in hennep en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom illegale hennepteelt voordoet. Bovendien gaat illegale hennepteelt vaak gepaard met ongewenste en onrustgevende neveneffecten in de maatschappij in de vorm van een verhoogd risico op brandgevaar rondom teeltlocaties en schade voor de volksgezondheid bij veelvuldig gebruik van hennep. Het hof rekent het verdachte aan dat hij slechts heeft gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin. Voor de strafoplegging heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 17 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Dat heeft geen invloed op de door het hof op te leggen straf. Verdachte is na het plegen van het onderhavige feit wel (onherroepelijk) veroordeeld (dan wel heeft een strafbeschikking gekregen) voor een tweetal overtredingen. Het hof houdt bij de strafoplegging daarom rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte verklaart dat het goed gaat met zijn gezondheid. Hij werkt momenteel als zzp’er in de bouw en kan rondkomen van het inkomen dat er in zijn gezin binnenkomt. Verder verklaart verdachte dat hij nog steeds een woning in [land] in zijn bezit heeft. Bij de strafoplegging heeft het hof ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan voor artikel 3 onder B van de Opiumwet bij een hoeveelheid van 500 tot 1.000 hennepplanten uit van 180 uur taakstraf en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Wat betreft het procesverloop constateert het hof dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, nu er niet binnen twee jaar na het instellen van het rechtsmiddel einduitspraak is gedaan. De periode tussen het instellen van het hoger beroep op 6 oktober 2022 en de einduitspraak op 30 april 2026 beslaat ruim drie jaar en zes maanden. In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof ten aanzien van de strafzaak van verdachte volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het hof zal de overschrijding tot uitdrukking brengen in de samenhangende ontnemingszaak van verdachte, waarin ook sprake is van een overschrijding, zij het van kortere duur. Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voldoende gecompenseerd. Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Anders dan de rechtbank verbindt het hof aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van 2 jaren, nu verdachte gedurende de looptijd van het hoger beroep niet gerecidiveerd heeft. Een kortere proeftijd volstaat daarom. Gelet op de gebruikelijke straffen die worden opgelegd voor dergelijke strafbare feiten, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte er bovendien van weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. M.B. de Wit en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 april 2026. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Noord-Nederland, onderzoeknummer NN3RO19095/Nevada, tenzij hieronder anders wordt vermeld. Er wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Pagina 68 tot en met 77. Pagina 111 en 276, 2e alinea en pagina 277. Pagina 326 en 327. Pagina 367 tot en met 372. Pagina 368, 2e alinea. Pagina 347. Pagina 519. Pagina 710 tot en met 717, pagina 150 tot en met 155, pagina 160, 2e alinea,161, 4e alinea, pagina 163, bijschrift bij de 2e foto in combinatie met pagina 167 tot en met 171. Pagina 150 tot en met 155. Pagina 330, 2e alinea in combinatie met pagina 331 en pagina 333, bijschrift onder de 1e foto. Pagina’s 336, 341, 344 en 347. Pagina 410, 411 en 854. Pagina 716 en 717. Pagina 852 tot en met 854. Zie het proces-verbaal van het verhoor getuige [getuige] van 20 juni 2022 door de rechter-commissaris, pagina 3, 1e alinea. Een geschrift, te weten een verklaring van [medeverdachte] van 14 september 2022, pagina 3.