Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-08
ECLI:NL:GHARL:2026:2628
Civiel recht
Hoger beroep
7,298 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2628 text/xml public 2026-05-06T08:00:02 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-08 200.349.719 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2628 text/html public 2026-04-29T08:51:41 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2628 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-04-2026 / 200.349.719 Geschil tussen buren over erfgrens. Verkrijgende verjaring. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.349.719 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 431075 arrest van 28 april 2026 in de zaak van 1 [appellant1] 2. [appellant2] die wonen in [woonplaats1] hierna gezamenlijk: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud) advocaat: mr. B. Altena en 1 [geintimeerde1] 2. [geintimeerde2] die wonen in [woonplaats1] hierna gezamenlijk: [geintimeerden] (in mannelijk enkelvoud) advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 24 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden, met de daarin vermelde nadere stukken. 1.2. Na de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. Partijen zijn buren. Tussen hen is een geschil ontstaan over de schutting van [geintimeerden] die tussen beide percelen staat. Volgens [appellanten] staat die grotendeels op zijn perceel. 2.2. [appellanten] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geintimeerden] wordt veroordeeld onder verbeurte van een dwangsom de in de dagvaarding genoemde onrechtmatigheid te beëindigen en beëindigd te houden, aan [appellanten] € 460,- te betalen voor de kosten van een kadastrale grensreconstructie, aan [appellanten] € 925,- te betalen voor de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten te betalen. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [geintimeerden] op verkrijgende verjaring slaagt en heeft de vorderingen van [appellanten] daarom afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de relevante feiten vastgesteld. Partijen hebben daartegen niet gegriefd, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan. 3.2. De rechtbank heeft in 4.5 van het vonnis het juridisch kader aangegeven, op grond waarvan beoordeel moet worden of [geintimeerden] door verkrijgende verjaring de strook grond waar deze zaak over gaat in bezit heeft genomen. Tegen deze overweging is geen grief gericht. De rechtbank heeft het juridisch kader juist vastgesteld en het hof neemt dat kader over. 3.3. [appellanten] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de strook grond 40 jaar geleden door de rechtsvoorganger van [geintimeerden] in bezit is genomen. [appellanten] stelt dat hij dit gemotiveerd heeft betwist en dat er geen sprake van eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring kan zijn. Volgens [appellanten] is er pas in 2019, bij het vervangen van een deel van de schutting, sprake geweest van inbezitneming door [geintimeerden] . Toen zijn in opdracht van [geintimeerden] zeven schuttingdelen vervangen en die zijn op het perceel van [appellanten] geplaatst. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank het verweer van [geintimeerden] terecht aangemerkt als een bevrijdend verweer, maar vervolgens ten onrechte beslist dat [appellanten] de door [geintimeerden] in dat kader gestelde feiten onvoldoende heeft weersproken. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed aan de vragen: wie heeft de oorspronkelijke erfafscheiding geplaatst? waar is de oorspronkelijke erfafscheiding exact geplaatst? is met het plaatsen van de oorspronkelijke erfafscheiding grond van het perceel van [appellanten] in bezit genomen? [appellanten] meent dat de rechtbank de artikelen 149 en 150 Rv verkeerd heeft toegepast. 3.4. Het hof stelt voorop dat gelet op het verjaringsverweer van [geintimeerden] beoordeeld moet worden of door (de rechtsvoorgangers van) [geintimeerden] grond van (de rechtsvoorgangers van) [appellanten] in bezit is genomen en, zo ja, of dit gedurende tien jaren (verkrijgende verjaring) of twintig jaren (bevrijdende verjaring) voorafgaand aan de opeising van de grond door [appellanten] in september 2023 ongewijzigd het geval is geweest. 3.5. Omdat [geintimeerden] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat sprake is van verjaring, moet hij voldoende feiten en omstandigheden stellen die dat onderbouwen. Als [appellanten] die feiten en omstandigheden voldoende weerspreekt, moet [geintimeerden] vervolgens de door hem gestelde feiten en omstandigheden bewijzen. 3.6. [geintimeerden] stelt dat de schutting waarschijnlijk in 1980 is gebouwd en dat de plaats waar schutting staat sindsdien niet is gewijzigd. Bij het vervangen van delen van de schutting is de schutting volgens [geintimeerden] niet verplaatst. [geintimeerden] beroept zich op diverse verklaringen, waar het hof hierna op terugkomt. 3.7. Het hof is van oordeel dat het plaatsen van een schutting op het erf van de rechtsvoorganger van [appellanten] meebrengt dat die rechtsvoorganger niet meer de macht kan uitoefenen over het stuk grond dat is gelegen tussen die schutting en de (kadastrale) erfgrens van het perceel dat nu van [geintimeerden] is. Het hof begrijpt de grieven gelet op de toelichting tijdens de mondelinge behandeling zo, dat [appellanten] dit uitgangspunt niet betwist, maar dat volgens hem de schutting oorspronkelijk (40 jaar geleden) op de kadastrale erfgrens en in een rechte lijn is geplaatst. Daardoor kan er volgens [appellanten] toen geen verjaringstermijn zijn gaan lopen. Volgens [appellanten] is die termijn pas in 2019 aangevangen. 3.8. Mevrouw [naam1] (de rechtsvoorganger van [geintimeerden] ) heeft in een verklaring [van] 2024 vermeld: “ Hierbij kan ik bevestigen dat er al een vlechtschutting stond om het gehele perceel toen wij er in 1981 kwamen wonen. Wij hebben zelf in de tijd dat wij er woonden geen veranderingen aangebracht aan de schutting. Wel hier en daar gerepareerd. ” De heer [naam2] , de hovenier van [geintimeerden] heeft in een ongedateerde verklaring vermeld: “ Begin 2019 hebben wij de oude hedera schutting bij het zwembad aan de [adres1] op verzoek van de bewoners verwijderd. Hiervoor is een gewone houten schutting met totaal 7 panelen voor in de plaats gekomen. De opdracht was om de nieuwe schutting exact op de plek van de oude te plaatsen. Deze schutting sluit aan beide zijden aan op de oudere al aanwezige schuttingpanelen. De eerste 3 panelen bij het zwembad zijn al wat ouder en niet door ons geplaatst. Wel hebben wij de palen hiervan in 2016 vervangen .” In een verklaring van 22 januari (jaartal is niet vermeld) schrijft de heer [naam2] : “ Al vele jaren zijn wij de vaste tuinman van het echtpaar [geintimeerden] . Alle tuin gerelateerde klussen worden door ons opgepakt. Momenteel zijn wij weer in de tuin bezig en vernam ik zo doende van de processtukken waarin beweerd wordt dat er in 2022 en 2023 enkele schuttingdelen onder andere achter de schuur verplaatst of vervangen zijn. Zoals eerder aangegeven hebben wij alleen de 7 panelen bij het zwembad vervangen in 2019. Wij hebben geen panelen in 2022 en 2023 vervangen of verschoven. Bovendien kan ik bevestigen dat het nog steeds hele oude vlechtschermen betreft. Als je deze verschuift vallen ze uit elkaar en sluiten ze ook niet meer aan op de overige nieuwe schermen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2628 text/xml public 2026-05-06T08:00:02 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-08 200.349.719 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2628 text/html public 2026-04-29T08:51:41 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2628 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-04-2026 / 200.349.719 Geschil tussen buren over erfgrens. Verkrijgende verjaring. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.349.719 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 431075 arrest van 28 april 2026 in de zaak van 1 [appellant1] 2. [appellant2] die wonen in [woonplaats1] hierna gezamenlijk: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud) advocaat: mr. B. Altena en 1 [geintimeerde1] 2. [geintimeerde2] die wonen in [woonplaats1] hierna gezamenlijk: [geintimeerden] (in mannelijk enkelvoud) advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 24 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden, met de daarin vermelde nadere stukken. 1.2. Na de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. Partijen zijn buren. Tussen hen is een geschil ontstaan over de schutting van [geintimeerden] die tussen beide percelen staat. Volgens [appellanten] staat die grotendeels op zijn perceel. 2.2. [appellanten] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geintimeerden] wordt veroordeeld onder verbeurte van een dwangsom de in de dagvaarding genoemde onrechtmatigheid te beëindigen en beëindigd te houden, aan [appellanten] € 460,- te betalen voor de kosten van een kadastrale grensreconstructie, aan [appellanten] € 925,- te betalen voor de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten te betalen. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [geintimeerden] op verkrijgende verjaring slaagt en heeft de vorderingen van [appellanten] daarom afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de relevante feiten vastgesteld. Partijen hebben daartegen niet gegriefd, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan. 3.2. De rechtbank heeft in 4.5 van het vonnis het juridisch kader aangegeven, op grond waarvan beoordeel moet worden of [geintimeerden] door verkrijgende verjaring de strook grond waar deze zaak over gaat in bezit heeft genomen. Tegen deze overweging is geen grief gericht. De rechtbank heeft het juridisch kader juist vastgesteld en het hof neemt dat kader over. 3.3. [appellanten] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de strook grond 40 jaar geleden door de rechtsvoorganger van [geintimeerden] in bezit is genomen. [appellanten] stelt dat hij dit gemotiveerd heeft betwist en dat er geen sprake van eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring kan zijn. Volgens [appellanten] is er pas in 2019, bij het vervangen van een deel van de schutting, sprake geweest van inbezitneming door [geintimeerden] . Toen zijn in opdracht van [geintimeerden] zeven schuttingdelen vervangen en die zijn op het perceel van [appellanten] geplaatst. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank het verweer van [geintimeerden] terecht aangemerkt als een bevrijdend verweer, maar vervolgens ten onrechte beslist dat [appellanten] de door [geintimeerden] in dat kader gestelde feiten onvoldoende heeft weersproken. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed aan de vragen: wie heeft de oorspronkelijke erfafscheiding geplaatst? waar is de oorspronkelijke erfafscheiding exact geplaatst? is met het plaatsen van de oorspronkelijke erfafscheiding grond van het perceel van [appellanten] in bezit genomen? [appellanten] meent dat de rechtbank de artikelen 149 en 150 Rv verkeerd heeft toegepast. 3.4. Het hof stelt voorop dat gelet op het verjaringsverweer van [geintimeerden] beoordeeld moet worden of door (de rechtsvoorgangers van) [geintimeerden] grond van (de rechtsvoorgangers van) [appellanten] in bezit is genomen en, zo ja, of dit gedurende tien jaren (verkrijgende verjaring) of twintig jaren (bevrijdende verjaring) voorafgaand aan de opeising van de grond door [appellanten] in september 2023 ongewijzigd het geval is geweest. 3.5. Omdat [geintimeerden] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat sprake is van verjaring, moet hij voldoende feiten en omstandigheden stellen die dat onderbouwen. Als [appellanten] die feiten en omstandigheden voldoende weerspreekt, moet [geintimeerden] vervolgens de door hem gestelde feiten en omstandigheden bewijzen. 3.6. [geintimeerden] stelt dat de schutting waarschijnlijk in 1980 is gebouwd en dat de plaats waar schutting staat sindsdien niet is gewijzigd. Bij het vervangen van delen van de schutting is de schutting volgens [geintimeerden] niet verplaatst. [geintimeerden] beroept zich op diverse verklaringen, waar het hof hierna op terugkomt. 3.7. Het hof is van oordeel dat het plaatsen van een schutting op het erf van de rechtsvoorganger van [appellanten] meebrengt dat die rechtsvoorganger niet meer de macht kan uitoefenen over het stuk grond dat is gelegen tussen die schutting en de (kadastrale) erfgrens van het perceel dat nu van [geintimeerden] is. Het hof begrijpt de grieven gelet op de toelichting tijdens de mondelinge behandeling zo, dat [appellanten] dit uitgangspunt niet betwist, maar dat volgens hem de schutting oorspronkelijk (40 jaar geleden) op de kadastrale erfgrens en in een rechte lijn is geplaatst. Daardoor kan er volgens [appellanten] toen geen verjaringstermijn zijn gaan lopen. Volgens [appellanten] is die termijn pas in 2019 aangevangen. 3.8. Mevrouw [naam1] (de rechtsvoorganger van [geintimeerden] ) heeft in een verklaring [van] 2024 vermeld: “ Hierbij kan ik bevestigen dat er al een vlechtschutting stond om het gehele perceel toen wij er in 1981 kwamen wonen. Wij hebben zelf in de tijd dat wij er woonden geen veranderingen aangebracht aan de schutting. Wel hier en daar gerepareerd. ” De heer [naam2] , de hovenier van [geintimeerden] heeft in een ongedateerde verklaring vermeld: “ Begin 2019 hebben wij de oude hedera schutting bij het zwembad aan de [adres1] op verzoek van de bewoners verwijderd. Hiervoor is een gewone houten schutting met totaal 7 panelen voor in de plaats gekomen. De opdracht was om de nieuwe schutting exact op de plek van de oude te plaatsen. Deze schutting sluit aan beide zijden aan op de oudere al aanwezige schuttingpanelen. De eerste 3 panelen bij het zwembad zijn al wat ouder en niet door ons geplaatst. Wel hebben wij de palen hiervan in 2016 vervangen .” In een verklaring van 22 januari (jaartal is niet vermeld) schrijft de heer [naam2] : “ Al vele jaren zijn wij de vaste tuinman van het echtpaar [geintimeerden] . Alle tuin gerelateerde klussen worden door ons opgepakt. Momenteel zijn wij weer in de tuin bezig en vernam ik zo doende van de processtukken waarin beweerd wordt dat er in 2022 en 2023 enkele schuttingdelen onder andere achter de schuur verplaatst of vervangen zijn. Zoals eerder aangegeven hebben wij alleen de 7 panelen bij het zwembad vervangen in 2019. Wij hebben geen panelen in 2022 en 2023 vervangen of verschoven. Bovendien kan ik bevestigen dat het nog steeds hele oude vlechtschermen betreft. Als je deze verschuift vallen ze uit elkaar en sluiten ze ook niet meer aan op de overige nieuwe schermen.
Volledig
In opdracht van familie [geintimeerden] gaan wij deze oude vlechtschermen achter en rechts van de schuur vervangen als er geen lopende rechtszaak meer is en de buurman accepteert dat de schutting op exact dezelfde plek geplaatst wordt. ” Mevrouw [naam3] (de rechtsvoorgangster van [appellanten] ) heeft in een schriftelijke verklaring vermeld: “ Op 1 september 2001 ben ik, [naam3] , met wijlen mijn echtgenoot [naam4] komen te wonen aan de [adres2] te [woonplaats1] . Er was toen al een vlecht schutting aanwezig tussen ons perceel en [adres1] . Deze schutting behoorde toe aan [adres1] . […] Deze schutting was destijds al zeker zo’n 20 jaar oud en was er op plekken slecht aan toe. […] Wij waren niet op de hoogte dat de schutting afwijkt van de oorspronkelijke kadastrale grens. Maar dat was dus al het geval voordat wij er kwamen wonen. Aan het begin van de oprit is door de familie [geintimeerden] een deel van de oude schutting al vervangen in 2008. Dit betrof de eerste 3 panelen. In 2019 hebben zij het restant vervangen. Dit betreft 7 panelen. Dit alles is in goed overleg met ons gegaan. Deze nieuwe schutting is gewoon op dezelfde plek geplaatst waar de oude schutting (met hedera begroeiing) stond. […] Hierbij bevestig ik nogmaals dat de erfgrens tussen beide percelen sinds 2001 niet is veranderd. ” 3.9. Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerden] zijn standpunt met deze verklaringen voldoende onderbouwd. Uit hetgeen deze drie personen verklaren – in onderlinge samenhang gelezen – volgt dat de schutting in ieder geval sinds 2001 op dezelfde plek heeft gestaan en dat de delen die zijn vernieuwd op dezelfde positie zijn teruggeplaatst, als de vervangen delen. [appellanten] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij stelt zonder enige onderbouwing dat de oorspronkelijke schutting op de kadastrale erfgrens is geplaatst. [appellanten] wijst erop dat de schutting aan het begin en aan het eind van de perceel op de erfgrens staat. Dit is door [geintimeerden] weerlegd met een foto die door [appellanten] is ingebracht (productie 5 bij dagvaarding eerste aanleg). [appellanten] heeft ook nog gewezen op de kadastrale kaart, waar de grens tussen de percelen als een rechte lijn is weergegeven. [geintimeerden] betwist niet dat de oorspronkelijke kadastrale grens een rechte lijn was. Dat gegeven betekent echter niet, dat de schutting tussen de beide percelen ook exact op die kadastrale grens is neergezet. Dat de rechtszekerheid en het economisch verkeer volgens [appellanten] zijn gebaat bij rechte grenzen – wat daar verder ook van zij – maakt niet dat de schutting noodzakelijkerwijs op de kadastrale grens en in een rechte lijn moet zijn geplaatst. [appellanten] heeft nog gewezen op een mail [van] 2023 waarin [geintimeerden] volgens hem heeft erkend dat de schutting tot 2019 in een rechte lijn stond. Tijdens de mondelinge behandeling is dit aan de orde geweest. De lezing van [appellanten] staat niet in die mail en [geintimeerden] heeft toegelicht dat hij heeft bedoeld te schrijven dat de schutting in 2020 en 2021 nog rechtop stond. Die mail kan daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van [appellanten] . [appellanten] heeft nog aangevoerd dat uit de kadastrale kaart van de grensreconstructie volgt dat achter de schuur, het kantoor en de carport een houten schutting staat. Ook dit kan [appellanten] niet helpen. Inderdaad staat er op de kadastrale kaart een grijs gemarkeerd deel met daarin “ht. sch”. Maar allereerst geldt dat die grijze markering in een rechte lijn is aangebracht door het kadaster en niet met een knik, zoals door [appellanten] is ingetekend. Verder zegt deze markering niets over de vraag wanneer die houten schutting is aangebracht en of die op dezelfde plaats staat als de oude erfafscheiding. De overige stellingen van [appellanten] over het in de loop der jaren meanderen of verplaatsen van de schutting zijn niet onderbouwd. Ook zijn stelling dat [geintimeerden] tijdens de vakantie van [appellanten] oude vlechtdelen van een buurvrouw achter zijn schuur heeft geplaatst, op een plaats waar eerder geen vlechtdelen waren, is tegenover de met foto’s onderbouwde stellingen van [geintimeerden] onvoldoende onderbouwd. Dat de huidige schutting sinds 2001 op dezelfde plek staat en dat daardoor een deel van het oorspronkelijke perceel van [appellanten] in bezit is genomen door de rechtsvoorgangers van [geintimeerden] is gelet op het voorgaande niet op een onderbouwde wijze betwist. Dan brengt artikel 149 Rv mee dat het hof moet uitgaan van de juistheid van de stellingen van [geintimeerden] . Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Vanaf (ten minste) 2001 is sprake geweest van inbezitneming van de strook grond waar deze procedure over gaat door de rechtsvoorgangers van [geintimeerden] . Dat zij te goeder trouw waren is door [appellanten] in hoger beroep niet betwist. Daardoor is [geintimeerden] in ieder geval in 2011 door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de strook grond die is gelegen onder de schutting tot aan de kadastrale grens van hun perceel. Onder deze omstandigheden is niet relevant wie in 1981, of kort na de bouw van de beide woningen in de jaren zestig van de vorige eeuw, een erfafscheiding heeft geplaatst en op welke plek dat precies is gedaan. De grieven van [appellanten] falen. 3.10. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] c.s. tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.11. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (het hof verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024; 4.2. veroordeelt [appellanten] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerden] c.s. in hoger beroep: € 349,- aan griffierecht; € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geintimeerden] c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief II); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, M. Schoemaker en M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Volledig
In opdracht van familie [geintimeerden] gaan wij deze oude vlechtschermen achter en rechts van de schuur vervangen als er geen lopende rechtszaak meer is en de buurman accepteert dat de schutting op exact dezelfde plek geplaatst wordt. ” Mevrouw [naam3] (de rechtsvoorgangster van [appellanten] ) heeft in een schriftelijke verklaring vermeld: “ Op 1 september 2001 ben ik, [naam3] , met wijlen mijn echtgenoot [naam4] komen te wonen aan de [adres2] te [woonplaats1] . Er was toen al een vlecht schutting aanwezig tussen ons perceel en [adres1] . Deze schutting behoorde toe aan [adres1] . […] Deze schutting was destijds al zeker zo’n 20 jaar oud en was er op plekken slecht aan toe. […] Wij waren niet op de hoogte dat de schutting afwijkt van de oorspronkelijke kadastrale grens. Maar dat was dus al het geval voordat wij er kwamen wonen. Aan het begin van de oprit is door de familie [geintimeerden] een deel van de oude schutting al vervangen in 2008. Dit betrof de eerste 3 panelen. In 2019 hebben zij het restant vervangen. Dit betreft 7 panelen. Dit alles is in goed overleg met ons gegaan. Deze nieuwe schutting is gewoon op dezelfde plek geplaatst waar de oude schutting (met hedera begroeiing) stond. […] Hierbij bevestig ik nogmaals dat de erfgrens tussen beide percelen sinds 2001 niet is veranderd. ” 3.9. Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerden] zijn standpunt met deze verklaringen voldoende onderbouwd. Uit hetgeen deze drie personen verklaren – in onderlinge samenhang gelezen – volgt dat de schutting in ieder geval sinds 2001 op dezelfde plek heeft gestaan en dat de delen die zijn vernieuwd op dezelfde positie zijn teruggeplaatst, als de vervangen delen. [appellanten] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij stelt zonder enige onderbouwing dat de oorspronkelijke schutting op de kadastrale erfgrens is geplaatst. [appellanten] wijst erop dat de schutting aan het begin en aan het eind van de perceel op de erfgrens staat. Dit is door [geintimeerden] weerlegd met een foto die door [appellanten] is ingebracht (productie 5 bij dagvaarding eerste aanleg). [appellanten] heeft ook nog gewezen op de kadastrale kaart, waar de grens tussen de percelen als een rechte lijn is weergegeven. [geintimeerden] betwist niet dat de oorspronkelijke kadastrale grens een rechte lijn was. Dat gegeven betekent echter niet, dat de schutting tussen de beide percelen ook exact op die kadastrale grens is neergezet. Dat de rechtszekerheid en het economisch verkeer volgens [appellanten] zijn gebaat bij rechte grenzen – wat daar verder ook van zij – maakt niet dat de schutting noodzakelijkerwijs op de kadastrale grens en in een rechte lijn moet zijn geplaatst. [appellanten] heeft nog gewezen op een mail [van] 2023 waarin [geintimeerden] volgens hem heeft erkend dat de schutting tot 2019 in een rechte lijn stond. Tijdens de mondelinge behandeling is dit aan de orde geweest. De lezing van [appellanten] staat niet in die mail en [geintimeerden] heeft toegelicht dat hij heeft bedoeld te schrijven dat de schutting in 2020 en 2021 nog rechtop stond. Die mail kan daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van [appellanten] . [appellanten] heeft nog aangevoerd dat uit de kadastrale kaart van de grensreconstructie volgt dat achter de schuur, het kantoor en de carport een houten schutting staat. Ook dit kan [appellanten] niet helpen. Inderdaad staat er op de kadastrale kaart een grijs gemarkeerd deel met daarin “ht. sch”. Maar allereerst geldt dat die grijze markering in een rechte lijn is aangebracht door het kadaster en niet met een knik, zoals door [appellanten] is ingetekend. Verder zegt deze markering niets over de vraag wanneer die houten schutting is aangebracht en of die op dezelfde plaats staat als de oude erfafscheiding. De overige stellingen van [appellanten] over het in de loop der jaren meanderen of verplaatsen van de schutting zijn niet onderbouwd. Ook zijn stelling dat [geintimeerden] tijdens de vakantie van [appellanten] oude vlechtdelen van een buurvrouw achter zijn schuur heeft geplaatst, op een plaats waar eerder geen vlechtdelen waren, is tegenover de met foto’s onderbouwde stellingen van [geintimeerden] onvoldoende onderbouwd. Dat de huidige schutting sinds 2001 op dezelfde plek staat en dat daardoor een deel van het oorspronkelijke perceel van [appellanten] in bezit is genomen door de rechtsvoorgangers van [geintimeerden] is gelet op het voorgaande niet op een onderbouwde wijze betwist. Dan brengt artikel 149 Rv mee dat het hof moet uitgaan van de juistheid van de stellingen van [geintimeerden] . Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Vanaf (ten minste) 2001 is sprake geweest van inbezitneming van de strook grond waar deze procedure over gaat door de rechtsvoorgangers van [geintimeerden] . Dat zij te goeder trouw waren is door [appellanten] in hoger beroep niet betwist. Daardoor is [geintimeerden] in ieder geval in 2011 door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de strook grond die is gelegen onder de schutting tot aan de kadastrale grens van hun perceel. Onder deze omstandigheden is niet relevant wie in 1981, of kort na de bouw van de beide woningen in de jaren zestig van de vorige eeuw, een erfafscheiding heeft geplaatst en op welke plek dat precies is gedaan. De grieven van [appellanten] falen. 3.10. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] c.s. tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.11. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (het hof verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024; 4.2. veroordeelt [appellanten] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerden] c.s. in hoger beroep: € 349,- aan griffierecht; € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geintimeerden] c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief II); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, M. Schoemaker en M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.