Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-30
ECLI:NL:GHARL:2026:2681
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,961 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2681 text/xml public 2026-05-18T12:04:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 200.361.330/01 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2681 text/html public 2026-05-18T12:02:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2681 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / 200.361.330/01 Omgang. Zaak wordt aangehouden in afwachting van de traumabehandeling van de minderjarige. De GI wordt verzocht zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, het hof over zes maanden te informeren over de actuele situatie van de minderjarige en of in die situatie uitbreiding van de omgang met de moeder in het belang van de minderjarige is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.330 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 595834) beschikking van 30 april 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. A.L. Witteveen, en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI), gevestigd te Utrecht. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: de pleegouders van [de minderjarige] (de pleegouders), die wonen op een bij het hof bekend adres. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 augustus 2025, uitgesproken onder zaaknummer 595834 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 november 2025; - het standpuntstuk van de GI (verweerschrift). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI; - een vertegenwoordiger van de raad; - de pleegmoeder. 3. De feiten 3.1 [de minderjarige] is geboren [in] 2020 tijdens een relatie van de moeder met [naam1] (de vader). De vader heeft [de minderjarige] erkend, maar heeft al een aantal jaren geen contact meer met [de minderjarige] . 3.2 [de minderjarige] woont sinds maart 2021 bij de pleegouders. 3.3 Bij beschikking van 8 februari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een omgangsregeling vastgesteld waarbij de moeder en [de minderjarige] wekelijks onder regie van de GI begeleide omgang hebben gedurende twee uur per week. Deze omgangsregeling is in afstemming met de voogd en de moeder gewijzigd naar één keer in de twee weken onder begeleiding van [naam2] . 3.4 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 september 2024 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Bij beschikking van 18 februari 2025 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - met wijziging van de beschikking van 8 februari 2023 - als omgangsregeling vastgesteld dat [de minderjarige] minimaal één keer in de drie weken begeleide omgang heeft met de moeder, waarbij de voogd de regie heeft over de organisatie van de omgang. 4.2 De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en: Primair I. te bepalen dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen; II. te bepalen dat de beschikking van 8 februari 2023 wordt gewijzigd, in die zin dat moeder recht heeft op minimaal één keer in de twee weken, twee uur, begeleide omgang met [de minderjarige] ; Subsidiair III. een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht. 4.3 De GI wil dat de beslissing in stand blijft. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Het uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouder, ook als deze niet (meer) het gezag heeft. De rechter kan een omgangsregeling wijzigen als er een wijziging van omstandigheden is. Deze uitgangspunten gelden ook als de GI de voogdij over het kind heeft. 5.2 De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het beperken van de omgangsregeling [de minderjarige] meer rust zal geven. Volgens de moeder is door de beperking van de omgang het afscheid na de omgang voor [de minderjarige] moeilijker geworden en stelt [de minderjarige] vragen aan haar waaruit blijkt dat [de minderjarige] onzeker is over de omgang, bijvoorbeeld of de moeder wel blij was met haar geboorte. Verder blijkt uit de rapportage van de GI dat [de minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt ondanks het gedrag dat zij laat zien. De moeder wil de zorgen en het feit dat [de minderjarige] hersteltijd nodig heeft na de omgang niet bagatelliseren. Alleen wil dit niet zeggen dat dit komt omdat de omgang te frequent plaatsvindt en dat het gedrag van [de minderjarige] verbetert wanneer de frequentie wordt beperkt. Dit is volgens de moeder op geen enkele wijze onderbouwd dan wel onderzocht. Toen sprake was van één keer per week omgang was de hersteltijd korter dan nu het geval is, aldus de moeder. 5.3 De GI stelt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de omgangsregeling eens per twee weken te laten plaatsvinden. Het gedrag van [de minderjarige] lijkt nu na de omgang minder heftig te zijn en zij heeft geen week hersteltijd meer nodig. Op deze manier heeft [de minderjarige] meer tijd om tot ontwikkeling te komen. Bovendien gaat [de minderjarige] starten met EMDR-therapie en daarvoor is rust en stabiliteit nodig. De hoop is dat [de minderjarige] minder last van de omgangsregeling krijgt door de therapie en als dat het geval is denkt de GI op dit moment dat de omgangsregeling eerder in duur kan worden uitgebreid dan in frequentie. Er is nu een minimale regeling vastgesteld en tijdens de evaluaties zal moeten worden bekeken of een uitbreiding mogelijk is. Daarvoor is het wel nodig dat de moeder bij de evaluaties aanwezig is. De moeder wil op dit moment niet in gesprek met de GI en ook reageert zij niet op e-mails. 5.4 De raad heeft op de zitting gezegd dat op dit moment de beslissing van de rechtbank om de omgang terug te brengen van eens per twee weken naar eens per drie weken de juiste beslissing is. [de minderjarige] laat zorgelijk gedrag zien na de omgang en komt daardoor tot stilstand in haar ontwikkeling. Onderzocht moeten worden wat de oorzaak van dit gedrag van [de minderjarige] is. Voor nu heeft [de minderjarige] rust nodig om haar traumabehandeling aan te gaan. Afhankelijk van het verloop van deze traumabehandeling kan worden bekeken of een opbouw naar eens per twee weken omgang met de moeder mogelijk is. 5.5 Het hof overweegt het volgende. Op grond van de stukken die in het dossier zitten en wat op de zitting is besproken, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] . Tijdens de zitting heeft het hof met partijen besproken welke stukken in het dossier zitten en werd geconstateerd dat bijvoorbeeld de meest recente rapportage van de GI mist, want in het dossier zit een rapportage van 28 oktober 2024. Deze rapportage is inmiddels bijna anderhalf jaar oud. Het is aan de GI haar stelling dat het in belang van [de minderjarige] is dat de omgang met de moeder wordt beperkt, te onderbouwen met actuele schriftelijke informatie (niet alleen van de GI). Daartoe behoren onder meer recente verslagen over de begeleide omgang en alle verdere relevante stukken die de stelling van de GI kunnen onderbouwen. Bovendien wil het hof inzicht in het verloop van de traumabehandeling die [de minderjarige] op korte termijn gaat starten en welke mogelijkheden [de minderjarige] na deze behandeling heeft in het contact met de moeder.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2681 text/xml public 2026-05-18T12:04:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 200.361.330/01 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2681 text/html public 2026-05-18T12:02:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2681 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / 200.361.330/01 Omgang. Zaak wordt aangehouden in afwachting van de traumabehandeling van de minderjarige. De GI wordt verzocht zoveel mogelijk onderbouwd met de nodige bewijsstukken, het hof over zes maanden te informeren over de actuele situatie van de minderjarige en of in die situatie uitbreiding van de omgang met de moeder in het belang van de minderjarige is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.330 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 595834) beschikking van 30 april 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. A.L. Witteveen, en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI), gevestigd te Utrecht. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: de pleegouders van [de minderjarige] (de pleegouders), die wonen op een bij het hof bekend adres. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 augustus 2025, uitgesproken onder zaaknummer 595834 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 november 2025; - het standpuntstuk van de GI (verweerschrift). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI; - een vertegenwoordiger van de raad; - de pleegmoeder. 3. De feiten 3.1 [de minderjarige] is geboren [in] 2020 tijdens een relatie van de moeder met [naam1] (de vader). De vader heeft [de minderjarige] erkend, maar heeft al een aantal jaren geen contact meer met [de minderjarige] . 3.2 [de minderjarige] woont sinds maart 2021 bij de pleegouders. 3.3 Bij beschikking van 8 februari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam een omgangsregeling vastgesteld waarbij de moeder en [de minderjarige] wekelijks onder regie van de GI begeleide omgang hebben gedurende twee uur per week. Deze omgangsregeling is in afstemming met de voogd en de moeder gewijzigd naar één keer in de twee weken onder begeleiding van [naam2] . 3.4 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 september 2024 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Bij beschikking van 18 februari 2025 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - met wijziging van de beschikking van 8 februari 2023 - als omgangsregeling vastgesteld dat [de minderjarige] minimaal één keer in de drie weken begeleide omgang heeft met de moeder, waarbij de voogd de regie heeft over de organisatie van de omgang. 4.2 De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en: Primair I. te bepalen dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen; II. te bepalen dat de beschikking van 8 februari 2023 wordt gewijzigd, in die zin dat moeder recht heeft op minimaal één keer in de twee weken, twee uur, begeleide omgang met [de minderjarige] ; Subsidiair III. een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht. 4.3 De GI wil dat de beslissing in stand blijft. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Het uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouder, ook als deze niet (meer) het gezag heeft. De rechter kan een omgangsregeling wijzigen als er een wijziging van omstandigheden is. Deze uitgangspunten gelden ook als de GI de voogdij over het kind heeft. 5.2 De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het beperken van de omgangsregeling [de minderjarige] meer rust zal geven. Volgens de moeder is door de beperking van de omgang het afscheid na de omgang voor [de minderjarige] moeilijker geworden en stelt [de minderjarige] vragen aan haar waaruit blijkt dat [de minderjarige] onzeker is over de omgang, bijvoorbeeld of de moeder wel blij was met haar geboorte. Verder blijkt uit de rapportage van de GI dat [de minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt ondanks het gedrag dat zij laat zien. De moeder wil de zorgen en het feit dat [de minderjarige] hersteltijd nodig heeft na de omgang niet bagatelliseren. Alleen wil dit niet zeggen dat dit komt omdat de omgang te frequent plaatsvindt en dat het gedrag van [de minderjarige] verbetert wanneer de frequentie wordt beperkt. Dit is volgens de moeder op geen enkele wijze onderbouwd dan wel onderzocht. Toen sprake was van één keer per week omgang was de hersteltijd korter dan nu het geval is, aldus de moeder. 5.3 De GI stelt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de omgangsregeling eens per twee weken te laten plaatsvinden. Het gedrag van [de minderjarige] lijkt nu na de omgang minder heftig te zijn en zij heeft geen week hersteltijd meer nodig. Op deze manier heeft [de minderjarige] meer tijd om tot ontwikkeling te komen. Bovendien gaat [de minderjarige] starten met EMDR-therapie en daarvoor is rust en stabiliteit nodig. De hoop is dat [de minderjarige] minder last van de omgangsregeling krijgt door de therapie en als dat het geval is denkt de GI op dit moment dat de omgangsregeling eerder in duur kan worden uitgebreid dan in frequentie. Er is nu een minimale regeling vastgesteld en tijdens de evaluaties zal moeten worden bekeken of een uitbreiding mogelijk is. Daarvoor is het wel nodig dat de moeder bij de evaluaties aanwezig is. De moeder wil op dit moment niet in gesprek met de GI en ook reageert zij niet op e-mails. 5.4 De raad heeft op de zitting gezegd dat op dit moment de beslissing van de rechtbank om de omgang terug te brengen van eens per twee weken naar eens per drie weken de juiste beslissing is. [de minderjarige] laat zorgelijk gedrag zien na de omgang en komt daardoor tot stilstand in haar ontwikkeling. Onderzocht moeten worden wat de oorzaak van dit gedrag van [de minderjarige] is. Voor nu heeft [de minderjarige] rust nodig om haar traumabehandeling aan te gaan. Afhankelijk van het verloop van deze traumabehandeling kan worden bekeken of een opbouw naar eens per twee weken omgang met de moeder mogelijk is. 5.5 Het hof overweegt het volgende. Op grond van de stukken die in het dossier zitten en wat op de zitting is besproken, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] . Tijdens de zitting heeft het hof met partijen besproken welke stukken in het dossier zitten en werd geconstateerd dat bijvoorbeeld de meest recente rapportage van de GI mist, want in het dossier zit een rapportage van 28 oktober 2024. Deze rapportage is inmiddels bijna anderhalf jaar oud. Het is aan de GI haar stelling dat het in belang van [de minderjarige] is dat de omgang met de moeder wordt beperkt, te onderbouwen met actuele schriftelijke informatie (niet alleen van de GI). Daartoe behoren onder meer recente verslagen over de begeleide omgang en alle verdere relevante stukken die de stelling van de GI kunnen onderbouwen. Bovendien wil het hof inzicht in het verloop van de traumabehandeling die [de minderjarige] op korte termijn gaat starten en welke mogelijkheden [de minderjarige] na deze behandeling heeft in het contact met de moeder.