Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2624
Civiel recht
Hoger beroep
4,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2624 text/xml public 2026-05-12T08:59:37 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.367.545/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2624 text/html public 2026-05-12T08:59:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2624 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.367.545/01 Incidentele vordering ex art. 351 Rv. De tenuitvoerlegging van de beslissing van de voorzieningenrechter op 7 april 2026 dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten wordt geschorst totdat het hof op dat punt heeft beslist in de hoofdzaak. De belangen van de kinderen moeten ambtshalve in de belangenafweging worden betrokken. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.367.545/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605885 arrest in het incident in kort geding van 28 april 2026 in de zaak van [appellante] (de vrouw) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. L. Nix en [geïntimeerde] (de man) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. G. Çekiç 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 7 april 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep met grieven en vordering in het incident • het aanvullend exploot van 15 april 2026 waarbij de man een termijn is aangezegd voor antwoord in het schorsingsincident • de akte overlegging producties van de vrouw van 21 april 2026 • de memorie van antwoord in het incident. 2 De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 mei 2026 moet verlaten, moet worden geschorst. 2.2 Het hof zal beslissen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beslissing wordt geschorst en licht dat hierna toe. 3 De feiten en de procedure bij de rechtbank 3.1 De man en de vrouw hebben van maart 2018 tot september 2025 een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2021; en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2024. 3.2 De man is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna ook: de woning). Partijen zijn na het verbreken van hun relatie samen in de woning blijven wonen. 3.3 De man heeft bij de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, gevorderd om de vrouw te veroordelen om de woning te verlaten binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis. De vrouw heeft in reconventie gevorderd om de man te veroordelen de woning te verlaten voor een periode tot en met ten minste 31 december 2026 of zoveel eerder als de vrouw met de kinderen vervangende woonruimte zal hebben betrokken. De vrouw heeft subsidiair, indien zij zal worden bevolen de woning te verlaten, gevorderd om de datum waartegen zij de woning met de kinderen moet hebben verlaten te stellen op 1 mei 2026. 3.4 De mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Na de mondelinge behandeling is de beslissing aangehouden in afwachting van het door partijen te volgen mediationtraject. Begin maart 2026 heeft de man de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. De vrouw heeft in reactie daarop verzocht om een extra mondelinge behandeling. 3.5 Bij het vonnis van 7 april 2026 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4 De omvang van het geschil 4.1 De vrouw is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 april 2026 en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij vordert in het incident dat het hof, bij arrest, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 april 2026 zal schorsen voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw de woning aan de [adres] in [woonplaats] uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten, totdat het hof eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep. 4.2 De man concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident. 5 De toelichting op de beslissing van het hof 5.1 De vrouw stelt onder meer dat haar belang bij behoud van de huidige situatie, waarin partijen samen met de kinderen in de woning wonen, zwaarder weegt dan het belang van de man bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten. De vrouw geeft aan dat onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis leidt tot een noodtoestand. Als gevolg van de beslissing van de voorzieningenrechter dreigt zij met de kinderen dakloos te worden en dat acht zij in strijd met de fundamentele belangen van de kinderen. De vrouw heeft op 9 april 2026 een urgentieaanvraag voor een huurwoning gedaan en zij verwacht dat daar pas begin juni 2026 op wordt beslist. De vrouw stelt niet over alternatieve woonruimte te beschikken. Zij kan niet met de kinderen bij haar ouders terecht, omdat die met gezondheidsproblemen kampen en de vrouw en de kinderen niet voor langere duur kunnen opvangen. De vrouw wijst erop dat de man twee woningen in eigendom heeft: de woning in [woonplaats] en een appartement in [plaats] . Weliswaar staat het appartement in [plaats] te koop, maar tot het moment van verkoop en levering is het beschikbaar voor bewoning door de man. 5.2 De man vindt dat zijn belang bij de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 april 2026 zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw bij schorsing. De man stelt dat de vrouw wel degelijk met de kinderen bij haar ouders terecht kan. De woning van de ouders van de vrouw is volgens de man een grote woning met meerdere kamers, zodat daar ook voor de kinderen genoeg ruimte is, en uit de overgelegde medische stukken blijkt niet van zodanige medische problemen van de ouders dat verblijf van de vrouw en de kinderen bij hen niet mogelijk zou zijn. De man vindt dat de huidige woonsituatie tot onrust en een onregelmatig dagritme voor de kinderen leidt en hij acht het daarom niet in hun belang dat deze situatie voortduurt. 5.3 Het hof stelt vast dat de voorzieningenrechter, anders dan de man meent, de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet heeft gemotiveerd. Het hof kan de uitvoerbaarheid dan onder meer schorsen als het belang van een partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. In een situatie zoals hier aan de orde, moeten daarbij bovendien de belangen van de nog zeer jonge kinderen, op grond van onder meer artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), ambtshalve in de belangenafweging worden betrokken. Dat is door de voorzieningenrechter niet kenbaar gedaan. Het hof kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. 5.4 Het hof is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat de beslissing van de rechtbank dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten, voor de duur van de procedure in hoger beroep moet worden geschorst. Het belang van de man bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze beslissing weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de vrouw om een redelijke termijn te krijgen om op zoek te gaan naar andere woonruimte voor haar en de kinderen, en de verhuizing voor te bereiden. De voorzieningenrechter heeft op 7 april 2026 beslist dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten en daarmee heeft de vrouw nog geen drie-en-een-halve week de tijd om andere woonruimte voor haar en de kinderen te vinden. Dat is, mede gelet op de belangen van de kinderen, te kort.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2624 text/xml public 2026-05-12T08:59:37 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.367.545/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2624 text/html public 2026-05-12T08:59:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2624 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.367.545/01 Incidentele vordering ex art. 351 Rv. De tenuitvoerlegging van de beslissing van de voorzieningenrechter op 7 april 2026 dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten wordt geschorst totdat het hof op dat punt heeft beslist in de hoofdzaak. De belangen van de kinderen moeten ambtshalve in de belangenafweging worden betrokken. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.367.545/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605885 arrest in het incident in kort geding van 28 april 2026 in de zaak van [appellante] (de vrouw) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. L. Nix en [geïntimeerde] (de man) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. G. Çekiç 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 7 april 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep met grieven en vordering in het incident • het aanvullend exploot van 15 april 2026 waarbij de man een termijn is aangezegd voor antwoord in het schorsingsincident • de akte overlegging producties van de vrouw van 21 april 2026 • de memorie van antwoord in het incident. 2 De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 mei 2026 moet verlaten, moet worden geschorst. 2.2 Het hof zal beslissen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beslissing wordt geschorst en licht dat hierna toe. 3 De feiten en de procedure bij de rechtbank 3.1 De man en de vrouw hebben van maart 2018 tot september 2025 een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2021; en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2024. 3.2 De man is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna ook: de woning). Partijen zijn na het verbreken van hun relatie samen in de woning blijven wonen. 3.3 De man heeft bij de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, gevorderd om de vrouw te veroordelen om de woning te verlaten binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis. De vrouw heeft in reconventie gevorderd om de man te veroordelen de woning te verlaten voor een periode tot en met ten minste 31 december 2026 of zoveel eerder als de vrouw met de kinderen vervangende woonruimte zal hebben betrokken. De vrouw heeft subsidiair, indien zij zal worden bevolen de woning te verlaten, gevorderd om de datum waartegen zij de woning met de kinderen moet hebben verlaten te stellen op 1 mei 2026. 3.4 De mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Na de mondelinge behandeling is de beslissing aangehouden in afwachting van het door partijen te volgen mediationtraject. Begin maart 2026 heeft de man de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. De vrouw heeft in reactie daarop verzocht om een extra mondelinge behandeling. 3.5 Bij het vonnis van 7 april 2026 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4 De omvang van het geschil 4.1 De vrouw is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 april 2026 en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij vordert in het incident dat het hof, bij arrest, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 april 2026 zal schorsen voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw de woning aan de [adres] in [woonplaats] uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten, totdat het hof eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep. 4.2 De man concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident. 5 De toelichting op de beslissing van het hof 5.1 De vrouw stelt onder meer dat haar belang bij behoud van de huidige situatie, waarin partijen samen met de kinderen in de woning wonen, zwaarder weegt dan het belang van de man bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten. De vrouw geeft aan dat onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis leidt tot een noodtoestand. Als gevolg van de beslissing van de voorzieningenrechter dreigt zij met de kinderen dakloos te worden en dat acht zij in strijd met de fundamentele belangen van de kinderen. De vrouw heeft op 9 april 2026 een urgentieaanvraag voor een huurwoning gedaan en zij verwacht dat daar pas begin juni 2026 op wordt beslist. De vrouw stelt niet over alternatieve woonruimte te beschikken. Zij kan niet met de kinderen bij haar ouders terecht, omdat die met gezondheidsproblemen kampen en de vrouw en de kinderen niet voor langere duur kunnen opvangen. De vrouw wijst erop dat de man twee woningen in eigendom heeft: de woning in [woonplaats] en een appartement in [plaats] . Weliswaar staat het appartement in [plaats] te koop, maar tot het moment van verkoop en levering is het beschikbaar voor bewoning door de man. 5.2 De man vindt dat zijn belang bij de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 april 2026 zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw bij schorsing. De man stelt dat de vrouw wel degelijk met de kinderen bij haar ouders terecht kan. De woning van de ouders van de vrouw is volgens de man een grote woning met meerdere kamers, zodat daar ook voor de kinderen genoeg ruimte is, en uit de overgelegde medische stukken blijkt niet van zodanige medische problemen van de ouders dat verblijf van de vrouw en de kinderen bij hen niet mogelijk zou zijn. De man vindt dat de huidige woonsituatie tot onrust en een onregelmatig dagritme voor de kinderen leidt en hij acht het daarom niet in hun belang dat deze situatie voortduurt. 5.3 Het hof stelt vast dat de voorzieningenrechter, anders dan de man meent, de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet heeft gemotiveerd. Het hof kan de uitvoerbaarheid dan onder meer schorsen als het belang van een partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. In een situatie zoals hier aan de orde, moeten daarbij bovendien de belangen van de nog zeer jonge kinderen, op grond van onder meer artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), ambtshalve in de belangenafweging worden betrokken. Dat is door de voorzieningenrechter niet kenbaar gedaan. Het hof kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. 5.4 Het hof is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat de beslissing van de rechtbank dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten, voor de duur van de procedure in hoger beroep moet worden geschorst. Het belang van de man bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze beslissing weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de vrouw om een redelijke termijn te krijgen om op zoek te gaan naar andere woonruimte voor haar en de kinderen, en de verhuizing voor te bereiden. De voorzieningenrechter heeft op 7 april 2026 beslist dat de vrouw de woning uiterlijk 1 mei 2026 moet verlaten en daarmee heeft de vrouw nog geen drie-en-een-halve week de tijd om andere woonruimte voor haar en de kinderen te vinden. Dat is, mede gelet op de belangen van de kinderen, te kort.