Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2620
Civiel recht
Hoger beroep
6,422 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2620 text/xml public 2026-05-07T10:58:46 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.358.733/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2620 text/html public 2026-05-07T10:58:06 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2620 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.358.733/01 Rechtsgeldige opzegging overeenkomst van opdracht (artikel 7:408 BW)? GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.733/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 580807 arrest van 28 april 2026 in de zaak van Safetyman B.V. die is gevestigd in Rotterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiseres hierna: Safetyman advocaat: mr. U. Karatas en Voestalpine Track Solutions Netherlands B.V. die is gevestigd in Hilversum en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: Voestalpine advocaat: mr. A.A.M. Goossens 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Safetyman heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 23 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep • de memorie van grieven • de memorie van antwoord • een akte uitlaten producties van Safetyman 2 De kern van de zaak 2.1. Safetyman en Voestalpine hebben een overeenkomst van opdracht gesloten die betrekking heeft op de detachering van een werknemer die door Safetyman werd uitgeleend aan Voestalpine. Voestalpine heeft deze overeenkomst tussentijds opgezegd, volgens Safetyman ten onrechte. Safetyman vordert daarom schadevergoeding ter hoogte van € 21.000,-. 2.2. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. 2.3. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en dat het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Het hof zal die beslissing hierna toelichten, nadat het hof de voor de beoordeling relevante feiten heeft uiteengezet. 3 De relevante feiten 3.1. Safetyman houdt zich onder meer bezig met verlenen van detacherings- en andere diensten op het gebied van veiligheid van personeel. 3.2. Voestalpine voert een onderneming die zich toelegt op het ondersteunen van beheerders en aannemers bij de aanleg en het onderhoud van de railinfrastructuur. 3.3. Partijen hebben op of omstreeks 9 februari 2023 een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond daarvan werd de heer [naam] (hierna: [naam] ) door Safetyman als opdrachtnemer uitgeleend aan Voestalpine in de functie ‘Train Operator/Wagon Inspector’. Bij het aanbieden van [naam] heeft Safetyman het volgende geschreven: “Zoals afgesproken hierbij de documenten van [naam] . (…) We zijn op zoek naar detacheringsbasis, ook waar hij goed ingewerkt kan worden. Ik stel voor om voor de eerste zes maanden een gereduceerd tarief te hanteren (30% korting op het normale tarief).” 3.4. In een e-mailbericht van 6 februari 2023 van Voestalpine aan Safetyman staat: “Wij hebben uitgesproken dat wij [naam] graag over willen nemen op het moment dat alles goed bevalt. Jij gaf aan dat dit mogelijk is na 1040 gewerkte uren.” 3.5. Safetyman heeft hierop gereageerd in een e-mailbericht van 9 februari 2023: “Alle punten zijn okè. Enkel de factor zetten we nog op 2.5. Hij kan op 27 februari (week 9) starten.” 3.6. Op 19 april 2023 heeft [naam] een schriftelijke waarschuwing gekregen van Voestalpine: “ Waarschuwing Op 19 april 2023 is een zijdelingse aanrijding veroorzaakt, de aanleiding van de zijdelingse aanrijding is toe te schrijven aan onjuist handelen van de rangeer machinist, het niet controleren of wagens vrij staan hebben geresulteerd in een zijdelingse aanrijding, met materiële schade. Bovenstaande valt onder verwijtbaar gedrag.” 3.7. Voestalpine heeft op 16 juni 2023 aan Safetyman het volgende gemaild: “Wij hebben helaas op 14 juni jongstleden de samenwerking met [naam] per direct beëindigd. Reden van beëindiging is het niet volgen van geplande rangeeractiviteiten en ondervinden van weerstand v.w.b. uitvoeren van andere werkzaamheden. Ik vertrouw erop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en verneem het graag indien je nadere toelichting wenst.” 4 De toelichting op de beslissing van het hof Zijn partijen contractueel afgeweken van artikel 7:408 lid 1 BW? 4.1. Safetyman richt haar eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat Voestalpine de overeenkomst mocht opzeggen en dat Safetyman onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat partijen een opzegverbod of -beperking zijn overeengekomen. 4.2. In artikel 7:408 lid 1 BW is als uitgangspunt verankerd dat de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Daarvoor is niet relevant of de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan. Uit artikel 7:413 lid 2 jo. 408 lid 3 BW volgt dat de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen kan worden uitgesloten of beperkt indien sprake is van een niet-particuliere opdrachtgever, zoals Voestalpine in dit geval. Dat partijen beoogd hebben tussentijdse opzegging uit te sluiten blijkt niet uit de correspondentie of andere dossierstukken en evenmin blijkt daaruit dat de aard of inhoud van de overeenkomst zich tegen een tussentijdse opzegging verzet. Anders dan Safetyman lijkt te menen, volgt uit de in rov. 3.4 en 3.5 hiervoor weergegeven mailcorrespondentie van partijen niet dat door hen een minimale inzetperiode van 1.040 uren is overeengekomen, respectievelijk dat het de bedoeling van partijen was dat binnen deze periode niet door Voestalpine tot opzegging kon worden overgegaan. Indien Safetyman een dergelijke – de rechten van Voestalpine evident inperkende – afspraak voor ogen zou hebben gestaan, had het op haar weg gelegen zich ervan te vergewissen dat niet alleen zijzelf, maar ook Voestalpine een dergelijke, verstrekkende afspraak wilde maken. Dat Safetyman dit op enig moment bij Voestalpine is nagegaan, is echter gesteld noch gebleken. Dat bij het maken van de afspraken over [naam] sprake zou zijn geweest van een ‘koppeling’ tussen het gereduceerde tarief en een minimale inzetduur van 1.040 uur is door Safetyman niet feitelijk onderbouwd en door Voestalpine gemotiveerd betwist. Dat geldt ook voor de stelling dat Safetyman haar capaciteit, planning en acquisitiebeleid heeft ingericht op de langere inzetperiode van [naam] en daarmee andere opdrachten heeft laten lopen. Nu ook andere feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat partijen van de hoofdregel van artikel 7:408 lid 1 BW hebben willen afwijken niet zijn aangevoerd of gebleken, moet de conclusie luiden dat grief 1 geen doel treft. Volgt uit de redelijkheid en billijkheid dat aan de opzegging nadere eisen waren verbonden? 4.3. Het voorgaande laat onverlet dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld kunnen worden, inhoudend dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat of dat de opzegging gepaard dient te gaan met een redelijke opzegtermijn en/of het aanbieden van een vergoeding. 4.4. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten of omstandigheden die meebrengen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid nadere eisen moeten worden gesteld aan de opzegging als hiervoor bedoeld, rust op Safetyman. Het hof is van oordeel dat wat Safetyman op dit punt aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, niet tot de conclusie voert dat aan de opzegging van Voestalpine dergelijke nadere eisen waren verbonden.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2620 text/xml public 2026-05-07T10:58:46 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.358.733/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2620 text/html public 2026-05-07T10:58:06 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2620 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.358.733/01 Rechtsgeldige opzegging overeenkomst van opdracht (artikel 7:408 BW)? GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.733/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 580807 arrest van 28 april 2026 in de zaak van Safetyman B.V. die is gevestigd in Rotterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiseres hierna: Safetyman advocaat: mr. U. Karatas en Voestalpine Track Solutions Netherlands B.V. die is gevestigd in Hilversum en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: Voestalpine advocaat: mr. A.A.M. Goossens 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Safetyman heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 23 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep • de memorie van grieven • de memorie van antwoord • een akte uitlaten producties van Safetyman 2 De kern van de zaak 2.1. Safetyman en Voestalpine hebben een overeenkomst van opdracht gesloten die betrekking heeft op de detachering van een werknemer die door Safetyman werd uitgeleend aan Voestalpine. Voestalpine heeft deze overeenkomst tussentijds opgezegd, volgens Safetyman ten onrechte. Safetyman vordert daarom schadevergoeding ter hoogte van € 21.000,-. 2.2. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. 2.3. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en dat het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Het hof zal die beslissing hierna toelichten, nadat het hof de voor de beoordeling relevante feiten heeft uiteengezet. 3 De relevante feiten 3.1. Safetyman houdt zich onder meer bezig met verlenen van detacherings- en andere diensten op het gebied van veiligheid van personeel. 3.2. Voestalpine voert een onderneming die zich toelegt op het ondersteunen van beheerders en aannemers bij de aanleg en het onderhoud van de railinfrastructuur. 3.3. Partijen hebben op of omstreeks 9 februari 2023 een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond daarvan werd de heer [naam] (hierna: [naam] ) door Safetyman als opdrachtnemer uitgeleend aan Voestalpine in de functie ‘Train Operator/Wagon Inspector’. Bij het aanbieden van [naam] heeft Safetyman het volgende geschreven: “Zoals afgesproken hierbij de documenten van [naam] . (…) We zijn op zoek naar detacheringsbasis, ook waar hij goed ingewerkt kan worden. Ik stel voor om voor de eerste zes maanden een gereduceerd tarief te hanteren (30% korting op het normale tarief).” 3.4. In een e-mailbericht van 6 februari 2023 van Voestalpine aan Safetyman staat: “Wij hebben uitgesproken dat wij [naam] graag over willen nemen op het moment dat alles goed bevalt. Jij gaf aan dat dit mogelijk is na 1040 gewerkte uren.” 3.5. Safetyman heeft hierop gereageerd in een e-mailbericht van 9 februari 2023: “Alle punten zijn okè. Enkel de factor zetten we nog op 2.5. Hij kan op 27 februari (week 9) starten.” 3.6. Op 19 april 2023 heeft [naam] een schriftelijke waarschuwing gekregen van Voestalpine: “ Waarschuwing Op 19 april 2023 is een zijdelingse aanrijding veroorzaakt, de aanleiding van de zijdelingse aanrijding is toe te schrijven aan onjuist handelen van de rangeer machinist, het niet controleren of wagens vrij staan hebben geresulteerd in een zijdelingse aanrijding, met materiële schade. Bovenstaande valt onder verwijtbaar gedrag.” 3.7. Voestalpine heeft op 16 juni 2023 aan Safetyman het volgende gemaild: “Wij hebben helaas op 14 juni jongstleden de samenwerking met [naam] per direct beëindigd. Reden van beëindiging is het niet volgen van geplande rangeeractiviteiten en ondervinden van weerstand v.w.b. uitvoeren van andere werkzaamheden. Ik vertrouw erop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en verneem het graag indien je nadere toelichting wenst.” 4 De toelichting op de beslissing van het hof Zijn partijen contractueel afgeweken van artikel 7:408 lid 1 BW? 4.1. Safetyman richt haar eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat Voestalpine de overeenkomst mocht opzeggen en dat Safetyman onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat partijen een opzegverbod of -beperking zijn overeengekomen. 4.2. In artikel 7:408 lid 1 BW is als uitgangspunt verankerd dat de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Daarvoor is niet relevant of de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan. Uit artikel 7:413 lid 2 jo. 408 lid 3 BW volgt dat de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen kan worden uitgesloten of beperkt indien sprake is van een niet-particuliere opdrachtgever, zoals Voestalpine in dit geval. Dat partijen beoogd hebben tussentijdse opzegging uit te sluiten blijkt niet uit de correspondentie of andere dossierstukken en evenmin blijkt daaruit dat de aard of inhoud van de overeenkomst zich tegen een tussentijdse opzegging verzet. Anders dan Safetyman lijkt te menen, volgt uit de in rov. 3.4 en 3.5 hiervoor weergegeven mailcorrespondentie van partijen niet dat door hen een minimale inzetperiode van 1.040 uren is overeengekomen, respectievelijk dat het de bedoeling van partijen was dat binnen deze periode niet door Voestalpine tot opzegging kon worden overgegaan. Indien Safetyman een dergelijke – de rechten van Voestalpine evident inperkende – afspraak voor ogen zou hebben gestaan, had het op haar weg gelegen zich ervan te vergewissen dat niet alleen zijzelf, maar ook Voestalpine een dergelijke, verstrekkende afspraak wilde maken. Dat Safetyman dit op enig moment bij Voestalpine is nagegaan, is echter gesteld noch gebleken. Dat bij het maken van de afspraken over [naam] sprake zou zijn geweest van een ‘koppeling’ tussen het gereduceerde tarief en een minimale inzetduur van 1.040 uur is door Safetyman niet feitelijk onderbouwd en door Voestalpine gemotiveerd betwist. Dat geldt ook voor de stelling dat Safetyman haar capaciteit, planning en acquisitiebeleid heeft ingericht op de langere inzetperiode van [naam] en daarmee andere opdrachten heeft laten lopen. Nu ook andere feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat partijen van de hoofdregel van artikel 7:408 lid 1 BW hebben willen afwijken niet zijn aangevoerd of gebleken, moet de conclusie luiden dat grief 1 geen doel treft. Volgt uit de redelijkheid en billijkheid dat aan de opzegging nadere eisen waren verbonden? 4.3. Het voorgaande laat onverlet dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld kunnen worden, inhoudend dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat of dat de opzegging gepaard dient te gaan met een redelijke opzegtermijn en/of het aanbieden van een vergoeding. 4.4. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten of omstandigheden die meebrengen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid nadere eisen moeten worden gesteld aan de opzegging als hiervoor bedoeld, rust op Safetyman. Het hof is van oordeel dat wat Safetyman op dit punt aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, niet tot de conclusie voert dat aan de opzegging van Voestalpine dergelijke nadere eisen waren verbonden.
Volledig
Zonder nadere toelichting, die door Safetyman niet is gegeven, volgt uit de door haar gestelde gebruikelijkheid in de detacheringsbranche van een urenafname van 1.040 uren niet dat Voestalpine dus over een zwaarwegende grond diende te beschikken om te kunnen opzeggen dan wel een opzegtermijn had moeten hanteren en/of een vergoeding aan Safetyman had moeten aanbieden. Hetzelfde geldt voor de niet feitelijk onderbouwde en gemotiveerd door Voestalpine betwiste stelling omtrent het bestaan van een koppeling tussen de hoogte van het uurtarief en het aantal uren dat met de opdracht gemoeid was. Daarbij komt nog dat Voestalpine een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven aan [naam] vanwege een zijdelingse aanrijding die tot materiële schade heeft geleid, dat [naam] volgens Voestalpine ondermaats presteerde en dat [naam] bepaalde werkzaamheden niet heeft willen verrichten. Deze stellingen zijn door Safetyman onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof ziet ook in het licht hiervan geen grond voor het oordeel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid nadere eisen aan de opzegging door Voestalpine waren verbonden. Onrechtmatige daad 4.5. Safetyman grieft daarnaast tegen het oordeel van de rechtbank dat de opzegging door Voestalpine niet onrechtmatig was. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de overeenkomst mocht worden opgezegd. In het licht hiervan valt niet in te zien dat desalniettemin van een onrechtmatige daad sprake is. Daarbij komt nog dat uit het stelsel van het verbintenissenrecht volgt dat ook in die gevallen dat wel sprake is van schending van contractuele verplichtingen in beginsel niet de bepalingen van artikel 6:162 BW e.v. toepasselijk zijn, maar uitsluitend de regeling van artikel 6:74 BW e.v. Een handeling die wanprestatie oplevert kan slechts tevens als een onrechtmatige daad worden beschouwd wanneer onafhankelijk van de toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding. Omtrent het bestaan van een dergelijke situatie heeft Safetyman niets gesteld. Het voorgaande brengt mee dat ook grief 2 faalt. Vergoeding van niet afgenomen uren 4.6. Safetyman voert in haar derde grief aan dat Voestalpine de niet afgenomen uren moet vergoeden en doet hierbij een beroep op artikel 7:411 BW. 4.7. Artikel 7:411 BW bepaalt dat wanneer een overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht én de verschuldigdheid van loon afhankelijk is gesteld van de volbrenging van de opdracht dan wel het verstrijken van tijd, de opdrachtnemer in beginsel recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Van een dergelijke situatie is geen sprake. 4.8. Door Safetyman is niet gemotiveerd bestreden dat zij maandelijks door Voestalpine achteraf is betaald voor de werkzaamheden die door [naam] zijn verricht. In dit licht heeft Safetyman onvoldoende gesteld om te concluderen dat (niettemin) sprake is van een overeenkomst waarbij de verschuldigdheid van loon afhankelijk is gesteld van beëindiging binnen een tijdseenheid. Dit maakt dat artikel 7:411 BW op deze overeenkomst niet van toepassing is en daardoor niet als grondslag van de vordering van Safetyman kan dienen. Grief 3 faalt. Proceskosten 4.9. De vierde en laatste grief, die inhoudt dat Safetyman ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld, heeft geen zelfstandige betekenis en deelt in het lot van de hiervoor verworpen grieven 1 t/m 4. De conclusie 4.10. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Safetyman in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Safetyman veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep (tariefgroep III, 1 punt). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 4.11. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5 De beslissing Het hof: 5.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 23 april 2025; 5.2. veroordeelt Safetyman tot betaling van de volgende proceskosten van Voestalpine: € 2.255,- aan griffierecht € 1.670,- aan salaris van de advocaat van Voestalpine (1 procespunt x tarief III) 5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, P.S. Bakker en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. Vgl. HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0103, NJ 1991/254 (Avery/VRG). Vgl. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0870, NJ 1994/290. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Volledig
Zonder nadere toelichting, die door Safetyman niet is gegeven, volgt uit de door haar gestelde gebruikelijkheid in de detacheringsbranche van een urenafname van 1.040 uren niet dat Voestalpine dus over een zwaarwegende grond diende te beschikken om te kunnen opzeggen dan wel een opzegtermijn had moeten hanteren en/of een vergoeding aan Safetyman had moeten aanbieden. Hetzelfde geldt voor de niet feitelijk onderbouwde en gemotiveerd door Voestalpine betwiste stelling omtrent het bestaan van een koppeling tussen de hoogte van het uurtarief en het aantal uren dat met de opdracht gemoeid was. Daarbij komt nog dat Voestalpine een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven aan [naam] vanwege een zijdelingse aanrijding die tot materiële schade heeft geleid, dat [naam] volgens Voestalpine ondermaats presteerde en dat [naam] bepaalde werkzaamheden niet heeft willen verrichten. Deze stellingen zijn door Safetyman onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof ziet ook in het licht hiervan geen grond voor het oordeel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid nadere eisen aan de opzegging door Voestalpine waren verbonden. Onrechtmatige daad 4.5. Safetyman grieft daarnaast tegen het oordeel van de rechtbank dat de opzegging door Voestalpine niet onrechtmatig was. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de overeenkomst mocht worden opgezegd. In het licht hiervan valt niet in te zien dat desalniettemin van een onrechtmatige daad sprake is. Daarbij komt nog dat uit het stelsel van het verbintenissenrecht volgt dat ook in die gevallen dat wel sprake is van schending van contractuele verplichtingen in beginsel niet de bepalingen van artikel 6:162 BW e.v. toepasselijk zijn, maar uitsluitend de regeling van artikel 6:74 BW e.v. Een handeling die wanprestatie oplevert kan slechts tevens als een onrechtmatige daad worden beschouwd wanneer onafhankelijk van de toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding. Omtrent het bestaan van een dergelijke situatie heeft Safetyman niets gesteld. Het voorgaande brengt mee dat ook grief 2 faalt. Vergoeding van niet afgenomen uren 4.6. Safetyman voert in haar derde grief aan dat Voestalpine de niet afgenomen uren moet vergoeden en doet hierbij een beroep op artikel 7:411 BW. 4.7. Artikel 7:411 BW bepaalt dat wanneer een overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht én de verschuldigdheid van loon afhankelijk is gesteld van de volbrenging van de opdracht dan wel het verstrijken van tijd, de opdrachtnemer in beginsel recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Van een dergelijke situatie is geen sprake. 4.8. Door Safetyman is niet gemotiveerd bestreden dat zij maandelijks door Voestalpine achteraf is betaald voor de werkzaamheden die door [naam] zijn verricht. In dit licht heeft Safetyman onvoldoende gesteld om te concluderen dat (niettemin) sprake is van een overeenkomst waarbij de verschuldigdheid van loon afhankelijk is gesteld van beëindiging binnen een tijdseenheid. Dit maakt dat artikel 7:411 BW op deze overeenkomst niet van toepassing is en daardoor niet als grondslag van de vordering van Safetyman kan dienen. Grief 3 faalt. Proceskosten 4.9. De vierde en laatste grief, die inhoudt dat Safetyman ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld, heeft geen zelfstandige betekenis en deelt in het lot van de hiervoor verworpen grieven 1 t/m 4. De conclusie 4.10. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Safetyman in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Safetyman veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep (tariefgroep III, 1 punt). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 4.11. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5 De beslissing Het hof: 5.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 23 april 2025; 5.2. veroordeelt Safetyman tot betaling van de volgende proceskosten van Voestalpine: € 2.255,- aan griffierecht € 1.670,- aan salaris van de advocaat van Voestalpine (1 procespunt x tarief III) 5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, P.S. Bakker en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. Vgl. HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0103, NJ 1991/254 (Avery/VRG). Vgl. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0870, NJ 1994/290. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.