Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:2656
Strafrecht
Hoger beroep
49,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2656 text/xml public 2026-05-08T15:26:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 21-005064-20 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2656 text/html public 2026-05-08T15:25:57 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2656 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 21-005064-20 Megazaak Kringloop. Het hof veroordeelt verdachte voor oplichting, misbruik van persoonsgegevens, computervredebreuk en deelneming aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op geraffineerde wijze in georganiseerd verband – via advertenties op Marktplaats – een groot aantal mensen opgelicht. Verder heeft het hof nog beslissingen genomen omtrent het beslag en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005064-20 Uitspraakdatum: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 december 2020 met parketnummer 08-953028-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [plaats] , [straat] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 november 2025, 19 december 2025 en 10 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft verder kennis genomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht. Het vonnis De rechtbank heeft de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard, deze gekwalificeerd als: - oplichting, meermalen gepleegd (feit 1 en feit 2); identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken (feit 3); computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd (feit 4), en; deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 5); en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden en twee weken, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van de volgende benadeelde partijen toegewezen: [benadeelde 1] (€ 250,-), [benadeelde 2] (€ 100,-), [benadeelde 3] (€ 90.088,87), [benadeelde 4] (€ 720,-), [benadeelde 5] (€ 727,24), [slachtoffer] (€ 940,-), [benadeelde 7] (€ 4.578,20), [benadeelde 8] (€ 679,-), [benadeelde 9] (€ 969,-), [benadeelde 10] (€ 163,44) en [slachtoffer] (€ 755,-). De benadeelde partij [benadeelde 10] is voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. De toegewezen schadebedragen zijn steeds vermeerderd met de wettelijke rente en ook heeft rechtbank steeds de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder heeft de rechtbank een geldbedrag van € 175.000,- verbeurd verklaard, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Deze benadeelde partijen hebben niet te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven, zodat deze vorderingen niet aan de orde zijn in hoger beroep. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging nader omschreven en nadien gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 te [plaats] en/of één of meer andere plaatsen, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde 1] (aangifte 31, p. 1348 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 34, p. 1383 ev. dossier) - [benadeelde 2] (aangifte 35, p. 1393 ev. dossier) en/of - [slachtoffer] (aangifte 30, p. 1425 ev. dossier) en/of één of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door die aangevers/benadeelden op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer] via 'Whattsapp' contact opgenomen met die aangevers/benadeelden, - zich voorgedaan als [naam] en/of [naam] (en/of daarbij) een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers/benadeelden verstuurd/verzonden, - aan aangevers/benadeelden gevraagd om een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas terug te sturen, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in op omstreeks de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [slachtoffer] (aangever 73, p.1600 dossier), - [slachtoffer] (aangever 87, p.1700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 293, p. 1900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 291, p. 2100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 312, p. 2200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 304, p. 2400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 310, p. 2700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 319, p. 2900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 355, p. 3100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 323, p. 3300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 388, p. 3400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 387, p. 3600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 359, p. 3700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 325, p. 3900 dossier) - [benadeelde 7] (aangever 372, p. 4100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 348, p. 4300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 317, p. 4500 dossier) - [slachtoffer] (aangever 327, p. 4700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 334, p.5032 dossier) - [slachtoffer] (aangever 341, p. 5200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 340, p. 5400 dossier) - [slachtoffer] (p. 5600 dossier) - [benadeelde 8] (aangever 93, p. 6500 dossier) - [benadeelde 9] (aangever 356, p.7000 dossier) - [benadeelde 10] (aangever 376, p.7200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 303, p.7600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 313, p. 7900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 353, p.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2656 text/xml public 2026-05-08T15:26:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 21-005064-20 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2656 text/html public 2026-05-08T15:25:57 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2656 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 21-005064-20 Megazaak Kringloop. Het hof veroordeelt verdachte voor oplichting, misbruik van persoonsgegevens, computervredebreuk en deelneming aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op geraffineerde wijze in georganiseerd verband – via advertenties op Marktplaats – een groot aantal mensen opgelicht. Verder heeft het hof nog beslissingen genomen omtrent het beslag en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005064-20 Uitspraakdatum: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 december 2020 met parketnummer 08-953028-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [plaats] , [straat] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 november 2025, 19 december 2025 en 10 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft verder kennis genomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht. Het vonnis De rechtbank heeft de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard, deze gekwalificeerd als: - oplichting, meermalen gepleegd (feit 1 en feit 2); identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken (feit 3); computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd (feit 4), en; deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 5); en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden en twee weken, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van de volgende benadeelde partijen toegewezen: [benadeelde 1] (€ 250,-), [benadeelde 2] (€ 100,-), [benadeelde 3] (€ 90.088,87), [benadeelde 4] (€ 720,-), [benadeelde 5] (€ 727,24), [slachtoffer] (€ 940,-), [benadeelde 7] (€ 4.578,20), [benadeelde 8] (€ 679,-), [benadeelde 9] (€ 969,-), [benadeelde 10] (€ 163,44) en [slachtoffer] (€ 755,-). De benadeelde partij [benadeelde 10] is voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. De toegewezen schadebedragen zijn steeds vermeerderd met de wettelijke rente en ook heeft rechtbank steeds de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder heeft de rechtbank een geldbedrag van € 175.000,- verbeurd verklaard, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Deze benadeelde partijen hebben niet te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven, zodat deze vorderingen niet aan de orde zijn in hoger beroep. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging nader omschreven en nadien gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 te [plaats] en/of één of meer andere plaatsen, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde 1] (aangifte 31, p. 1348 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 34, p. 1383 ev. dossier) - [benadeelde 2] (aangifte 35, p. 1393 ev. dossier) en/of - [slachtoffer] (aangifte 30, p. 1425 ev. dossier) en/of één of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door die aangevers/benadeelden op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer] via 'Whattsapp' contact opgenomen met die aangevers/benadeelden, - zich voorgedaan als [naam] en/of [naam] (en/of daarbij) een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers/benadeelden verstuurd/verzonden, - aan aangevers/benadeelden gevraagd om een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas terug te sturen, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in op omstreeks de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [slachtoffer] (aangever 73, p.1600 dossier), - [slachtoffer] (aangever 87, p.1700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 293, p. 1900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 291, p. 2100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 312, p. 2200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 304, p. 2400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 310, p. 2700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 319, p. 2900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 355, p. 3100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 323, p. 3300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 388, p. 3400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 387, p. 3600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 359, p. 3700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 325, p. 3900 dossier) - [benadeelde 7] (aangever 372, p. 4100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 348, p. 4300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 317, p. 4500 dossier) - [slachtoffer] (aangever 327, p. 4700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 334, p.5032 dossier) - [slachtoffer] (aangever 341, p. 5200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 340, p. 5400 dossier) - [slachtoffer] (p. 5600 dossier) - [benadeelde 8] (aangever 93, p. 6500 dossier) - [benadeelde 9] (aangever 356, p.7000 dossier) - [benadeelde 10] (aangever 376, p.7200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 303, p.7600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 313, p. 7900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 353, p.
Volledig
8000 dossier) en/of één of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] bank aan verdachte en/of diens mededader(s) immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een afbeelding van een (vals) identiteitsbewijs en/of bankpas, althans een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde persoon/personen verzonden, - aan voornoemde persoon/personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - een of meer Whatsapp bericht(en) naar voornoemde persoon/personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die persoon/personen een cijfer- en/of bevestigingscode moest(en) doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde persoon/personen die code('s) heeft/hebben doorgegeven en/of - vervolgens nog één of meerdere Whatsapp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde persoon/personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien, althans woorden van dergelijke aard of strekking (al dan niet in een andere volgorde en/of samenstelling); 3. hij in of omstreeks 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander of anderen te weten: - ( een deel / delen van) de voorna(a)m(en) en/of achterna(a)m(en) van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van [slachtoffer] (aangifte p. 9107 ev. dossier), [naam] (aangifte 235, p. 9206 ev. dossier), [slachtoffer] (aangifte 293, p. 1900 ev dossier), en/of één of meer andere personen heeft/hebben gebruikt door - ( telkens) (een deel / delen van) de voorna(a)m(en) en/of achterna(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer] , [naam] en/of [slachtoffer] te noemen en/of te vermelden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen/verzenden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar - [slachtoffer] (aangifte 325), - [slachtoffer] (aangifte 341) - [slachtoffer] (aangifte 348) en/of - [slachtoffer] (aangifte 291), - [slachtoffer] (aangifte 293), - [slachtoffer] , (aangifte 312) en/of - [slachtoffer] , (aangifte 355) - [slachtoffer] , (aangifte 323) - [slachtoffer] (aangifte 319), en/of één of meer andere personen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 en/of op of omstreeks 18 december 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van de bank ( [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] ) van één of meer personen, waaronder: - [slachtoffer] (aangifte 91, p. 9310 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 328, p. 9321 ev. dossier), en/of één of meer andere personen, is binnengedrongen a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats i.v.m. een door hen te koop aangeboden artikel, - via Whatsapp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via Whatsapp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [naam] en/of [slachtoffer] en/of één of meer andere personen waardoor/waarmee hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich heeft/hebben voorgedaan als een bonafide koper van één of meer goederen - via Whatsapp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die/een valse hoedanigheid, althans onrechtmatig, althans vals verkregen inloggegevens/inlogcodes en/of bevestigingscodes in te loggen op/in de webserver en/of de mobiel internetbankieren pagina/app/bankomgeving van de bank van die [slachtoffer] , [slachtoffer] en/of één of meer andere personen; en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekening(en) over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven); Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 4 ten laste gelegde medeplegen en het ten aanzien van dat feit tenlastegelegde bestanddeel ‘door een technische ingreep’ en de strafverzwarende omstandigheid van art. 138ab lid 2 Sr. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnota – bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat hij deze feiten gepleegd heeft. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor zover het de vier aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] betreft. Voor de overige aangevers moet vrijspraak volgen vanwege onvoldoende bewijs. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor zover het de drie aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] betreft. Ook hier moet volgens de raadsman voor de overige aangevers vrijspraak volgen vanwege onvoldoende bewijs. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het oordeel over de bewezenverklaring (grotendeels) op de juiste wijze uiteen heeft gezet. Het hof neemt daarom deze bewijsoverwegingen en de uiteenzetting van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage over en zal deze hierna cursief weergeven.
Volledig
8000 dossier) en/of één of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] bank aan verdachte en/of diens mededader(s) immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een afbeelding van een (vals) identiteitsbewijs en/of bankpas, althans een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde persoon/personen verzonden, - aan voornoemde persoon/personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - een of meer Whatsapp bericht(en) naar voornoemde persoon/personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die persoon/personen een cijfer- en/of bevestigingscode moest(en) doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde persoon/personen die code('s) heeft/hebben doorgegeven en/of - vervolgens nog één of meerdere Whatsapp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde persoon/personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien, althans woorden van dergelijke aard of strekking (al dan niet in een andere volgorde en/of samenstelling); 3. hij in of omstreeks 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander of anderen te weten: - ( een deel / delen van) de voorna(a)m(en) en/of achterna(a)m(en) van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van [slachtoffer] (aangifte p. 9107 ev. dossier), [naam] (aangifte 235, p. 9206 ev. dossier), [slachtoffer] (aangifte 293, p. 1900 ev dossier), en/of één of meer andere personen heeft/hebben gebruikt door - ( telkens) (een deel / delen van) de voorna(a)m(en) en/of achterna(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer] , [naam] en/of [slachtoffer] te noemen en/of te vermelden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen/verzenden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar - [slachtoffer] (aangifte 325), - [slachtoffer] (aangifte 341) - [slachtoffer] (aangifte 348) en/of - [slachtoffer] (aangifte 291), - [slachtoffer] (aangifte 293), - [slachtoffer] , (aangifte 312) en/of - [slachtoffer] , (aangifte 355) - [slachtoffer] , (aangifte 323) - [slachtoffer] (aangifte 319), en/of één of meer andere personen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 en/of op of omstreeks 18 december 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van de bank ( [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] ) van één of meer personen, waaronder: - [slachtoffer] (aangifte 91, p. 9310 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 328, p. 9321 ev. dossier), en/of één of meer andere personen, is binnengedrongen a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats i.v.m. een door hen te koop aangeboden artikel, - via Whatsapp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via Whatsapp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [naam] en/of [slachtoffer] en/of één of meer andere personen waardoor/waarmee hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich heeft/hebben voorgedaan als een bonafide koper van één of meer goederen - via Whatsapp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die/een valse hoedanigheid, althans onrechtmatig, althans vals verkregen inloggegevens/inlogcodes en/of bevestigingscodes in te loggen op/in de webserver en/of de mobiel internetbankieren pagina/app/bankomgeving van de bank van die [slachtoffer] , [slachtoffer] en/of één of meer andere personen; en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekening(en) over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven); Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 4 ten laste gelegde medeplegen en het ten aanzien van dat feit tenlastegelegde bestanddeel ‘door een technische ingreep’ en de strafverzwarende omstandigheid van art. 138ab lid 2 Sr. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnota – bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat hij deze feiten gepleegd heeft. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor zover het de vier aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] betreft. Voor de overige aangevers moet vrijspraak volgen vanwege onvoldoende bewijs. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor zover het de drie aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] betreft. Ook hier moet volgens de raadsman voor de overige aangevers vrijspraak volgen vanwege onvoldoende bewijs. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het oordeel over de bewezenverklaring (grotendeels) op de juiste wijze uiteen heeft gezet. Het hof neemt daarom deze bewijsoverwegingen en de uiteenzetting van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage over en zal deze hierna cursief weergeven.
Volledig
Hierbij geldt dat waar ‘rechtbank’ en ‘officieren van justitie’ geschreven staat, respectievelijk het ‘hof’ en de ‘advocaat-generaal’ gelezen moet worden. Aanvullingen van het hof worden niet cursief weergegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij niet de hoofddader is, maar hooguit als medeplichtige is aan te merken. Hij heeft weliswaar goederen opgehaald, geld gepind en pasjes geregeld, maar is nooit de rekening of de online bankierenomgeving van andere mensen binnengedrongen. Volgens verdachte werd hij door iemand anders aangestuurd. Van deze persoon kreeg hij concrete instructies en aanwijzingen, die hij vervolgens weer aan andere personen moest doorgeven. Het hof overweegt dat deze verklaring op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of verifieerbaar is gemaakt. De verklaring vindt ook geen steun in het dossier. De verdachte heeft geen naam willen noemen van de persoon van wie hij aanwijzingen en instructies kreeg. Het hof meent daarom dat aan de verklaring van verdachte dat hij heeft gehandeld in opdracht van een ander geen geloof kan worden gehecht. Bovendien bevat het dossier daarvoor geen enkele aanwijzing. Het tegendeel lijkt eerder het geval. Uit de bewijsmiddelen, waarop hierna wordt ingegaan volgt dat in sommige gevallen de tijdspanne waarbinnen de opnamelimiet van de bankrekening van de benadeelde is verhoogd of de overschrijving op de rekening van de katvanger is geschied en de door verdachte gegeven instructies aan de pinner zodanig klein is dat het onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is dat daartussen (nog) instructies van een derde aan verdachte kunnen zijn gegeven. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, onbetrouwbaar is en daarom moet worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat [medeverdachte 1] – ten opzichte van zijn eerdere verklaring bij de politie – tegenstrijdig heeft verklaard en dat hij daarmee zijn eigen straatje wil schoonvegen en zijn eigen rol wil minimaliseren. Het hof overweegt dat, hoewel [medeverdachte 1] er belang bij kan hebben zijn eigen rol te minimaliseren, dit niet per definitie betekent dat zijn verklaring onbetrouwbaar is. Het hof heeft onderzocht of de verklaringen van [medeverdachte 1] over de rol van verdachte aansluit bij de overige bewijsmiddelen en of deze zijn verklaring ondersteunen. De conclusie van het hof is dat dit het geval is. Het hof acht de verklaringen daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. 4.3.1 De bewijsoverwegingen van de rechtbank 4 3.1.1 Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank zal de feiten 1 en 2 vanwege de samenhang tezamen behandelen. Deze feiten betreffen het (mede)plegen van oplichting, waarbij de volgende werkwijzen gehanteerd zouden zijn. werkwijze 1 (feit 1 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een spelcomputer te koop vraagt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij zo’n spelcomputer te koop heeft. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de spelcomputer overeen. X wint het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon) toe te sturen. X vraagt de aangever het overeengekomen bedrag over te maken op een door hem doorgegeven bankrekeningnummer. De aangever maakt daarop het overeengekomen bedrag over op dat bankrekeningnummer, maar X stuurt geen spelcomputer op en de aangever is zijn geld kwijt. B. De bankrekening waarvan het nummer door X aan de aangever is doorgegeven staat op naam van een katvanger. Het door de aangever overgemaakte bedrag nemen X of een van zijn handlangers, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. werkwijze 2 (feit 2 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een DVD recorder te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in de DVD recorder. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de DVD recorder overeen. Ook hier wint X het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. X vraagt of aangever een foto van zijn bankpas terugstuurt. X bericht dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via een zakelijke bankrekening. X vraagt aangever de betaling te bevestigen door een cijfer- en/of bevestigingscode door te geven. De aangever laat zich door X instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt X alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de aangever. B. X kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de aangever activeren op zijn telefoon en is in staat om, zonder toestemming van de aangever, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een katvanger. Ook betaalt hij vanaf de bankrekening van de aangever goederen die hij online bestelt bij een webshop (van onder meer Media Markt en BCC), waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De op de bankrekening van de katvanger overgeboekte bedragen nemen handlangers van X, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. De online bestelde goederen halen handlangers van X af bij de betreffende winkel. Aan [verdachte] is onder 1 ten laste gelegd dat hij de vier genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag (zoals X in werkwijze 1, onder A) en onder 2 dat hij de 28 genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van de inloggegevens en transactiecodes van hun bankrekeningen (zoals X in werkwijze 2, onder A). De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1 en 2 De onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde 32 aangevers zijn allen telefonisch, via WhatsApp, benaderd. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende zes telefoonnummers: [telefoonnummer] periode 11maart 2016 t/m 28 april 2016 7 aangevers [telefoonnummer] periode 22 november 2016 t/m 10 december 2016 9 aangevers [telefoonnummer] periode 14 december 2016 t/m 7 januari 2017 11 aangevers [telefoonnummer] op 9 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer] op 20 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer] periode 25 januari 2017 t/m 4 februari 2017 3 aangevers De vraag is of verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die de betreffende telefoonnummers in de contacten met de aangevers heeft gebruikt. De rechtbank zal deze vraag per telefoonnummer beantwoorden. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is in de periode van 11 maart 2016 tot en met 28 april 2016 in het contact met de volgende zeven aangevers gebruikt. Aangever [slachtoffer] is op 11 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde en een kopie van zijn identiteitsbewijs naar [slachtoffer] gestuurd heeft. [slachtoffer] heeft € 250,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] (dat zou een collega van [naam] zijn), als aanbetaling voor een formaatzaag die hij niet ontvangen heeft. In het appverkeer is door de persoon die zich [naam] noemde in eerste instantie bankrekening [rekeningnummer] genoemd. Deze bankrekening stond op naam van [bedrijf 4] en is geopend door [verdachte] . Aangever [benadeelde 1] is op 12 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [naam] naar [benadeelde 1] geappt. Daarop heeft [benadeelde 1] € 250,-- overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , als voorschot voor een Samsung telefoon. Deze telefoon is niet geleverd. Aangeefster [slachtoffer] is op 16 maart 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde.
Volledig
Hierbij geldt dat waar ‘rechtbank’ en ‘officieren van justitie’ geschreven staat, respectievelijk het ‘hof’ en de ‘advocaat-generaal’ gelezen moet worden. Aanvullingen van het hof worden niet cursief weergegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij niet de hoofddader is, maar hooguit als medeplichtige is aan te merken. Hij heeft weliswaar goederen opgehaald, geld gepind en pasjes geregeld, maar is nooit de rekening of de online bankierenomgeving van andere mensen binnengedrongen. Volgens verdachte werd hij door iemand anders aangestuurd. Van deze persoon kreeg hij concrete instructies en aanwijzingen, die hij vervolgens weer aan andere personen moest doorgeven. Het hof overweegt dat deze verklaring op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of verifieerbaar is gemaakt. De verklaring vindt ook geen steun in het dossier. De verdachte heeft geen naam willen noemen van de persoon van wie hij aanwijzingen en instructies kreeg. Het hof meent daarom dat aan de verklaring van verdachte dat hij heeft gehandeld in opdracht van een ander geen geloof kan worden gehecht. Bovendien bevat het dossier daarvoor geen enkele aanwijzing. Het tegendeel lijkt eerder het geval. Uit de bewijsmiddelen, waarop hierna wordt ingegaan volgt dat in sommige gevallen de tijdspanne waarbinnen de opnamelimiet van de bankrekening van de benadeelde is verhoogd of de overschrijving op de rekening van de katvanger is geschied en de door verdachte gegeven instructies aan de pinner zodanig klein is dat het onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is dat daartussen (nog) instructies van een derde aan verdachte kunnen zijn gegeven. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, onbetrouwbaar is en daarom moet worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat [medeverdachte 1] – ten opzichte van zijn eerdere verklaring bij de politie – tegenstrijdig heeft verklaard en dat hij daarmee zijn eigen straatje wil schoonvegen en zijn eigen rol wil minimaliseren. Het hof overweegt dat, hoewel [medeverdachte 1] er belang bij kan hebben zijn eigen rol te minimaliseren, dit niet per definitie betekent dat zijn verklaring onbetrouwbaar is. Het hof heeft onderzocht of de verklaringen van [medeverdachte 1] over de rol van verdachte aansluit bij de overige bewijsmiddelen en of deze zijn verklaring ondersteunen. De conclusie van het hof is dat dit het geval is. Het hof acht de verklaringen daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. 4.3.1 De bewijsoverwegingen van de rechtbank 4 3.1.1 Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank zal de feiten 1 en 2 vanwege de samenhang tezamen behandelen. Deze feiten betreffen het (mede)plegen van oplichting, waarbij de volgende werkwijzen gehanteerd zouden zijn. werkwijze 1 (feit 1 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een spelcomputer te koop vraagt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij zo’n spelcomputer te koop heeft. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de spelcomputer overeen. X wint het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon) toe te sturen. X vraagt de aangever het overeengekomen bedrag over te maken op een door hem doorgegeven bankrekeningnummer. De aangever maakt daarop het overeengekomen bedrag over op dat bankrekeningnummer, maar X stuurt geen spelcomputer op en de aangever is zijn geld kwijt. B. De bankrekening waarvan het nummer door X aan de aangever is doorgegeven staat op naam van een katvanger. Het door de aangever overgemaakte bedrag nemen X of een van zijn handlangers, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. werkwijze 2 (feit 2 van de tenlastelegging) A. De aangever plaatst op Markplaats een advertentie waarin hij bijvoorbeeld een DVD recorder te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. X reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in de DVD recorder. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen X en de aangever een bedrag voor de DVD recorder overeen. Ook hier wint X het vertrouwen van de aangever door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. X vraagt of aangever een foto van zijn bankpas terugstuurt. X bericht dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via een zakelijke bankrekening. X vraagt aangever de betaling te bevestigen door een cijfer- en/of bevestigingscode door te geven. De aangever laat zich door X instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt X alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de aangever. B. X kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de aangever activeren op zijn telefoon en is in staat om, zonder toestemming van de aangever, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een katvanger. Ook betaalt hij vanaf de bankrekening van de aangever goederen die hij online bestelt bij een webshop (van onder meer Media Markt en BCC), waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De op de bankrekening van de katvanger overgeboekte bedragen nemen handlangers van X, kort nadat de overboeking heeft plaatsgevonden, contant op bij een pinautomaat. De online bestelde goederen halen handlangers van X af bij de betreffende winkel. Aan [verdachte] is onder 1 ten laste gelegd dat hij de vier genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag (zoals X in werkwijze 1, onder A) en onder 2 dat hij de 28 genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van de inloggegevens en transactiecodes van hun bankrekeningen (zoals X in werkwijze 2, onder A). De bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1 en 2 De onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde 32 aangevers zijn allen telefonisch, via WhatsApp, benaderd. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende zes telefoonnummers: [telefoonnummer] periode 11maart 2016 t/m 28 april 2016 7 aangevers [telefoonnummer] periode 22 november 2016 t/m 10 december 2016 9 aangevers [telefoonnummer] periode 14 december 2016 t/m 7 januari 2017 11 aangevers [telefoonnummer] op 9 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer] op 20 januari 2017 1 aangever [telefoonnummer] periode 25 januari 2017 t/m 4 februari 2017 3 aangevers De vraag is of verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die de betreffende telefoonnummers in de contacten met de aangevers heeft gebruikt. De rechtbank zal deze vraag per telefoonnummer beantwoorden. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is in de periode van 11 maart 2016 tot en met 28 april 2016 in het contact met de volgende zeven aangevers gebruikt. Aangever [slachtoffer] is op 11 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde en een kopie van zijn identiteitsbewijs naar [slachtoffer] gestuurd heeft. [slachtoffer] heeft € 250,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] (dat zou een collega van [naam] zijn), als aanbetaling voor een formaatzaag die hij niet ontvangen heeft. In het appverkeer is door de persoon die zich [naam] noemde in eerste instantie bankrekening [rekeningnummer] genoemd. Deze bankrekening stond op naam van [bedrijf 4] en is geopend door [verdachte] . Aangever [benadeelde 1] is op 12 maart 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [naam] naar [benadeelde 1] geappt. Daarop heeft [benadeelde 1] € 250,-- overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , als voorschot voor een Samsung telefoon. Deze telefoon is niet geleverd. Aangeefster [slachtoffer] is op 16 maart 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde.
Volledig
[slachtoffer] heeft een bedrag van € 35,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] , als betaling voor Makro zegels. Deze zegels heeft [slachtoffer] niet ontvangen. Op 16 maart 2016 is aangeefster [benadeelde 2] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde (adres: [adres] [plaats] ). [benadeelde 2] heeft € 105,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] , als betaling voor een hoverboard die zij niet ontvangen heeft. Aangever [slachtoffer] is vervolgens op 10 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [naam] naar [slachtoffer] geappt en heeft [slachtoffer] gevraagd om een foto van diens ID-kaart en bankpas terug te sturen. [slachtoffer] heeft op instructie van de persoon die zich [naam] noemde inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan die persoon doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een trommel) zou bevestigen. Vervolgens is op 11 april 2016 € 500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name [naam] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [benadeelde 5] is op 24 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. [benadeelde 5] heeft op aanwijzing van die persoon een kopie van zijn ID-kaart en bankpas verstrekt en vervolgens heeft hij inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een koptelefoon) zou bevestigen. Vervolgens is op 25 april 2016 € 700,-- van de rekening van [benadeelde 5] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name [naam] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [benadeelde 8] is op 28 april 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. [benadeelde 8] heeft op instructie van die persoon een iPhone in zijn [benadeelde 4] bankierenomgeving geactiveerd. Vervolgens heeft [benadeelde 8] inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een drietal coincards) zou bevestigen. Vervolgens is op 28 april 2016 van de bankrekening van [benadeelde 8] een bedrag van € 679,-- overgemaakt naar de bankrekening van Media Markt met de omschrijving [omschrijvingsnummer] . Dit betreft het ordernummer van een nieuwe iPhone. Verdachte [verdachte] heeft bekend dat hij deze iPhone bij de vestiging van Media Markt aan de [plaats] in [plaats] heeft afgehaald. Twee van de vier personen van wie de naam gebruikt is (te weten [naam] en [naam] ) hebben aangifte gedaan van het valselijk gebruik van hun identiteit/paspoort. Verder blijkt uit het dossier dat de persoon van wie (een deel van) het paspoort naar een aangever is geappt (te weten [naam] ) niet degene is geweest die deze app verstuurd heeft. De rechtbank stelt vast dat: - in vier van de zeven zaken de door [verdachte] geopende bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 4] is opgegeven; - meerdere malen de naam (soms met bijbehorend paspoort) van een andere persoon is gebruikt; - verdachte [verdachte] in twee zaken herkend is als degene die het overgeboekte geld – kort na de overboeking – heeft gepind; - verdachte [verdachte] in één zaak degene is die de vanaf de bankrekening van de aangever betaalde iPhone heeft afgehaald. Op grond van deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In aanvulling hierop – en in het verlengde van de conclusie van de rechtbank – overweegt het hof dat verdachte op de terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft bekend dat in de zaken waar het geld dat van de benadeelden op de rekeningnummer van de pizzeria is overgemaakt (te weten: [slachtoffer] , [benadeelde 1] , [slachtoffer] en [benadeelde 2] op de bankrekening [rekeningnummer] ), hij dat dan heeft gedaan. Verdachte heeft daarbij verklaard hij in deze vier gevallen alleen heeft gehandeld. Hiermee volgt naar het oordeel van het hof dat het telefoonnummer waarmee de betreffende benadeelden zijn benaderd, te weten het telefoonnummer [telefoonnummer] , bij verdachte in gebruik was. De stelling van verdachte dat (later) ook anderen gebruik maakten van het telefoonnummer is op geen enkele wijze onderbouwd en deze stelling vindt ook geen steun in het dossier. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 22 november 2016 tot en met 10 december 2016 in het contact met negen aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich [naam] (adres: [adres] ). Dit betreft de volgende aangevers. Op 22 november 2016 heeft aangeefster [slachtoffer] een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin zij een blokfluit te koop aanbood. Nadat beide partijen een aantal dagen later een verkoopprijs overeengekomen waren heeft [naam] haar een foto van een identiteitsbewijs op naam van [naam] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [naam] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en het pasnummer aan hem doorgegeven. Vervolgens heeft [slachtoffer] de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [naam] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. [naam] heeft op 5 december 2016 meerdere malen naar [slachtoffer] gebeld om haar uit te leggen welke codes ze moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is [telefoonnummer] en [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was. Op 5 december 2016 is buiten medeweten van [slachtoffer] een bedrag van € 1.000,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] . Deze rekening stond niet op naam van [naam] . Aangever [slachtoffer] heeft op 24 november 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] waarin hij een dwarsfluit te koop aanbood. Ook hier werd een verkoopprijs overeengekomen. [naam] heeft – naast een foto van een identiteitskaart van [naam] – een foto van de bankpas op naam van [naam] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. Vervolgens is op 24 november 2016 € 9.500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag een bedrag van € 5.000,-- bij een geldautomaat gepind door [naam] , in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij samen met [verdachte] en [naam] naar de pinautomaat is gereden. De gepinde € 5.000,-- heeft hij van [naam] ontvangen en direct afgegeven aan [verdachte] . Aangever [slachtoffer] is op 28 november 2016 benaderd door [naam] , die belangstelling toonde voor een door [slachtoffer] op Marktplaats te koop aangeboden DVD recorder. [naam] heeft een foto van de bankpas op naam van [naam] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bank-rekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor de DVD recorder) zou bevestigen.
Volledig
[slachtoffer] heeft een bedrag van € 35,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] , als betaling voor Makro zegels. Deze zegels heeft [slachtoffer] niet ontvangen. Op 16 maart 2016 is aangeefster [benadeelde 2] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde (adres: [adres] [plaats] ). [benadeelde 2] heeft € 105,-- overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] , als betaling voor een hoverboard die zij niet ontvangen heeft. Aangever [slachtoffer] is vervolgens op 10 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. Deze persoon heeft (een deel van) een paspoort op naam van [naam] naar [slachtoffer] geappt en heeft [slachtoffer] gevraagd om een foto van diens ID-kaart en bankpas terug te sturen. [slachtoffer] heeft op instructie van de persoon die zich [naam] noemde inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan die persoon doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een trommel) zou bevestigen. Vervolgens is op 11 april 2016 € 500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name [naam] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [benadeelde 5] is op 24 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. [benadeelde 5] heeft op aanwijzing van die persoon een kopie van zijn ID-kaart en bankpas verstrekt en vervolgens heeft hij inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een koptelefoon) zou bevestigen. Vervolgens is op 25 april 2016 € 700,-- van de rekening van [benadeelde 5] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name [naam] . Dit bedrag is dezelfde dag bij een geldautomaat gepind door een persoon die aan het litteken op zijn gezicht en aan het trainingspak dat hij droeg, herkend is als verdachte [verdachte] . Aangever [benadeelde 8] is op 28 april 2016 via WhatsApp eveneens benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde. [benadeelde 8] heeft op instructie van die persoon een iPhone in zijn [benadeelde 4] bankierenomgeving geactiveerd. Vervolgens heeft [benadeelde 8] inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door die persoon (voor een drietal coincards) zou bevestigen. Vervolgens is op 28 april 2016 van de bankrekening van [benadeelde 8] een bedrag van € 679,-- overgemaakt naar de bankrekening van Media Markt met de omschrijving [omschrijvingsnummer] . Dit betreft het ordernummer van een nieuwe iPhone. Verdachte [verdachte] heeft bekend dat hij deze iPhone bij de vestiging van Media Markt aan de [plaats] in [plaats] heeft afgehaald. Twee van de vier personen van wie de naam gebruikt is (te weten [naam] en [naam] ) hebben aangifte gedaan van het valselijk gebruik van hun identiteit/paspoort. Verder blijkt uit het dossier dat de persoon van wie (een deel van) het paspoort naar een aangever is geappt (te weten [naam] ) niet degene is geweest die deze app verstuurd heeft. De rechtbank stelt vast dat: - in vier van de zeven zaken de door [verdachte] geopende bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 4] is opgegeven; - meerdere malen de naam (soms met bijbehorend paspoort) van een andere persoon is gebruikt; - verdachte [verdachte] in twee zaken herkend is als degene die het overgeboekte geld – kort na de overboeking – heeft gepind; - verdachte [verdachte] in één zaak degene is die de vanaf de bankrekening van de aangever betaalde iPhone heeft afgehaald. Op grond van deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In aanvulling hierop – en in het verlengde van de conclusie van de rechtbank – overweegt het hof dat verdachte op de terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft bekend dat in de zaken waar het geld dat van de benadeelden op de rekeningnummer van de pizzeria is overgemaakt (te weten: [slachtoffer] , [benadeelde 1] , [slachtoffer] en [benadeelde 2] op de bankrekening [rekeningnummer] ), hij dat dan heeft gedaan. Verdachte heeft daarbij verklaard hij in deze vier gevallen alleen heeft gehandeld. Hiermee volgt naar het oordeel van het hof dat het telefoonnummer waarmee de betreffende benadeelden zijn benaderd, te weten het telefoonnummer [telefoonnummer] , bij verdachte in gebruik was. De stelling van verdachte dat (later) ook anderen gebruik maakten van het telefoonnummer is op geen enkele wijze onderbouwd en deze stelling vindt ook geen steun in het dossier. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 22 november 2016 tot en met 10 december 2016 in het contact met negen aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich [naam] (adres: [adres] ). Dit betreft de volgende aangevers. Op 22 november 2016 heeft aangeefster [slachtoffer] een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin zij een blokfluit te koop aanbood. Nadat beide partijen een aantal dagen later een verkoopprijs overeengekomen waren heeft [naam] haar een foto van een identiteitsbewijs op naam van [naam] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [naam] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en het pasnummer aan hem doorgegeven. Vervolgens heeft [slachtoffer] de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [naam] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. [naam] heeft op 5 december 2016 meerdere malen naar [slachtoffer] gebeld om haar uit te leggen welke codes ze moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is [telefoonnummer] en [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was. Op 5 december 2016 is buiten medeweten van [slachtoffer] een bedrag van € 1.000,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] . Deze rekening stond niet op naam van [naam] . Aangever [slachtoffer] heeft op 24 november 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] waarin hij een dwarsfluit te koop aanbood. Ook hier werd een verkoopprijs overeengekomen. [naam] heeft – naast een foto van een identiteitskaart van [naam] – een foto van de bankpas op naam van [naam] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. Vervolgens is op 24 november 2016 € 9.500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag een bedrag van € 5.000,-- bij een geldautomaat gepind door [naam] , in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij samen met [verdachte] en [naam] naar de pinautomaat is gereden. De gepinde € 5.000,-- heeft hij van [naam] ontvangen en direct afgegeven aan [verdachte] . Aangever [slachtoffer] is op 28 november 2016 benaderd door [naam] , die belangstelling toonde voor een door [slachtoffer] op Marktplaats te koop aangeboden DVD recorder. [naam] heeft een foto van de bankpas op naam van [naam] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bank-rekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor de DVD recorder) zou bevestigen.
Volledig
Vervolgens is op 29 november 2016 buiten medeweten van [slachtoffer] van diens bankrekening € 4.999,-- overgemaakt naar de bankrekening van Media Markt, voor de aankoop van een televisie. Op 30 november 2016 is met telefoonnummer [telefoonnummer] (waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn nummer was) over deze televisie gebeld met Media Markt. Aangever [slachtoffer] is op 1 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor een fototas) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij in ruil voor € 50 ,-- zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld en dat hij op 1 december 2016 van zijn rekening € 1.000,-- gepind heeft. Hij was daarbij vergezeld door een persoon die door verbalisanten herkend is als medeverdachte [medeverdachte 2] . Aangeefster [slachtoffer] heeft op 3 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin zij een filmcamera te koop aanbood. [naam] heeft haar een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op haar beurt op verzoek van [naam] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] voor de filmcamera zou bevestigen. [naam] heeft op 3 december 2016 naar [slachtoffer] gebeld over die bevestiging. In dat gesprek heeft hij zich voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is [telefoonnummer] (het nummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was). Op 3 december 2016 is buiten medeweten van [slachtoffer] een bedrag van € 975,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] van [bedrijf 5] , inzake de aankoop van een MacBook. Op 4 december 2016 is aangever [slachtoffer] via WhatsApp benaderd door [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] waarin hij een saxofoon te koop aanbood. [naam] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. Vervolgens is op 4 december 2016 in totaal € 3.406,95 van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar de rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Diezelfde dag is van dit bedrag € 3.400,-- bij een geldautomaat gepind door medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij dit geld in opdracht van [verdachte] heeft gepind. Deze verklaring wordt ondersteund door een aantal tapgesprekken tussen het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ), waarin de op te nemen bedragen aan [medeverdachte 1] worden doorgegeven. Aangeefster [slachtoffer] is op 4 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Nadat beide partijen tot overeenstemming waren gekomen over de verkoop van een radio door [slachtoffer] aan [naam] , heeft zij een kopie van haar rijbewijs en bankpas gestuurd. Vervolgens heeft [slachtoffer] op instructie van die persoon een iPhone in haar [benadeelde 4] bankieren-omgeving geactiveerd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [naam] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] voor de radio zou bevestigen. Op 4 december 2016 is van de rekening van [slachtoffer] in totaal € 787,-- overgeboekt naar een rekening van [bedrijf 6] , voor een aantal afhaalmaaltijden en blikjes Red Bull. Dezelfde dag is met het telefoonnummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat die van hem was ( [telefoonnummer] ) gebeld met [medeverdachte 1] en met de [bedrijf 7] (gelieerd aan [bedrijf 6] ) te [plaats] over het ophalen van maaltijden en de blikjes drank. Aangever [slachtoffer] is op 8 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . [naam] heeft hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou een zakelijke rekening van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor een filmcamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 2.500,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag is eveneens op 8 december 2016 gepind door [medeverdachte 1] . Vlak voorafgaand aan het moment van pinnen heeft [medeverdachte 1] hierover telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Aangever [slachtoffer] heeft op 10 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een telescoop. [naam] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor de telescoop) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.000,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag is eveneens op 10 december 2016 in delen van de rekening van [naam] gepind. Ten tijde van het pinnen van die (in totaal) € 5.000,-- heeft er telefonisch contact plaatsgevonden over het pinnen van de geldbedragen tussen het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) en het telefoonnummer dat in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). [naam] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [naam] – in verband met de verkoop van door hem op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank acht op grond van de aangifte van [naam] , de telkens meegestuurde (delen van) bankpassen op naam van [naam] / [naam] / [slachtoffer] , de aangehaalde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 14 december 2016 tot en met 7 januari 2017 in het contact met elf aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich [naam] . Dit betreft de volgende aangevers. Aangever [slachtoffer] is op 13 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] in verband met een advertentie voor blokfluiten die [slachtoffer] op Marktplaats had gezet. [slachtoffer] heeft een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de zakelijke rekening van [slachtoffer] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een blokfluit) zou bevestigen.
Volledig
Vervolgens is op 29 november 2016 buiten medeweten van [slachtoffer] van diens bankrekening € 4.999,-- overgemaakt naar de bankrekening van Media Markt, voor de aankoop van een televisie. Op 30 november 2016 is met telefoonnummer [telefoonnummer] (waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn nummer was) over deze televisie gebeld met Media Markt. Aangever [slachtoffer] is op 1 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor een fototas) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij in ruil voor € 50 ,-- zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld en dat hij op 1 december 2016 van zijn rekening € 1.000,-- gepind heeft. Hij was daarbij vergezeld door een persoon die door verbalisanten herkend is als medeverdachte [medeverdachte 2] . Aangeefster [slachtoffer] heeft op 3 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin zij een filmcamera te koop aanbood. [naam] heeft haar een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op haar beurt op verzoek van [naam] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] voor de filmcamera zou bevestigen. [naam] heeft op 3 december 2016 naar [slachtoffer] gebeld over die bevestiging. In dat gesprek heeft hij zich voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is [telefoonnummer] (het nummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer was). Op 3 december 2016 is buiten medeweten van [slachtoffer] een bedrag van € 975,-- overgeboekt van haar bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] van [bedrijf 5] , inzake de aankoop van een MacBook. Op 4 december 2016 is aangever [slachtoffer] via WhatsApp benaderd door [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] waarin hij een saxofoon te koop aanbood. [naam] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] zou bevestigen. Vervolgens is op 4 december 2016 in totaal € 3.406,95 van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar de rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Diezelfde dag is van dit bedrag € 3.400,-- bij een geldautomaat gepind door medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij dit geld in opdracht van [verdachte] heeft gepind. Deze verklaring wordt ondersteund door een aantal tapgesprekken tussen het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ), waarin de op te nemen bedragen aan [medeverdachte 1] worden doorgegeven. Aangeefster [slachtoffer] is op 4 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Nadat beide partijen tot overeenstemming waren gekomen over de verkoop van een radio door [slachtoffer] aan [naam] , heeft zij een kopie van haar rijbewijs en bankpas gestuurd. Vervolgens heeft [slachtoffer] op instructie van die persoon een iPhone in haar [benadeelde 4] bankieren-omgeving geactiveerd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan [naam] doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam] voor de radio zou bevestigen. Op 4 december 2016 is van de rekening van [slachtoffer] in totaal € 787,-- overgeboekt naar een rekening van [bedrijf 6] , voor een aantal afhaalmaaltijden en blikjes Red Bull. Dezelfde dag is met het telefoonnummer waarvan [verdachte] heeft verklaard dat die van hem was ( [telefoonnummer] ) gebeld met [medeverdachte 1] en met de [bedrijf 7] (gelieerd aan [bedrijf 6] ) te [plaats] over het ophalen van maaltijden en de blikjes drank. Aangever [slachtoffer] is op 8 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . [naam] heeft hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou een zakelijke rekening van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor een filmcamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 2.500,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag is eveneens op 8 december 2016 gepind door [medeverdachte 1] . Vlak voorafgaand aan het moment van pinnen heeft [medeverdachte 1] hierover telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Aangever [slachtoffer] heeft op 10 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een telescoop. [naam] heeft ook aan hem een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [naam] zijn) gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam] (voor de telescoop) zou bevestigen. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.000,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag is eveneens op 10 december 2016 in delen van de rekening van [naam] gepind. Ten tijde van het pinnen van die (in totaal) € 5.000,-- heeft er telefonisch contact plaatsgevonden over het pinnen van de geldbedragen tussen het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) en het telefoonnummer dat in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). [naam] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [naam] – in verband met de verkoop van door hem op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank acht op grond van de aangifte van [naam] , de telkens meegestuurde (delen van) bankpassen op naam van [naam] / [naam] / [slachtoffer] , de aangehaalde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt in de periode van 14 december 2016 tot en met 7 januari 2017 in het contact met elf aangevers. In elk van die contacten noemde de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich [naam] . Dit betreft de volgende aangevers. Aangever [slachtoffer] is op 13 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] in verband met een advertentie voor blokfluiten die [slachtoffer] op Marktplaats had gezet. [slachtoffer] heeft een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de zakelijke rekening van [slachtoffer] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een blokfluit) zou bevestigen.
Volledig
Op 14 december 2016 is € 5.000,-- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij ’s nachts naar huis liep en toen door een groep jongeren is gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Op 14 december 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] net na middernacht in totaal € 5.000,-- gepind van de rekening van [naam] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het gepinde geld telkens aan [verdachte] heeft afgegeven en daar dan € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [slachtoffer] heeft op 15 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een door [slachtoffer] op Marktplaats geplaatste advertentie voor een videocamera. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [slachtoffer] een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de zakelijke rekening van [slachtoffer] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. Ook heeft hij een foto van (een deel van) het rijbewijs van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor de videocamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is in totaal € 940,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgemaakt naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer] Op 15 december 2016 is met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) naar [slachtoffer] gebeld over de betaling van het door [slachtoffer] verschuldigde bedrag. In dat gesprek noemde de persoon die belde zich ‘ [naam] ’. Aangever [slachtoffer] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een dwarsfluit. Ook hier heeft [slachtoffer] een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [slachtoffer] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 8.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind bij een pinautomaat. Een bedrag van € 3.500,-- is door de [benadeelde 3] teruggestort op de rekening van [slachtoffer] . [naam] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn bankpas. Deze diefstal zou na 15 december 2016 hebben plaatsgevonden. Aangever [slachtoffer] is op 18 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft ook hier een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een DVD recorder) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] , die verklaard heeft dat zij haar bankpas in goed vertrouwen heeft uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 2] . De € 1.000,-- is op 20 december 2016 gepind door een persoon die door twee verbalisanten herkend is als [medeverdachte 2] . Aangeefster [slachtoffer] heeft op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] . Zij heeft een fototas aan hem verkocht. [slachtoffer] heeft haar een foto van een bankpas op naam van [slachtoffer] toegestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van haar bankpas toegestuurd en ter bevestiging van de betaling de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is in totaal € 6.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dat bedrag is € 510,-- diezelfde dag nog gepind. [naam] heeft verklaard dat hij zijn bankpas heeft uitgeleend aan [naam] . Deze [naam] heeft op zijn beurt verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) de pas van [naam] heeft geregeld voor verdachte [verdachte] . [naam] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat [verdachte] het geld gepind heeft. Aangever [slachtoffer] heeft eveneens op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] . Hij heeft een verrekijker aan hem verkocht. [slachtoffer] heeft een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [slachtoffer] zijn) toegestuurd. Ook heeft hij een foto van het rijbewijs van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas naar [slachtoffer] gestuurd en ter bevestiging van zijn betaling de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is € 5.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de printjes van het pinnen. De bankpas van [naam] heeft hij volgens zijn verklaring gekregen van verdachte [verdachte] . Op 31 december 2016 heeft aangever [slachtoffer] een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin hij een radio te koop aanbood. Nadat beide partijen een verkoopprijs overeengekomen waren, heeft [slachtoffer] op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [slachtoffer] doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] zou bevestigen. [slachtoffer] heeft op 31 december 2016 meerdere malen naar [slachtoffer] gebeld om hem uit te leggen welke codes hij moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is het door [verdachte] gebruikte nummer [telefoonnummer] . Op 31 december 2016 en 1 januari 2017 is in totaal € 10.250,-- buiten medeweten van [slachtoffer] overgeboekt van zijn bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is op 31 december 2016 in totaal € 5.000,-- gepind. Aangever [slachtoffer] is op 2 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft hem ook hier een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een verrekijker) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 4.500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Op 2 januari 2017 zijn er meerdere tapgesprekken geweest tussen het telefoonnummer van deze [naam] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Deze gesprekken gingen over dat [naam] zijn bankrekening ter beschikking zou gaan stellen en de verdeling van het geldbedrag dat op zijn rekening gestort zou gaan worden. Aangeefster [slachtoffer] is op 6 januari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zij [naam] noemt en die een foto van zijn rijbewijs naar haar stuurde (de rechtbank begrijpt dat dit het rijbewijs van [naam] is geweest). [slachtoffer] heeft een radio van [slachtoffer] gekocht en ter bevestiging van het aankoopbedrag heeft zij een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is van de rekening van [slachtoffer] een bedrag van € 23.045,38 overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 8] , in verband met de aankoop van twee goudstaven. De factuur stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] .
Volledig
Op 14 december 2016 is € 5.000,-- overgeboekt van de rekening van [slachtoffer] naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij ’s nachts naar huis liep en toen door een groep jongeren is gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Op 14 december 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] net na middernacht in totaal € 5.000,-- gepind van de rekening van [naam] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het gepinde geld telkens aan [verdachte] heeft afgegeven en daar dan € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [slachtoffer] heeft op 15 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een door [slachtoffer] op Marktplaats geplaatste advertentie voor een videocamera. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [slachtoffer] een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de zakelijke rekening van [slachtoffer] zijn) naar [slachtoffer] gestuurd. Ook heeft hij een foto van (een deel van) het rijbewijs van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor de videocamera) zou bevestigen. Dezelfde dag is in totaal € 940,-- van de bankrekening van [slachtoffer] overgemaakt naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer] Op 15 december 2016 is met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) naar [slachtoffer] gebeld over de betaling van het door [slachtoffer] verschuldigde bedrag. In dat gesprek noemde de persoon die belde zich ‘ [naam] ’. Aangever [slachtoffer] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een dwarsfluit. Ook hier heeft [slachtoffer] een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [slachtoffer] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 8.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind bij een pinautomaat. Een bedrag van € 3.500,-- is door de [benadeelde 3] teruggestort op de rekening van [slachtoffer] . [naam] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn bankpas. Deze diefstal zou na 15 december 2016 hebben plaatsgevonden. Aangever [slachtoffer] is op 18 december 2016 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft ook hier een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een DVD recorder) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] , die verklaard heeft dat zij haar bankpas in goed vertrouwen heeft uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 2] . De € 1.000,-- is op 20 december 2016 gepind door een persoon die door twee verbalisanten herkend is als [medeverdachte 2] . Aangeefster [slachtoffer] heeft op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] . Zij heeft een fototas aan hem verkocht. [slachtoffer] heeft haar een foto van een bankpas op naam van [slachtoffer] toegestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van haar bankpas toegestuurd en ter bevestiging van de betaling de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is in totaal € 6.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dat bedrag is € 510,-- diezelfde dag nog gepind. [naam] heeft verklaard dat hij zijn bankpas heeft uitgeleend aan [naam] . Deze [naam] heeft op zijn beurt verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) de pas van [naam] heeft geregeld voor verdachte [verdachte] . [naam] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat [verdachte] het geld gepind heeft. Aangever [slachtoffer] heeft eveneens op 24 december 2016 een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] . Hij heeft een verrekijker aan hem verkocht. [slachtoffer] heeft een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] (dat zou de vrouw van [slachtoffer] zijn) toegestuurd. Ook heeft hij een foto van het rijbewijs van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas naar [slachtoffer] gestuurd en ter bevestiging van zijn betaling de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is € 5.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de printjes van het pinnen. De bankpas van [naam] heeft hij volgens zijn verklaring gekregen van verdachte [verdachte] . Op 31 december 2016 heeft aangever [slachtoffer] een WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] , die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats waarin hij een radio te koop aanbood. Nadat beide partijen een verkoopprijs overeengekomen waren, heeft [slachtoffer] op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [slachtoffer] doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] zou bevestigen. [slachtoffer] heeft op 31 december 2016 meerdere malen naar [slachtoffer] gebeld om hem uit te leggen welke codes hij moest doorgeven. In die gesprekken heeft hij zich telkens voorgesteld als ‘ [naam] ’. Het telefoonnummer waarmee naar [slachtoffer] is gebeld is het door [verdachte] gebruikte nummer [telefoonnummer] . Op 31 december 2016 en 1 januari 2017 is in totaal € 10.250,-- buiten medeweten van [slachtoffer] overgeboekt van zijn bankrekening naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is op 31 december 2016 in totaal € 5.000,-- gepind. Aangever [slachtoffer] is op 2 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft hem ook hier een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] gestuurd. [slachtoffer] heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een verrekijker) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 4.500,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Op 2 januari 2017 zijn er meerdere tapgesprekken geweest tussen het telefoonnummer van deze [naam] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Deze gesprekken gingen over dat [naam] zijn bankrekening ter beschikking zou gaan stellen en de verdeling van het geldbedrag dat op zijn rekening gestort zou gaan worden. Aangeefster [slachtoffer] is op 6 januari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zij [naam] noemt en die een foto van zijn rijbewijs naar haar stuurde (de rechtbank begrijpt dat dit het rijbewijs van [naam] is geweest). [slachtoffer] heeft een radio van [slachtoffer] gekocht en ter bevestiging van het aankoopbedrag heeft zij een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Dezelfde dag is van de rekening van [slachtoffer] een bedrag van € 23.045,38 overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 8] , in verband met de aankoop van twee goudstaven. De factuur stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] .
Volledig
Op 6 januari 2017 hebben tapgesprekken plaatsgevonden tussen verdachte [verdachte] ( [telefoonnummer] ) en [medeverdachte 1] enerzijds (waarin tegen [medeverdachte 1] gezegd wordt dat ‘hij goud gekocht heeft’) en [medeverdachte 3] anderzijds (over de doorverkoop van het bestelde goud). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ene ‘ [naam] ’ de goudstaven op zijn ( [medeverdachte 1] ’s) naam besteld heeft. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam] ’ [verdachte] bedoelde. Aangeefster [slachtoffer] is op 7 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft haar een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] gestuurd. Zij heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een trompet) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij op verzoek van een persoon die hij van een foto herkende als [medeverdachte 3] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld om een bedrag van € 1.000,-- op te storten. Hij heeft de € 1.000,-- gepind en afgegeven, waarvoor hij een vergoeding van € 150,-- kreeg. Zijn broer [naam] was daarbij. [naam] heeft verdachte [verdachte] van een foto herkend als een persoon die ook bij het pinnen aanwezig was. Eveneens op 7 januari 2017 is aangever [benadeelde 9] via WhatsApp benaderd door [naam] . Die stuurt hem een foto van een rijbewijs en bankpas op naam van [slachtoffer] . [benadeelde 9] heeft een diaprojector aan [slachtoffer] verkocht. Op verzoek van [slachtoffer] heeft [benadeelde 9] een foto van zijn identiteitsbewijs en bankpas toegestuurd. Ter bevestiging van de ontvangst van het aankoopbedrag heeft hij vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven. Op 9 januari 2017 zijn vervolgens buiten medeweten van [benadeelde 9] bedragen van € 975,-- en € 1.599,-- overgeboekt van zijn bankrekening naar de rekening van [bedrijf 5] , inzake de aankoop van een MacBook en een televisie. De MacBook is op 7 januari 2017 bij het filiaal van BCC in [plaats] opgehaald door [naam] , die verklaard heeft dat zij dit gedaan heeft op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 7 januari 2017 hebben verschillende tapgesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] ( [telefoonnummer] ). In die gesprekken kreeg [medeverdachte 1] opdracht om een MacBook bij BCC in [plaats] op te halen. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [slachtoffer] – in verband met de verkoop van een door hem op Marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de [benadeelde 4] met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De rechtbank acht op basis van de aangiften van [slachtoffer] en [slachtoffer] , de telkens meegestuurde foto’s van (delen van) de bankpas op naam van [slachtoffer] / [slachtoffer] , de verklaringen van [medeverdachte 1] , [naam] en de broers [naam] , en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van (de naam [naam] en) het telefoonnummer [telefoonnummer] . [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt op 9 januari 2017 in het contact met één aangever, genaamd [slachtoffer] . Deze aangever heeft een VHS recorder op Marktplaats te koop aangeboden en kreeg daarop via WhatsApp een reactie van een persoon die zich [slachtoffer] noemde. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam] naar [slachtoffer] gestuurd. Ook [slachtoffer] heeft, op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, ter bevestiging van de ontvangst van de betaling door [slachtoffer] van de VHS recorder. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.900,-- overgeboekt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] en een bedrag van € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 9 januari 2017 (een deel van) dit laatste bedrag gepind. Hij heeft zichzelf herkend van de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [slachtoffer] het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [slachtoffer] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer] Ook dit telefoonnummer is in het contact met één aangever gebruikt. Op 20 januari 2017 is aangever [benadeelde 7] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde en interesse toonde in een door [benadeelde 7] op Marktplaats te koop aangeboden accordeon. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam] naar [benadeelde 7] gestuurd. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [benadeelde 7] op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [naam] doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door [naam] . Vervolgens is op 21 januari 2017 in totaal € 4.578,20 overgeboekt van de rekening van [benadeelde 7] naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- voor kreeg. [naam] heeft bij de politie melding gemaakt van het feit dat hij in verband met de verkoop van goederen via Marktplaats contact heeft gehad met een persoon die zich [slachtoffer] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [naam] heeft in verband met de verkoop aan die [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd. Vervolgens is [naam] benaderd door een vrouw die eveneens contact had gehad met [slachtoffer] en van hem een foto van de bankpas van [naam] had ontvangen, als zijnde de bankpas van de vrouw van [slachtoffer] . De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [benadeelde 7] het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [naam] . Ook hier acht de rechtbank voor dit oordeel, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de melding van [naam] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is in periode van 25 januari 2017 tot en met 4 februari 2017 in het contact met drie aangevers gebruikt. Aangeefster [benadeelde 10] heeft op 25 januari 2017 een WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [naam] noemde.
Volledig
Op 6 januari 2017 hebben tapgesprekken plaatsgevonden tussen verdachte [verdachte] ( [telefoonnummer] ) en [medeverdachte 1] enerzijds (waarin tegen [medeverdachte 1] gezegd wordt dat ‘hij goud gekocht heeft’) en [medeverdachte 3] anderzijds (over de doorverkoop van het bestelde goud). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ene ‘ [naam] ’ de goudstaven op zijn ( [medeverdachte 1] ’s) naam besteld heeft. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam] ’ [verdachte] bedoelde. Aangeefster [slachtoffer] is op 7 januari 2017 via WhatsApp benaderd door [naam] . Die heeft haar een foto van de bankpas op naam van [slachtoffer] gestuurd. Zij heeft op verzoek van [slachtoffer] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [slachtoffer] (voor een trompet) zou bevestigen. Dezelfde dag is € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Deze [naam] heeft verklaard dat hij op verzoek van een persoon die hij van een foto herkende als [medeverdachte 3] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld om een bedrag van € 1.000,-- op te storten. Hij heeft de € 1.000,-- gepind en afgegeven, waarvoor hij een vergoeding van € 150,-- kreeg. Zijn broer [naam] was daarbij. [naam] heeft verdachte [verdachte] van een foto herkend als een persoon die ook bij het pinnen aanwezig was. Eveneens op 7 januari 2017 is aangever [benadeelde 9] via WhatsApp benaderd door [naam] . Die stuurt hem een foto van een rijbewijs en bankpas op naam van [slachtoffer] . [benadeelde 9] heeft een diaprojector aan [slachtoffer] verkocht. Op verzoek van [slachtoffer] heeft [benadeelde 9] een foto van zijn identiteitsbewijs en bankpas toegestuurd. Ter bevestiging van de ontvangst van het aankoopbedrag heeft hij vervolgens de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven. Op 9 januari 2017 zijn vervolgens buiten medeweten van [benadeelde 9] bedragen van € 975,-- en € 1.599,-- overgeboekt van zijn bankrekening naar de rekening van [bedrijf 5] , inzake de aankoop van een MacBook en een televisie. De MacBook is op 7 januari 2017 bij het filiaal van BCC in [plaats] opgehaald door [naam] , die verklaard heeft dat zij dit gedaan heeft op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 7 januari 2017 hebben verschillende tapgesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] ( [telefoonnummer] ). In die gesprekken kreeg [medeverdachte 1] opdracht om een MacBook bij BCC in [plaats] op te halen. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [slachtoffer] – in verband met de verkoop van een door hem op Marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de [benadeelde 4] met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De rechtbank acht op basis van de aangiften van [slachtoffer] en [slachtoffer] , de telkens meegestuurde foto’s van (delen van) de bankpas op naam van [slachtoffer] / [slachtoffer] , de verklaringen van [medeverdachte 1] , [naam] en de broers [naam] , en de genoemde tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van (de naam [naam] en) het telefoonnummer [telefoonnummer] . [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is gebruikt op 9 januari 2017 in het contact met één aangever, genaamd [slachtoffer] . Deze aangever heeft een VHS recorder op Marktplaats te koop aangeboden en kreeg daarop via WhatsApp een reactie van een persoon die zich [slachtoffer] noemde. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam] naar [slachtoffer] gestuurd. Ook [slachtoffer] heeft, op verzoek van [slachtoffer] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, ter bevestiging van de ontvangst van de betaling door [slachtoffer] van de VHS recorder. Dezelfde dag is een bedrag van € 5.900,-- overgeboekt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] en een bedrag van € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 9 januari 2017 (een deel van) dit laatste bedrag gepind. Hij heeft zichzelf herkend van de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [slachtoffer] het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [slachtoffer] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer] Ook dit telefoonnummer is in het contact met één aangever gebruikt. Op 20 januari 2017 is aangever [benadeelde 7] via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde en interesse toonde in een door [benadeelde 7] op Marktplaats te koop aangeboden accordeon. Die persoon heeft om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van de bankpas van [naam] naar [benadeelde 7] gestuurd. Nadat beide partijen een prijs overeengekomen waren heeft [benadeelde 7] op aanwijzing van [naam] een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan [naam] doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door [naam] . Vervolgens is op 21 januari 2017 in totaal € 4.578,20 overgeboekt van de rekening van [benadeelde 7] naar rekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag is dezelfde dag € 4.500,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- voor kreeg. [naam] heeft bij de politie melding gemaakt van het feit dat hij in verband met de verkoop van goederen via Marktplaats contact heeft gehad met een persoon die zich [slachtoffer] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [naam] heeft in verband met de verkoop aan die [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd. Vervolgens is [naam] benaderd door een vrouw die eveneens contact had gehad met [slachtoffer] en van hem een foto van de bankpas van [naam] had ontvangen, als zijnde de bankpas van de vrouw van [slachtoffer] . De rechtbank heeft reeds hiervoor al overwogen dat [verdachte] de persoon is die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in het contact met aangever [benadeelde 7] het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft gebruikt en zich heeft voorgedaan als [naam] . Ook hier acht de rechtbank voor dit oordeel, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de melding van [naam] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaak op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. [telefoonnummer] Dit telefoonnummer is in periode van 25 januari 2017 tot en met 4 februari 2017 in het contact met drie aangevers gebruikt. Aangeefster [benadeelde 10] heeft op 25 januari 2017 een WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [naam] noemde.
Volledig
Zij heeft een cassetterecorder aan hem verkocht en ter bevestiging van de betaling door [naam] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Een dag later is in totaal € 6.000,-- van de bankrekening van [benadeelde 10] overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] dezelfde dag € 5.000,-- gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [slachtoffer] is op 1 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zijn naam niet genoemd heeft. Deze persoon reageerde op een Marktplaats advertentie van [slachtoffer] voor een fotocamera en heeft een foto van een bankpas op naam van [naam] naar hem gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van die persoon een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door die persoon. Vervolgens is op 2 februari 2017 in totaal € 10.000,-- overgeboekt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] en € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van deze bedragen is dezelfde dag in totaal € 7.200,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij het gepinde geld heeft afgegeven aan [verdachte] . Tot slot is aangever [slachtoffer] op 4 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde en hem om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van zijn rijbewijs toestuurde. Ook heeft [naam] een foto van de bankpas van [naam] toegestuurd (dat zou de bankpas van de vrouw van [naam] zijn). [slachtoffer] heeft [naam] een beamer verkocht. Op verzoek van [naam] heeft [slachtoffer] een foto van zijn betaalpas naar hem gestuurd. Ter bevestiging van de betaling door [naam] heeft [slachtoffer] op diens aanwijzingen de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening naar hem gestuurd. Dezelfde dag is € 1.000,-- overgemaakt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Medeverdachte [medeverdachte 1] had de bankpas op naam van [naam] bij zijn aanhouding in zijn bezit. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze bankpas had gekregen van een persoon die hij ‘ [naam] ’ noemde. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam] ’ [verdachte] bedoelde. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de meegestuurde (delen van) de bankpas van [naam] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaken op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. De conclusie met betrekking tot het gebruik van de telefoonnummers De rechtbank acht bewezen dat het telkens verdachte [verdachte] is geweest die met gebruikmaking van de weergegeven telefoonnummers contact heeft gehad met de 32 onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde aangevers. De rechtbank acht derhalve bewezen dat [verdachte] telkens de WhatsApp-berichten heeft verstuurd waar de respectievelijke aangevers melding van maken (en in de meeste gevallen bij hun aangifte overgelegd hebben). Oplichtingsmiddelen De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [verdachte] de aangevers door aanwending van een of meer oplichtingsmiddelen (te weten het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het toepassen van listige kunstgrepen en/of het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (feit 1) en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) van de bankrekening van de aangevers (feit 2). Dit betekent dat de rechtbank moet kunnen vaststellen dat de aangevers zijn overgegaan tot de afgifte van een geldbedrag en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) doordat [verdachte] bij hen – door een specifieke, voldoende ernstige mate van bedrieglijk handelen – een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen teneinde daar misbruik van te maken. Daarbij is de rechtbank gebonden aan de feitelijke omschrijving van de oplichtingsmiddelen die de officieren van justitie in de tenlastelegging hebben opgenomen. Met deze kanttekeningen voor ogen acht de rechtbank met betrekking feit 1 bewezen dat [verdachte] : - zich bij drie aangevers heeft voorgedaan als [naam] en bij één aangever als [naam] (en daarmee gebruik heeft gemaakt van een valse, in de zin van onrechtmatig gebruikte, naam); - en daarbij naar twee aangevers een foto van een identiteitsbewijs heeft gestuurd (zijnde een vals, eveneens in de zin van onrechtmatig gebruikt, identiteitsbewijs); - te kennen heeft gegeven het door de vier aangevers gevraagde artikel te kunnen leveren (zijnde een leugen, want [verdachte] was daartoe op dat moment niet in staat); - aan de vier aangevers heeft aangegeven deze artikelen direct na de betaling op te sturen (zijnde een leugen, want [verdachte] was dat niet van zins en kon dat op dat moment ook niet). Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank telkens oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de vier aangevers zijn bewogen tot de overboeking van een geldbedrag. Met betrekking tot feit 2 acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] : - naar 23 van de 28 aangevers een vals identiteitsbewijs of een valse bankpas heeft opgestuurd (vals in de zin van onrechtmatig gebruikt); - aan de aangevers heeft aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening en dat voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van de aangevers (zijnde een leugen, want voor het doen van een zakelijke betaling is een dergelijke toevoeging niet noodzakelijk); - aan de aangevers heeft aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken (zijnde een leugen, want dat heeft [verdachte] niet gedaan); - aan de aangevers berichten heeft verzonden waarin werd uitgelegd dat de betreffende aangever een cijfer- en/of bevestigingscode moest doorgeven ter bevestiging van de betaling (zijnde een leugen, want een dergelijke bevestiging is niet nodig); - naar 21 van de 28 aangevers berichten heeft gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat de betreffende aangever nog een uur moest wachten om de betaling op zijn/haar bankrekening te kunnen zien (ook dit is een leugen, want een dergelijke wachttijd was niet aan de orde). Ook hier gaat het naar het oordeel van de rechtbank telkens om oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en/of en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de aangevers zijn bewogen tot het ter beschikking stellen van de inloggegevens en/of transactie(codes) van hun bankrekening. Feiten 1 en 2: ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 1 en feit 2 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de oplichting van meer aangevers dan de 32 genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Feit 2: medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft.
Volledig
Zij heeft een cassetterecorder aan hem verkocht en ter bevestiging van de betaling door [naam] een foto van haar bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven. Een dag later is in totaal € 6.000,-- van de bankrekening van [benadeelde 10] overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van dit bedrag heeft medeverdachte [medeverdachte 1] dezelfde dag € 5.000,-- gepind. Hij heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij dit deed voor [verdachte] en dat hij daar € 100,-- of € 150,-- voor kreeg. Aangever [slachtoffer] is op 1 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zijn naam niet genoemd heeft. Deze persoon reageerde op een Marktplaats advertentie van [slachtoffer] voor een fotocamera en heeft een foto van een bankpas op naam van [naam] naar hem gestuurd. [slachtoffer] heeft op zijn beurt op aanwijzing van die persoon een foto van zijn bankpas toegestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de betaling van het overeengekomen bedrag door die persoon. Vervolgens is op 2 februari 2017 in totaal € 10.000,-- overgeboekt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] en € 5.000,-- naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Van deze bedragen is dezelfde dag in totaal € 7.200,-- gepind door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft zichzelf herkend op de prints van het pinnen. Hij heeft ook verklaard dat hij het gepinde geld heeft afgegeven aan [verdachte] . Tot slot is aangever [slachtoffer] op 4 februari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] noemde en hem om zijn betrouwbaarheid te tonen een foto van zijn rijbewijs toestuurde. Ook heeft [naam] een foto van de bankpas van [naam] toegestuurd (dat zou de bankpas van de vrouw van [naam] zijn). [slachtoffer] heeft [naam] een beamer verkocht. Op verzoek van [naam] heeft [slachtoffer] een foto van zijn betaalpas naar hem gestuurd. Ter bevestiging van de betaling door [naam] heeft [slachtoffer] op diens aanwijzingen de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening naar hem gestuurd. Dezelfde dag is € 1.000,-- overgemaakt van de bankrekening van [slachtoffer] naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam] . Medeverdachte [medeverdachte 1] had de bankpas op naam van [naam] bij zijn aanhouding in zijn bezit. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze bankpas had gekregen van een persoon die hij ‘ [naam] ’ noemde. Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij met ‘ [naam] ’ [verdachte] bedoelde. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte] telkens degene is geweest die in het contact met de aangevers gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Voor dit oordeel acht de rechtbank, naast de verklaring van [medeverdachte 1] en de meegestuurde (delen van) de bankpas van [naam] , mede redengevend dat de handelwijze in deze zaken op essentiële punten overeen komt met de handelwijze die gevolgd is in de contacten met de hiervoor genoemde telefoonnummers waarvan de rechtbank bewezen acht dat verdachte [verdachte] telkens de gebruiker is geweest. De conclusie met betrekking tot het gebruik van de telefoonnummers De rechtbank acht bewezen dat het telkens verdachte [verdachte] is geweest die met gebruikmaking van de weergegeven telefoonnummers contact heeft gehad met de 32 onder 1 en 2 van de tenlastelegging genoemde aangevers. De rechtbank acht derhalve bewezen dat [verdachte] telkens de WhatsApp-berichten heeft verstuurd waar de respectievelijke aangevers melding van maken (en in de meeste gevallen bij hun aangifte overgelegd hebben). Oplichtingsmiddelen De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [verdachte] de aangevers door aanwending van een of meer oplichtingsmiddelen (te weten het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het toepassen van listige kunstgrepen en/of het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (feit 1) en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) van de bankrekening van de aangevers (feit 2). Dit betekent dat de rechtbank moet kunnen vaststellen dat de aangevers zijn overgegaan tot de afgifte van een geldbedrag en het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of transactie(codes) doordat [verdachte] bij hen – door een specifieke, voldoende ernstige mate van bedrieglijk handelen – een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen teneinde daar misbruik van te maken. Daarbij is de rechtbank gebonden aan de feitelijke omschrijving van de oplichtingsmiddelen die de officieren van justitie in de tenlastelegging hebben opgenomen. Met deze kanttekeningen voor ogen acht de rechtbank met betrekking feit 1 bewezen dat [verdachte] : - zich bij drie aangevers heeft voorgedaan als [naam] en bij één aangever als [naam] (en daarmee gebruik heeft gemaakt van een valse, in de zin van onrechtmatig gebruikte, naam); - en daarbij naar twee aangevers een foto van een identiteitsbewijs heeft gestuurd (zijnde een vals, eveneens in de zin van onrechtmatig gebruikt, identiteitsbewijs); - te kennen heeft gegeven het door de vier aangevers gevraagde artikel te kunnen leveren (zijnde een leugen, want [verdachte] was daartoe op dat moment niet in staat); - aan de vier aangevers heeft aangegeven deze artikelen direct na de betaling op te sturen (zijnde een leugen, want [verdachte] was dat niet van zins en kon dat op dat moment ook niet). Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank telkens oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de vier aangevers zijn bewogen tot de overboeking van een geldbedrag. Met betrekking tot feit 2 acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] : - naar 23 van de 28 aangevers een vals identiteitsbewijs of een valse bankpas heeft opgestuurd (vals in de zin van onrechtmatig gebruikt); - aan de aangevers heeft aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening en dat voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van de aangevers (zijnde een leugen, want voor het doen van een zakelijke betaling is een dergelijke toevoeging niet noodzakelijk); - aan de aangevers heeft aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken (zijnde een leugen, want dat heeft [verdachte] niet gedaan); - aan de aangevers berichten heeft verzonden waarin werd uitgelegd dat de betreffende aangever een cijfer- en/of bevestigingscode moest doorgeven ter bevestiging van de betaling (zijnde een leugen, want een dergelijke bevestiging is niet nodig); - naar 21 van de 28 aangevers berichten heeft gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat de betreffende aangever nog een uur moest wachten om de betaling op zijn/haar bankrekening te kunnen zien (ook dit is een leugen, want een dergelijke wachttijd was niet aan de orde). Ook hier gaat het naar het oordeel van de rechtbank telkens om oplichtingsmiddelen (het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en/of en een samenweefsel van verdichtsels) waardoor de aangevers zijn bewogen tot het ter beschikking stellen van de inloggegevens en/of transactie(codes) van hun bankrekening. Feiten 1 en 2: ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 1 en feit 2 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de oplichting van meer aangevers dan de 32 genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Feit 2: medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft.
Volledig
De conclusie met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.2 Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde Onder 3 is aan [verdachte] het medeplegen van identiteitsfraude, strafbaar gesteld in artikel 231b Sr, ten laste gelegd. In artikel 231b Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander strafbaar gesteld, indien dat gebruik plaatsvindt met het oogmerk om zijn identiteit te verhullen en/of de identiteit van de ander te verhullen of misbruiken waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Identificerende persoonsgegevens zijn gegevens waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd, zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken. Het nadeel dat uit het gebruik kan ontstaan moet betrekking hebben op degene wiens persoonsgegevens zijn misbruikt. De aan [verdachte] ten laste gelegde identiteitsfraude ziet op het gebruik van de voor- en/of achternamen en afbeeldingen van een identiteitskaart, rijbewijs en/of bankpas met daarop identificerende gegevens van drie personen, te weten [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] . Deze namen en afbeeldingen zou [verdachte] in een WhatsApp-bericht telkens naar drie met name genoemde personen hebben gestuurd, met het doel om zijn eigen identiteit voor die personen verborgen te houden. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 Met betrekking tot [slachtoffer] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [slachtoffer] – in verband met de verkoop van een door hem op Marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de [benadeelde 4] met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] en [slachtoffer] ook een foto van het rijbewijs van [slachtoffer] gestuurd. Ook met betrekking tot [naam] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [naam] – in verband met de verkoop van op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] ook een foto van de identiteitskaart van [naam] gestuurd. Zoals hiervoor reeds vastgesteld heeft [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd naar de persoon die zich [naam] noemde, in verband met de betaling door [naam] van een dwarsfluit. Uit het dossier blijkt dat de bankpas van [slachtoffer] nadien naar 21 andere aangevers van internetoplichting is gestuurd. Onder deze aangevers bevonden zich [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in het contact met [slachtoffer] heeft voorgedaan als [naam] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] ook een foto van de identiteitskaart van [naam] gestuurd. [verdachte] heeft de namen van [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] en afbeeldingen van hun identiteitskaarten, rijbewijzen en bankpassen met daarop gegevens, zonder hun toestemming gebruikt in het contact met andere aangevers. Deze namen en de gegevens op de afbeeldingen zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken (bankrekeningnummers) zijn identificerende persoonsgegevens. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de genoemde aangevers telkens het idee heeft gegeven dat zij daadwerkelijk te maken hadden met [slachtoffer] en [naam] respectievelijk dat zij betaald zouden worden vanaf de bankrekening van [slachtoffer] , teneinde te verhullen dat zij in werkelijkheid met hem, verdachte [verdachte] , contact hadden en hij heeft hun identiteit misbruikt. Daarnaast acht de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat hierdoor enig nadeel voor [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] is ontstaan. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 3 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de identiteitsfraude met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 3 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.3. Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde Onder 4 is verdachte [verdachte] het medeplegen van computervredebreuk, als bedoeld in artikel 138ab lid 1 en 2 Sr ten laste gelegd. Hem wordt – kort gezegd – verweten dat hij met behulp van een valse sleutel is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van [slachtoffer] en [slachtoffer] en vervolgens gegevens die in die bankomgeving worden verwerkt voor zichzelf heeft overgenomen door geldbedragen van de bankrekeningen van de genoemde personen over te boeken naar een andere rekening. De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Aangever [slachtoffer] is op 25 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde en reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats voor een gitaar. Nadat beide partijen tot overeenstemming over de prijs waren gekomen heeft [naam] aan [slachtoffer] geappt dat zij via een zakelijke rekening wilde betalen en dat [slachtoffer] de betaling moest bevestigen. Op aanwijzing van [naam] heeft [slachtoffer] een foto van zijn bankpas aan [naam] doorgestuurd en in goed vertrouwen het mobiel bankieren van een iPhone 6 geactiveerd. Ook heeft hij de tancode van zijn [benadeelde 4] bankrekening aan [naam] doorgegeven. Daardoor heeft hij, via mobiel bankieren, de telefoon van [naam] toegang gegeven tot zijn bankrekening. Vervolgens is dezelfde dag in totaal € 755,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar een voor [slachtoffer] onbekende bankrekening, te weten bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [naam] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [naam] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting.
Volledig
De conclusie met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.2 Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde Onder 3 is aan [verdachte] het medeplegen van identiteitsfraude, strafbaar gesteld in artikel 231b Sr, ten laste gelegd. In artikel 231b Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander strafbaar gesteld, indien dat gebruik plaatsvindt met het oogmerk om zijn identiteit te verhullen en/of de identiteit van de ander te verhullen of misbruiken waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Identificerende persoonsgegevens zijn gegevens waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd, zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken. Het nadeel dat uit het gebruik kan ontstaan moet betrekking hebben op degene wiens persoonsgegevens zijn misbruikt. De aan [verdachte] ten laste gelegde identiteitsfraude ziet op het gebruik van de voor- en/of achternamen en afbeeldingen van een identiteitskaart, rijbewijs en/of bankpas met daarop identificerende gegevens van drie personen, te weten [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] . Deze namen en afbeeldingen zou [verdachte] in een WhatsApp-bericht telkens naar drie met name genoemde personen hebben gestuurd, met het doel om zijn eigen identiteit voor die personen verborgen te houden. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 Met betrekking tot [slachtoffer] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Begin november 2016 heeft [slachtoffer] – in verband met de verkoop van een door hem op Marktplaats te koop aangeboden cassettedeck – een foto van zijn bankpas en rijbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een aspirant koper die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Halverwege december 2016 is hij gebeld door een medewerkster van de [benadeelde 4] met de mededeling dat men geprobeerd had om met de gegevens van zijn bankpas en rijbewijs frauduleuze handelingen te verrichten. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] en [slachtoffer] ook een foto van het rijbewijs van [slachtoffer] gestuurd. Ook met betrekking tot [naam] is hiervoor reeds vastgesteld dat hij aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Eind oktober 2016 heeft [naam] – in verband met de verkoop van op Marktplaats te koop aangeboden oordopjes – een foto van zijn bankpas en identiteitsbewijs via WhatsApp opgestuurd naar een persoon die zich [naam] noemde en gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Nadien is hij door ongeveer zestien personen benaderd omdat zij waren opgelicht door iemand die gebruik maakte van zijn naam en gegevens. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] ook een foto van de identiteitskaart van [naam] gestuurd. Zoals hiervoor reeds vastgesteld heeft [slachtoffer] een foto van zijn bankpas gestuurd naar de persoon die zich [naam] noemde, in verband met de betaling door [naam] van een dwarsfluit. Uit het dossier blijkt dat de bankpas van [slachtoffer] nadien naar 21 andere aangevers van internetoplichting is gestuurd. Onder deze aangevers bevonden zich [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in het contact met [slachtoffer] heeft voorgedaan als [naam] . Eveneens is bewezen verklaard dat [verdachte] in het contact met de aangevers [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] de naam [naam] heeft gebruikt. Daarnaast heeft [verdachte] aan [slachtoffer] ook een foto van de identiteitskaart van [naam] gestuurd. [verdachte] heeft de namen van [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] en afbeeldingen van hun identiteitskaarten, rijbewijzen en bankpassen met daarop gegevens, zonder hun toestemming gebruikt in het contact met andere aangevers. Deze namen en de gegevens op de afbeeldingen zoals naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken (bankrekeningnummers) zijn identificerende persoonsgegevens. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de genoemde aangevers telkens het idee heeft gegeven dat zij daadwerkelijk te maken hadden met [slachtoffer] en [naam] respectievelijk dat zij betaald zouden worden vanaf de bankrekening van [slachtoffer] , teneinde te verhullen dat zij in werkelijkheid met hem, verdachte [verdachte] , contact hadden en hij heeft hun identiteit misbruikt. Daarnaast acht de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat hierdoor enig nadeel voor [slachtoffer] , [naam] en [slachtoffer] is ontstaan. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 3 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de identiteitsfraude met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 3 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.3. Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde Onder 4 is verdachte [verdachte] het medeplegen van computervredebreuk, als bedoeld in artikel 138ab lid 1 en 2 Sr ten laste gelegd. Hem wordt – kort gezegd – verweten dat hij met behulp van een valse sleutel is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk, te weten de persoonlijke mobiel bankieren pagina/app/bankomgeving van [slachtoffer] en [slachtoffer] en vervolgens gegevens die in die bankomgeving worden verwerkt voor zichzelf heeft overgenomen door geldbedragen van de bankrekeningen van de genoemde personen over te boeken naar een andere rekening. De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Aangever [slachtoffer] is op 25 april 2016 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam] (adres: [adres] ) noemde en reageerde op een advertentie van [slachtoffer] op Marktplaats voor een gitaar. Nadat beide partijen tot overeenstemming over de prijs waren gekomen heeft [naam] aan [slachtoffer] geappt dat zij via een zakelijke rekening wilde betalen en dat [slachtoffer] de betaling moest bevestigen. Op aanwijzing van [naam] heeft [slachtoffer] een foto van zijn bankpas aan [naam] doorgestuurd en in goed vertrouwen het mobiel bankieren van een iPhone 6 geactiveerd. Ook heeft hij de tancode van zijn [benadeelde 4] bankrekening aan [naam] doorgegeven. Daardoor heeft hij, via mobiel bankieren, de telefoon van [naam] toegang gegeven tot zijn bankrekening. Vervolgens is dezelfde dag in totaal € 755,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar een voor [slachtoffer] onbekende bankrekening, te weten bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [naam] . De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [naam] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting.
Volledig
Zo is aangever [benadeelde 5] een dag eerder, op 24 april 2016, eveneens benaderd door verdachte [verdachte] , die in dat contact de naam [naam] gebruikte. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de [benadeelde 4] ) van [slachtoffer] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [slachtoffer] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. [slachtoffer] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [naam] noemde en die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een trompet. Ook [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [slachtoffer] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] op naam van ‘ [naam] ’. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [naam] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting. Zo zijn de aangevers [slachtoffer] en [slachtoffer] op dezelfde dag, te weten 18 december 2016, benaderd door [verdachte] , die in dat contact de naam [naam] gebruikte. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de [benadeelde 3] ) van [slachtoffer] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [slachtoffer] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 4 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de computervredebreuk met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 4 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.4Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde Feit 5 betreft de deelneming aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 140 Sr. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 5 De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en computervredebreuk met betrekking tot meerdere personen. Uit het dossier kan de volgende werkwijze worden vastgesteld. De verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. [verdachte] reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [verdachte] en de koper een bedrag overeen. [verdachte] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [verdachte] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [verdachte] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [verdachte] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [verdachte] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [verdachte] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [verdachte] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [verdachte] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakt geld. Ook betaalt [verdachte] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de Media Markt en BCC, waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [medeverdachte 1] of een door [medeverdachte 1] of [verdachte] geregelde katvanger. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen. Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats: - contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats; - overhalen/betalen van een katvanger; - regelen van de pas en bijbehorende pincode; - verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder; - overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening; - informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort; - binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of - bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen. Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij [verdachte] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield.
Volledig
Zo is aangever [benadeelde 5] een dag eerder, op 24 april 2016, eveneens benaderd door verdachte [verdachte] , die in dat contact de naam [naam] gebruikte. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de [benadeelde 4] ) van [slachtoffer] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [slachtoffer] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. [slachtoffer] heeft op 18 december 2016 via WhatsApp contact gehad met een persoon die zich [naam] noemde en die reageerde op een advertentie van [slachtoffer] voor een trompet. Ook [slachtoffer] heeft op aanwijzing van [slachtoffer] de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening aan hem doorgegeven, ter bevestiging van de overboeking door [slachtoffer] . Vervolgens is op 18 december 2016 in totaal € 1.000,-- van de rekening van [slachtoffer] overgeboekt naar rekening [rekeningnummer] op naam van ‘ [naam] ’. De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] onder de naam van [naam] contact heeft gehad met meerdere aangevers van oplichting. Zo zijn de aangevers [slachtoffer] en [slachtoffer] op dezelfde dag, te weten 18 december 2016, benaderd door [verdachte] , die in dat contact de naam [naam] gebruikte. Op grond van de weergeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] opzettelijk en wederrechtelijk met behulp van valselijk verkregen inloggegevens heeft ingelogd in de mobiel internetbankieren pagina/app/bank-omgeving (van de [benadeelde 3] ) van [slachtoffer] en vervolgens een geldbedrag van de bankrekening van [slachtoffer] heeft overgeboekt naar een andere bankrekening. Het onderdeel ‘één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 4 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de computervredebreuk met betrekking tot meer aangevers dan de in de tenlastelegging genoemde personen ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 4 bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft. De conclusie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. 4 3.1.4Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde Feit 5 betreft de deelneming aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 140 Sr. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 5 De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en computervredebreuk met betrekking tot meerdere personen. Uit het dossier kan de volgende werkwijze worden vastgesteld. De verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. [verdachte] reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [verdachte] en de koper een bedrag overeen. [verdachte] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [verdachte] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [verdachte] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [verdachte] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [verdachte] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [verdachte] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [verdachte] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [verdachte] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakt geld. Ook betaalt [verdachte] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de Media Markt en BCC, waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [medeverdachte 1] of een door [medeverdachte 1] of [verdachte] geregelde katvanger. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen. Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats: - contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats; - overhalen/betalen van een katvanger; - regelen van de pas en bijbehorende pincode; - verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder; - overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening; - informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort; - binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of - bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen. Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij [verdachte] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield.
Volledig
Voor het regelen en van de benodigde bankpasjes en het pinnen van het geld van de rekeningen van de katvangers schakelde [verdachte] zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in. Op verzoek van [verdachte] regelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] tegen een geringe vergoeding een “ [benadeelde 3] ” (bankpas [benadeelde 3] ) van een katvanger. Direct nadat het geld was weggesluisd door [verdachte] gaf hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] een seintje dat zij zich naar de pinautomaat (“ [benadeelde 3] ”) moesten begeven. Vervolgens namen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] of een katvanger enkele minuten na de overboeking de bedragen met duizenden (kop) euro’s tegelijk op bij de pinautomaat, waarna zij het gepinde geld aan [verdachte] afgaven. Het bewijs voor deze handelingen wordt op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [verdachte] en anderzijds [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) en door verklaringen van de personen die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld. De verdachten hebben rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen steeds nauw contact met elkaar gehad en zij stemden onderling af hoe te handelen voor en na de oplichtingen. Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een groot aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals eerder overwogen acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 4 bewezen. [verdachte] wist dan ook dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, computervredebreuk, ID-fraude en het witwassen van het daarmee verkregen geld. De rechtbank leidt uit het dossier af dat meer dan 350 personen het slachtoffer zijn geworden van oplichting door de criminele organisatie, waarbij in totaal meer dan € 325.000,-- aan nadeel is vastgesteld. Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 5 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast verdachte [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. De conclusie met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten: 1. hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 te [plaats] en/of één of meer andere plaatsen, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en /of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en /of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde 1] (aangifte 31, p. 1348 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 34, p. 1383 ev. dossier) - [benadeelde 2] (aangifte 35, p. 1393 ev. dossier) en /of - [slachtoffer] (aangifte 30, p. 1425 ev. dossier) en/of één of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door die aangevers/benadeelden op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer] via 'Whattsapp' contact opgenomen met die aangevers/benadeelden, - zich voorgedaan als [naam] en/ of [naam] ( en/of daarbij ) een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers /benadeelden verstuurd /verzonden , - aan aangevers/benadeelden gevraagd om een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas terug te sturen, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in op omstreeks de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en /of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en /of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [slachtoffer] (aangever 73, p.1600 dossier), - [benadeelde 5] (aangever 87, p.1700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 293, p. 1900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 291, p. 2100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 312, p. 2200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 304, p. 2400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 310, p. 2700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 319, p. 2900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 355, p. 3100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 323, p. 3300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 388, p. 3400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 387, p. 3600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 359, p. 3700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 325, p. 3900 dossier) - [benadeelde 7] (aangever 372, p. 4100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 348, p. 4300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 317, p. 4500 dossier) - [slachtoffer] (aangever 327, p. 4700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 334, p.5032 dossier) - [slachtoffer] (aangever 341, p. 5200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 340, p. 5400 dossier) - [slachtoffer] (p. 5600 dossier) - [benadeelde 8] (aangever 93, p. 6500 dossier) - [benadeelde 9] (aangever 356, p.7000 dossier) - [benadeelde 10] (aangever 376, p.7200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 303, p.7600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 313, p. 7900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 353, p.
Volledig
Voor het regelen en van de benodigde bankpasjes en het pinnen van het geld van de rekeningen van de katvangers schakelde [verdachte] zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in. Op verzoek van [verdachte] regelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] tegen een geringe vergoeding een “ [benadeelde 3] ” (bankpas [benadeelde 3] ) van een katvanger. Direct nadat het geld was weggesluisd door [verdachte] gaf hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] een seintje dat zij zich naar de pinautomaat (“ [benadeelde 3] ”) moesten begeven. Vervolgens namen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] of een katvanger enkele minuten na de overboeking de bedragen met duizenden (kop) euro’s tegelijk op bij de pinautomaat, waarna zij het gepinde geld aan [verdachte] afgaven. Het bewijs voor deze handelingen wordt op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [verdachte] en anderzijds [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) en door verklaringen van de personen die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld. De verdachten hebben rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen steeds nauw contact met elkaar gehad en zij stemden onderling af hoe te handelen voor en na de oplichtingen. Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een groot aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals eerder overwogen acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 4 bewezen. [verdachte] wist dan ook dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank bewezen dat verdachte [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, computervredebreuk, ID-fraude en het witwassen van het daarmee verkregen geld. De rechtbank leidt uit het dossier af dat meer dan 350 personen het slachtoffer zijn geworden van oplichting door de criminele organisatie, waarbij in totaal meer dan € 325.000,-- aan nadeel is vastgesteld. Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 5 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast verdachte [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel. De conclusie met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, zoals hiervoor overwogen. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten: 1. hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 te [plaats] en/of één of meer andere plaatsen, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en /of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en /of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde 1] (aangifte 31, p. 1348 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 34, p. 1383 ev. dossier) - [benadeelde 2] (aangifte 35, p. 1393 ev. dossier) en /of - [slachtoffer] (aangifte 30, p. 1425 ev. dossier) en/of één of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door die aangevers/benadeelden op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop gevraagd artikel, - middels het mobiele nummer [telefoonnummer] via 'Whattsapp' contact opgenomen met die aangevers/benadeelden, - zich voorgedaan als [naam] en/ of [naam] ( en/of daarbij ) een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas naar die aangevers /benadeelden verstuurd /verzonden , - aan aangevers/benadeelden gevraagd om een afbeelding van een identiteitsbewijs en/of bankpas terug te sturen, - daarbij te kennen gegeven het gevraagde artikel te kunnen leveren, - aangegeven dat na de betaling op rekeningnummer [rekeningnummer] direct de gevraagde goederen op te zullen sturen; 2. hij in op omstreeks de periode van 10 april 2016 tot en met 4 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en /of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en /of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [slachtoffer] (aangever 73, p.1600 dossier), - [benadeelde 5] (aangever 87, p.1700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 293, p. 1900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 291, p. 2100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 312, p. 2200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 304, p. 2400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 310, p. 2700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 319, p. 2900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 355, p. 3100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 323, p. 3300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 388, p. 3400 dossier) - [slachtoffer] (aangever 387, p. 3600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 359, p. 3700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 325, p. 3900 dossier) - [benadeelde 7] (aangever 372, p. 4100 dossier) - [slachtoffer] (aangever 348, p. 4300 dossier) - [slachtoffer] (aangever 317, p. 4500 dossier) - [slachtoffer] (aangever 327, p. 4700 dossier) - [slachtoffer] (aangever 334, p.5032 dossier) - [slachtoffer] (aangever 341, p. 5200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 340, p. 5400 dossier) - [slachtoffer] (p. 5600 dossier) - [benadeelde 8] (aangever 93, p. 6500 dossier) - [benadeelde 9] (aangever 356, p.7000 dossier) - [benadeelde 10] (aangever 376, p.7200 dossier) - [slachtoffer] (aangever 303, p.7600 dossier) - [slachtoffer] (aangever 313, p. 7900 dossier) - [slachtoffer] (aangever 353, p.
Volledig
8000 dossier) en/of één of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] bank aan verdachte en/of diens mededader(s) immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een afbeelding van een (vals) identiteitsbewijs en/of bankpas, althans een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde persoon/ personen verzonden, - aan voornoemde persoon/personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - een of meer Whatsapp bericht ( en ) naar voornoemde persoon/ personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die persoon /personen een cijfer- en/of bevestigingscode moest (en) doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde persoon/ personen die code ( 's ) heeft/ hebben doorgegeven en /of - vervolgens nog één of meerdere Whatsapp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde persoon/ personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien, althans woorden van dergelijke aard of strekking (al dan niet in een andere volgorde en/of samenstelling); 3. hij in de periode van of omstreeks 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander of anderen te weten: - ( een deel / delen van ) de voorna (a) m ( en ) en/of achterna ( a ) m ( en ) van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van [slachtoffer] (aangifte p. 9107 ev. dossier), [naam] (aangifte 235, p. 9206 ev. dossier), [slachtoffer] (aangifte 293, p. 1900 ev. dossier), en/of één of meer andere personen heeft /hebben gebruikt door - ( telkens) (een deel / delen van) de voorna (a) m ( en ) en/of achterna (a) m ( en ) van voornoemde [slachtoffer] , [naam] en/ of [slachtoffer] te noemen en/of te vermelden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen /verzenden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar - [slachtoffer] (aangifte 325), - [slachtoffer] (aangifte 341) - [slachtoffer] (aangifte 348) en/of - [slachtoffer] (aangifte 291), - [slachtoffer] (aangifte 293), - [slachtoffer] , (aangifte 312) en/of - [slachtoffer] , (aangifte 355) - [slachtoffer] , (aangifte 323) - [slachtoffer] (aangifte 319) , en/of één of meer andere personen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en /of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij op in of omstreeks 25 april 2016 en /of op of omstreeks 18 december 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren pagina/ app/bankomgeving van de bank ( [benadeelde 4] en/ of [benadeelde 3] ) van één of meer personen, waaronder: - [slachtoffer] (aangifte 91, p. 9310 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 328, p. 9321 ev. dossier), en/of één of meer andere personen, is binnengedrongen a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en /of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats i.v.m. een door hen te koop aangeboden artikel, - via Whatsapp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via Whatsapp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [naam] en/of [slachtoffer] en/of één of meer andere personen waardoor/waarmee hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich heeft/hebben voorgedaan als een bonafide koper van één of meer goederen - via Whatsapp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die/een valse hoedanigheid, althans onrechtmatig, althans vals verkregen inloggegevens/inlogcodes en/of bevestigingscodes in te loggen op/in de webserver en/of de mobiel internetbankieren pagina/app/bankomgeving van de bank van die [slachtoffer] , [slachtoffer] en/of één of meer andere personen; en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekening(en) over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] en /of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen en heling en/of één of meer andere misdrijven ). Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en identiteit van een ander te misbruiken, meermalen gepleegd. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen met behulp van een valse sleutel voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd. Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Standpunt verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte bij een veroordeling verdachte een gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat verdachte al eerder een lange gevangenisstraf heeft ondergaan.
Volledig
8000 dossier) en/of één of meer andere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het ter beschikking stellen van inloggegevens en/of (transactie)codes van de bankrekening van voornoemde personen bij de [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] bank aan verdachte en/of diens mededader(s) immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - naar aanleiding van een door voornoemde personen op Marktplaats geplaatste advertentie met daarin een te koop aangeboden artikel, - middels een mobiele telefoon via 'WhatsApp' contact opgenomen met voornoemde personen en daarbij snel overeenstemming bereikt met betrekking tot de koop/verkoopprijs, - een afbeelding van een (vals) identiteitsbewijs en/of bankpas, althans een niet op verdachtes naam staand identiteitsbewijs en/of bankpas naar voornoemde persoon/ personen verzonden, - aan voornoemde persoon/personen gevraagd om ook een afbeelding en/of de gegevens van hun identiteitskaart en bankpas terug te sturen, - aangegeven voor de betaling gebruik te willen maken van een zakelijke bankrekening, - aangegeven dat het voor het doen van de zakelijke betaling noodzakelijk was om de telefoon van hem, verdachte toe te voegen aan de rekening van voornoemde personen, - aangegeven de betaling direct in orde te zullen maken, - een of meer Whatsapp bericht ( en ) naar voornoemde persoon/ personen verzonden waarin werd uitgelegd dat die persoon /personen een cijfer- en/of bevestigingscode moest (en) doorgeven ter bevestiging van de betaling, - waarna voornoemde persoon/ personen die code ( 's ) heeft/ hebben doorgegeven en /of - vervolgens nog één of meerdere Whatsapp berichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat voornoemde persoon/ personen nog een uur moest wachten om de betaling op hun bankrekening te kunnen zien, althans woorden van dergelijke aard of strekking (al dan niet in een andere volgorde en/of samenstelling); 3. hij in de periode van of omstreeks 19 oktober 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander of anderen te weten: - ( een deel / delen van ) de voorna (a) m ( en ) en/of achterna ( a ) m ( en ) van na te noemen personen en/of - een afbeelding van een identiteitskaart en/of een rijbewijs en/of een bankpas op naam van [slachtoffer] (aangifte p. 9107 ev. dossier), [naam] (aangifte 235, p. 9206 ev. dossier), [slachtoffer] (aangifte 293, p. 1900 ev. dossier), en/of één of meer andere personen heeft /hebben gebruikt door - ( telkens) (een deel / delen van) de voorna (a) m ( en ) en/of achterna (a) m ( en ) van voornoemde [slachtoffer] , [naam] en/ of [slachtoffer] te noemen en/of te vermelden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar en/of - die afbeeldingen met die identificerende gegevens (telkens) te versturen /verzenden in een Whatsapp-bericht of een email-bericht naar - [slachtoffer] (aangifte 325), - [slachtoffer] (aangifte 341) - [slachtoffer] (aangifte 348) en/of - [slachtoffer] (aangifte 291), - [slachtoffer] (aangifte 293), - [slachtoffer] , (aangifte 312) en/of - [slachtoffer] , (aangifte 355) - [slachtoffer] , (aangifte 323) - [slachtoffer] (aangifte 319) , en/of één of meer andere personen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en /of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan; 4. hij op in of omstreeks 25 april 2016 en /of op of omstreeks 18 december 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (telkens) in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de webserver en/of persoonlijke mobiel bankieren pagina/ app/bankomgeving van de bank ( [benadeelde 4] en/ of [benadeelde 3] ) van één of meer personen, waaronder: - [slachtoffer] (aangifte 91, p. 9310 ev. dossier), - [slachtoffer] (aangifte 328, p. 9321 ev. dossier), en/of één of meer andere personen, is binnengedrongen a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en /of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, door - na een door hiervoor genoemde personen geplaatste advertentie op Marktplaats i.v.m. een door hen te koop aangeboden artikel, - via Whatsapp contact met die personen te maken en snel overeenstemming te bereiken over de vraagprijs, - het via Whatsapp naar voornoemde personen versturen van een kopie van een bankpas en/of ID bewijs op naam van [naam] en/of [slachtoffer] en/of één of meer andere personen waardoor/waarmee hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich heeft/hebben voorgedaan als een bonafide koper van één of meer goederen - via Whatsapp (vervolgens) aan te geven dat er voor de betaling van goederen gebruik diende te worden gemaakt van een zakelijke rekening, - met behulp van door die/een valse hoedanigheid, althans onrechtmatig, althans vals verkregen inloggegevens/inlogcodes en/of bevestigingscodes in te loggen op/in de webserver en/of de mobiel internetbankieren pagina/app/bankomgeving van de bank van die [slachtoffer] , [slachtoffer] en/of één of meer andere personen; en hij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen (te weten door (telkens) met behulp van die vals verkregen bevestigingscodes een geldbedrag van die rekening(en) over te boeken naar een andere rekening); 5. hij in de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] en /of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen en heling en/of één of meer andere misdrijven ). Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en identiteit van een ander te misbruiken, meermalen gepleegd. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen met behulp van een valse sleutel voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd. Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Standpunt verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte bij een veroordeling verdachte een gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat verdachte al eerder een lange gevangenisstraf heeft ondergaan.
Volledig
Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een veroordeling verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf voor de maximale duur op te leggen. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen. Verdachte heeft een sturende rol gehad in de criminele organisatie en heeft gedurende een jaar een groot aantal personen opgelicht, identificerende persoonsgegevens misbruikt en computervredebreuk gepleegd. Aan de hand van advertenties op Marktplaats benaderde verdachte aangevers waarbij hij zich voordeed als koper of verkoper en op slinkse wijze het vertrouwen wekte van aangevers. Dat deed hij niet alleen door vertrouwenwekkende teksten via WhatsAppberichten te sturen en foto’s van kinderen als profielfoto te gebruiken, maar ook door het sturen van foto’s van identiteitsbewijzen en bankpassen die van anderen waren. Aangevers kregen daardoor ten onrechte de indruk dat zij met een betrouwbare koper of verkoper te maken hadden, waarna zij op geraffineerde wijze werden opgelicht. Sommige aangevers betaalden voor goederen die zij niet geleverd kregen, maar in verreweg de meeste gevallen deed verdachte zich voor als koper, deed hij alsof hij meteen via een zakelijke rekening kon betalen en gaf hij aangevers instructies waarmee hij hen op sluwe wijze bankcodes ontfutselde. Als geweigerd werd codes af te geven, dreigde hij vaak met het inschakelen van de motorclub [club] , wat door enkele aangevers als zeer bedreigend is ervaren. Na ontvangst van de codes verschafte verdachte zichzelf zonder toestemming toegang tot het internetbankieren van aangevers en werd geld overgeschreven op andere bankrekeningen, veelal bankrekeningen van katvangers. Vaak ging het daarbij om forse bedragen. Ook werden goederen door verdachte besteld die werden betaald vanaf bankrekeningen van aangevers. Bedragen die werden overgeschreven werden kort na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat. Het geld werd meestal gepind door leden van de criminele organisatie, maar ook door anderen. Als anderen pinden waren leden van de criminele organisatie in de regel in de directe nabijheid en moest het geld aan hen worden afgegeven. Voorafgaand aan het pinnen ronselden de leden van de criminele organisatie katvangers die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten zij katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bestelde goederen werden doorgaans door leden van de criminele organisatie opgehaald, soms schakelden zij anderen daarvoor in. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. Verdachte was daarin de spin in het web. Hij lichtte de mensen op, gaf opdrachten om pinpassen te regelen, te pinnen en bestelde goederen op te halen. Het gepinde geld en opgehaalde goederen moesten bij verdachte worden ingeleverd. Ook bepaalde hij de hoogte van de vergoedingen die de leden van de criminele organisatie en anderen kregen voor hun activiteiten. Op deze manier zijn meer dan 350 mensen opgelicht voor een bedrag van in totaal ruim € 325.000,-. Het hof rekent verdachte het gebruik van deze professionele werkwijze in een strak georganiseerd verband zwaar aan. Door zo te handelen heeft hij niet alleen op grove wijze het vertrouwen geschaad dat aangevers in hem als koper of verkoper hadden, maar ook het vertrouwen van mensen in websites zoals Marktplaats waar zij elkaar digitaal ontmoeten om zaken te doen. Digitale oplichtingspraktijken hebben bovendien tot gevolg dat mensen minder vertrouwen hebben in elektronisch bankieren. Met de gevolgen voor aangevers en de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden, heeft hij geen rekening gehouden. Een aantal aangevers heeft de overgeschreven bedragen niet vergoed gekregen van hun bank en heeft daardoor schade geleden. Dikwijls hadden aangevers gevoelens van schaamte, omdat zij zich hebben laten oplichten. Aangevers van wie persoonsgegevens bij de oplichtingen zijn misbruikt, zijn door andere aangevers benaderd en onheus bejegend omdat zij ten onrechte werden aangezien voor oplichters. De rekeningen van de vele katvangers werden door de bank geblokkeerd waarna vaak de bankrelatie door de bank werd opgezegd. Kortom, verdachte liet door zijn gewetenloze handelen een spoor van ellende achter en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiël
Volledig
Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een veroordeling verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf voor de maximale duur op te leggen. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen. Verdachte heeft een sturende rol gehad in de criminele organisatie en heeft gedurende een jaar een groot aantal personen opgelicht, identificerende persoonsgegevens misbruikt en computervredebreuk gepleegd. Aan de hand van advertenties op Marktplaats benaderde verdachte aangevers waarbij hij zich voordeed als koper of verkoper en op slinkse wijze het vertrouwen wekte van aangevers. Dat deed hij niet alleen door vertrouwenwekkende teksten via WhatsAppberichten te sturen en foto’s van kinderen als profielfoto te gebruiken, maar ook door het sturen van foto’s van identiteitsbewijzen en bankpassen die van anderen waren. Aangevers kregen daardoor ten onrechte de indruk dat zij met een betrouwbare koper of verkoper te maken hadden, waarna zij op geraffineerde wijze werden opgelicht. Sommige aangevers betaalden voor goederen die zij niet geleverd kregen, maar in verreweg de meeste gevallen deed verdachte zich voor als koper, deed hij alsof hij meteen via een zakelijke rekening kon betalen en gaf hij aangevers instructies waarmee hij hen op sluwe wijze bankcodes ontfutselde. Als geweigerd werd codes af te geven, dreigde hij vaak met het inschakelen van de motorclub [club] , wat door enkele aangevers als zeer bedreigend is ervaren. Na ontvangst van de codes verschafte verdachte zichzelf zonder toestemming toegang tot het internetbankieren van aangevers en werd geld overgeschreven op andere bankrekeningen, veelal bankrekeningen van katvangers. Vaak ging het daarbij om forse bedragen. Ook werden goederen door verdachte besteld die werden betaald vanaf bankrekeningen van aangevers. Bedragen die werden overgeschreven werden kort na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat. Het geld werd meestal gepind door leden van de criminele organisatie, maar ook door anderen. Als anderen pinden waren leden van de criminele organisatie in de regel in de directe nabijheid en moest het geld aan hen worden afgegeven. Voorafgaand aan het pinnen ronselden de leden van de criminele organisatie katvangers die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten zij katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bestelde goederen werden doorgaans door leden van de criminele organisatie opgehaald, soms schakelden zij anderen daarvoor in. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. Verdachte was daarin de spin in het web. Hij lichtte de mensen op, gaf opdrachten om pinpassen te regelen, te pinnen en bestelde goederen op te halen. Het gepinde geld en opgehaalde goederen moesten bij verdachte worden ingeleverd. Ook bepaalde hij de hoogte van de vergoedingen die de leden van de criminele organisatie en anderen kregen voor hun activiteiten. Op deze manier zijn meer dan 350 mensen opgelicht voor een bedrag van in totaal ruim € 325.000,-. Het hof rekent verdachte het gebruik van deze professionele werkwijze in een strak georganiseerd verband zwaar aan. Door zo te handelen heeft hij niet alleen op grove wijze het vertrouwen geschaad dat aangevers in hem als koper of verkoper hadden, maar ook het vertrouwen van mensen in websites zoals Marktplaats waar zij elkaar digitaal ontmoeten om zaken te doen. Digitale oplichtingspraktijken hebben bovendien tot gevolg dat mensen minder vertrouwen hebben in elektronisch bankieren. Met de gevolgen voor aangevers en de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden, heeft hij geen rekening gehouden. Een aantal aangevers heeft de overgeschreven bedragen niet vergoed gekregen van hun bank en heeft daardoor schade geleden. Dikwijls hadden aangevers gevoelens van schaamte, omdat zij zich hebben laten oplichten. Aangevers van wie persoonsgegevens bij de oplichtingen zijn misbruikt, zijn door andere aangevers benaderd en onheus bejegend omdat zij ten onrechte werden aangezien voor oplichters. De rekeningen van de vele katvangers werden door de bank geblokkeerd waarna vaak de bankrelatie door de bank werd opgezegd. Kortom, verdachte liet door zijn gewetenloze handelen een spoor van ellende achter en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiël