Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-21
ECLI:NL:GHARL:2026:2435
Civiel recht
Hoger beroep
4,003 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2435 text/xml public 2026-05-01T12:21:18 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.309.566/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2025:6502 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2435 text/html public 2026-05-01T12:11:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.309.566/01 Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2025:6502. Beslissing over voorschot kosten deskundigen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.309.566/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 126152 arrest van 21 april 2026 in de zaak van 1 [appellant] ( [appellant] ) die woont in Wagenborgen 2. HTWEEO Holding B.V. (HTWEEO) die is gevestigd in Wagenborgen 3. [appellante] ( [appellante] ) die woont in Wagenborgen hierna samen: [appellanten] advocaat: mr. L.H. Haarsma en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) die is gevestigd in 's-Gravenhage advocaat: mr. R. van Tricht. 1 Het verdere verloop van de procedure bij het hof 1.1 In het arrest van 21 oktober 2025 heeft het hof twee deskundigen, ing. P.B.J.M. Elfrink (hierna: Elfrink) en ir. E.F. de Beaufort (hierna: De Beaufort) benoemd. Het hof heeft bepaald dat het voorschot op de kosten van de deskundigen zal worden vastgesteld nadat de deskundigen daarover een voorstel hebben gedaan en partijen op dat voorstel hebben gereageerd. 1.2 Elfrink heeft in een brief van 18 november 2025 om vaststelling van een voorschot van € 23.652,- (excl. btw) gevraagd. De Beaufort heeft in een brief van 21 november 2025 om vaststelling van een voorschot van € 16.050,- (excl. btw) gevraagd. Beide deskundigen hebben het door hen genoemde bedrag gespecificeerd en toegelicht. Zij hebben ook aangegeven dat op hun opdracht - kort gezegd - hun algemene voorwaarden (de DNR 2011) van toepassing zijn en hebben verzocht om tussentijds te mogen factureren. 1.3 NAM heeft het hof laten weten in te stemmen met de voorschotten, de algemene voorwaarden en de afwijkende facturatietermijnen. 1.4 [appellanten] hebben in een brief van hun advocaat van 18 december 2025 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de begrote voorschotten, de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en de tussentijdse facturatie. 1.5 De deskundigen hebben in een brief van 13 januari 2026 gereageerd op de reactie van [appellanten] , waarna [appellanten] in de brief van hun advocaat van 29 januari 2026 weer op deze reactie hebben gerespondeerd. NAM heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere reactie. 1.6 In een e-mail van 11 februari 2026 aan de advocaten van partijen en de deskundigen heeft de raadsheer-commissaris geschreven dat het hof partijen niet kan verplichten in te stemmen met de algemene voorwaarden van de deskundigen en de deskundigen niet kan verplichten om aan het werk te gaan wanneer partijen niet instemmen met de door de deskundigen gewenste toepasselijkheid van hun algemene voorwaarden. Hij heeft partijen twee weken de tijd gegeven om op dit punt tot een vergelijk te komen. 1.7 De deskundigen (na ruggenspraak met hun aansprakelijkheidsverzekeraar) en [appellanten] hebben het hof daarop ieder afzonderlijk laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt, in die zin dat op de werkzaamheden van de deskundigen hun algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. 2 De toelichting op de beslissing van het hof De resterende beslispunten 2.1 Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het hof nog te beslissen over de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen en op het verzoek van de deskundigen om tussentijds te mogen declareren. Over het andere oorspronkelijke geschilpunt - de toepasselijkheid van algemene voorwaarden - zijn partijen het zoals gezegd eens geworden. Verder moet het hof nog een datum vaststellen waarop de deskundigen hun rapport moeten inleveren. De hoogte van het voorschot 2.2 [appellanten] hebben in hun brief van 18 december 2025 allereerst opgemerkt dat de aan de deskundigen verstrekte opdracht niet in lijn is met de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019 . Zij verzoeken het hof dit standpunt ter kennis te brengen van de deskundigen. Het hof heeft de genoemde brief voorgelegd aan de deskundigen, zodat daarmee aan het verzoek van [appellanten] is voldaan. Uit hun reactie volgt dat de deskundigen bekend zijn met de uitspraak van de Hoge Raad. Dat zij volgens [appellanten] niet de voor deze zaak meest relevante overweging uit het arrest hebben geciteerd, doet daaraan niet af. 2.3 Volgens [appellanten] willen de deskundigen veel tijd besteden aan funderingsonderzoek. Dat is volgens [appellanten] gelet op de reikwijdte van de opdracht overbodig. Het zou alleen moeten gaan om de vraag of de schade aan de gevels en de muren is ontstaan vanwege het halveren van de houten kolom en spatkrachten vanuit de kapconstructie. Om die vraag te beantwoorden, is funderingsonderzoek (vooralsnog) niet noodzakelijk, aldus [appellanten] 2.4 Volgens de deskundigen is om de door het hof gestelde vragen (naar de effecten van het halveren van de houten kolom en de spatkrachten) te kunnen beantwoorden ook onderzoek nodig naar (onder meer) de fundering. Ook de bredere bouwkundige context is van belang. Zij verwijzen in dat verband ook naar de TNO-RCA methode die zij - overigens op voorspraak van beide partijen - bij hun onderzoek in acht moeten nemen. 2.5 Voor de omvang van het onderzoek van de deskundigen is de vraagstelling leidend. Het is vervolgens aan de deskundigen om op basis van hun deskundigheid te beoordelen welk onderzoek nodig is om de hun voorgelegde vragen te kunnen beantwoorden. De deskundigen hebben, in reactie op de kritiek van [appellanten] , gemotiveerd uiteengezet waarom funderingsonderzoek noodzakelijk is om hun opdracht volgens de normen van deskundigheid en volledigheid te vervullen. Deze toelichting is begrijpelijk en consistent. Daarmee hebben de deskundigen voldoende gemotiveerd waarom ook onderzoek naar de fundering noodzakelijk is. 2.6 De deskundigen hebben ook toegelicht dat zij bij hun onderzoek rekening houden met de rapporten van [naam1] en [naam2] (‘waardevolle input’), maar dat het aan hen is om zelfstandig en onafhankelijk tot een oordeel te komen over de aan hen voorgelegde vragen. Daarin hebben zij gelijk. Het hof verwijst naar wat het hiervoor heeft overwogen over de vrijheid van de deskundigen om, binnen de rekwijdte van de vraagstelling, zelfstandig onderzoek te verrichten. Daar komt bij dat de rapporten van [naam1] en [naam2] niet zijn geschreven met het oog op de vragen die het hof (na deze rapporten) aan de deskundigen heeft voorgelegd. Het hof volgt [appellanten] dus niet in hun kritiek dat de deskundigen ten onrechte het werk van [naam1] en [naam2] ‘overdoen’. 2.7 [appellanten] vinden ook dat onduidelijk is waarom de deskundigen ‘een drietal locaties’ willen bezoeken. Het hof gaat ervan uit dat sprake is van een spraakverwarring. Het begrijpt de deskundigen zo dat zij op enkele locaties in de boerderij (dus niet bij andere boerderijen) aanvullend fundatieonderzoek (en waterpasmetingen) willen doen. 2.8 [appellanten] maken er, ten slotte, bezwaar tegen dat de deskundigen kosten voor rekensoftware in rekening brengen. De deskundigen hebben toegelicht dat zij een licentie nodig hebben voor het rekenmodel voor aardbevingsbelasting, dat de desbetreffende software essentieel is voor een betrouwbare modellering en dat zij daarover zelf niet beschikken. Daarmee hebben zij de noodzaak van deze kosten naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. 2.9 De conclusie is dat de concrete bezwaren van [appellanten] tegen de hoogte van het voorschot, ongegrond zijn. Het hof zal bij de bepaling van het voorschot dan ook uitgaan van de kostenbegroting van de deskundigen. Tussentijds declareren 2.10 De deskundigen willen tussentijds declareren. [appellanten] hebben daartegen bezwaar gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2435 text/xml public 2026-05-01T12:21:18 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.309.566/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2025:6502 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2435 text/html public 2026-05-01T12:11:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.309.566/01 Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2025:6502. Beslissing over voorschot kosten deskundigen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.309.566/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 126152 arrest van 21 april 2026 in de zaak van 1 [appellant] ( [appellant] ) die woont in Wagenborgen 2. HTWEEO Holding B.V. (HTWEEO) die is gevestigd in Wagenborgen 3. [appellante] ( [appellante] ) die woont in Wagenborgen hierna samen: [appellanten] advocaat: mr. L.H. Haarsma en Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) die is gevestigd in 's-Gravenhage advocaat: mr. R. van Tricht. 1 Het verdere verloop van de procedure bij het hof 1.1 In het arrest van 21 oktober 2025 heeft het hof twee deskundigen, ing. P.B.J.M. Elfrink (hierna: Elfrink) en ir. E.F. de Beaufort (hierna: De Beaufort) benoemd. Het hof heeft bepaald dat het voorschot op de kosten van de deskundigen zal worden vastgesteld nadat de deskundigen daarover een voorstel hebben gedaan en partijen op dat voorstel hebben gereageerd. 1.2 Elfrink heeft in een brief van 18 november 2025 om vaststelling van een voorschot van € 23.652,- (excl. btw) gevraagd. De Beaufort heeft in een brief van 21 november 2025 om vaststelling van een voorschot van € 16.050,- (excl. btw) gevraagd. Beide deskundigen hebben het door hen genoemde bedrag gespecificeerd en toegelicht. Zij hebben ook aangegeven dat op hun opdracht - kort gezegd - hun algemene voorwaarden (de DNR 2011) van toepassing zijn en hebben verzocht om tussentijds te mogen factureren. 1.3 NAM heeft het hof laten weten in te stemmen met de voorschotten, de algemene voorwaarden en de afwijkende facturatietermijnen. 1.4 [appellanten] hebben in een brief van hun advocaat van 18 december 2025 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de begrote voorschotten, de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en de tussentijdse facturatie. 1.5 De deskundigen hebben in een brief van 13 januari 2026 gereageerd op de reactie van [appellanten] , waarna [appellanten] in de brief van hun advocaat van 29 januari 2026 weer op deze reactie hebben gerespondeerd. NAM heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere reactie. 1.6 In een e-mail van 11 februari 2026 aan de advocaten van partijen en de deskundigen heeft de raadsheer-commissaris geschreven dat het hof partijen niet kan verplichten in te stemmen met de algemene voorwaarden van de deskundigen en de deskundigen niet kan verplichten om aan het werk te gaan wanneer partijen niet instemmen met de door de deskundigen gewenste toepasselijkheid van hun algemene voorwaarden. Hij heeft partijen twee weken de tijd gegeven om op dit punt tot een vergelijk te komen. 1.7 De deskundigen (na ruggenspraak met hun aansprakelijkheidsverzekeraar) en [appellanten] hebben het hof daarop ieder afzonderlijk laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt, in die zin dat op de werkzaamheden van de deskundigen hun algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. 2 De toelichting op de beslissing van het hof De resterende beslispunten 2.1 Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het hof nog te beslissen over de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen en op het verzoek van de deskundigen om tussentijds te mogen declareren. Over het andere oorspronkelijke geschilpunt - de toepasselijkheid van algemene voorwaarden - zijn partijen het zoals gezegd eens geworden. Verder moet het hof nog een datum vaststellen waarop de deskundigen hun rapport moeten inleveren. De hoogte van het voorschot 2.2 [appellanten] hebben in hun brief van 18 december 2025 allereerst opgemerkt dat de aan de deskundigen verstrekte opdracht niet in lijn is met de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019 . Zij verzoeken het hof dit standpunt ter kennis te brengen van de deskundigen. Het hof heeft de genoemde brief voorgelegd aan de deskundigen, zodat daarmee aan het verzoek van [appellanten] is voldaan. Uit hun reactie volgt dat de deskundigen bekend zijn met de uitspraak van de Hoge Raad. Dat zij volgens [appellanten] niet de voor deze zaak meest relevante overweging uit het arrest hebben geciteerd, doet daaraan niet af. 2.3 Volgens [appellanten] willen de deskundigen veel tijd besteden aan funderingsonderzoek. Dat is volgens [appellanten] gelet op de reikwijdte van de opdracht overbodig. Het zou alleen moeten gaan om de vraag of de schade aan de gevels en de muren is ontstaan vanwege het halveren van de houten kolom en spatkrachten vanuit de kapconstructie. Om die vraag te beantwoorden, is funderingsonderzoek (vooralsnog) niet noodzakelijk, aldus [appellanten] 2.4 Volgens de deskundigen is om de door het hof gestelde vragen (naar de effecten van het halveren van de houten kolom en de spatkrachten) te kunnen beantwoorden ook onderzoek nodig naar (onder meer) de fundering. Ook de bredere bouwkundige context is van belang. Zij verwijzen in dat verband ook naar de TNO-RCA methode die zij - overigens op voorspraak van beide partijen - bij hun onderzoek in acht moeten nemen. 2.5 Voor de omvang van het onderzoek van de deskundigen is de vraagstelling leidend. Het is vervolgens aan de deskundigen om op basis van hun deskundigheid te beoordelen welk onderzoek nodig is om de hun voorgelegde vragen te kunnen beantwoorden. De deskundigen hebben, in reactie op de kritiek van [appellanten] , gemotiveerd uiteengezet waarom funderingsonderzoek noodzakelijk is om hun opdracht volgens de normen van deskundigheid en volledigheid te vervullen. Deze toelichting is begrijpelijk en consistent. Daarmee hebben de deskundigen voldoende gemotiveerd waarom ook onderzoek naar de fundering noodzakelijk is. 2.6 De deskundigen hebben ook toegelicht dat zij bij hun onderzoek rekening houden met de rapporten van [naam1] en [naam2] (‘waardevolle input’), maar dat het aan hen is om zelfstandig en onafhankelijk tot een oordeel te komen over de aan hen voorgelegde vragen. Daarin hebben zij gelijk. Het hof verwijst naar wat het hiervoor heeft overwogen over de vrijheid van de deskundigen om, binnen de rekwijdte van de vraagstelling, zelfstandig onderzoek te verrichten. Daar komt bij dat de rapporten van [naam1] en [naam2] niet zijn geschreven met het oog op de vragen die het hof (na deze rapporten) aan de deskundigen heeft voorgelegd. Het hof volgt [appellanten] dus niet in hun kritiek dat de deskundigen ten onrechte het werk van [naam1] en [naam2] ‘overdoen’. 2.7 [appellanten] vinden ook dat onduidelijk is waarom de deskundigen ‘een drietal locaties’ willen bezoeken. Het hof gaat ervan uit dat sprake is van een spraakverwarring. Het begrijpt de deskundigen zo dat zij op enkele locaties in de boerderij (dus niet bij andere boerderijen) aanvullend fundatieonderzoek (en waterpasmetingen) willen doen. 2.8 [appellanten] maken er, ten slotte, bezwaar tegen dat de deskundigen kosten voor rekensoftware in rekening brengen. De deskundigen hebben toegelicht dat zij een licentie nodig hebben voor het rekenmodel voor aardbevingsbelasting, dat de desbetreffende software essentieel is voor een betrouwbare modellering en dat zij daarover zelf niet beschikken. Daarmee hebben zij de noodzaak van deze kosten naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. 2.9 De conclusie is dat de concrete bezwaren van [appellanten] tegen de hoogte van het voorschot, ongegrond zijn. Het hof zal bij de bepaling van het voorschot dan ook uitgaan van de kostenbegroting van de deskundigen. Tussentijds declareren 2.10 De deskundigen willen tussentijds declareren. [appellanten] hebben daartegen bezwaar gemaakt.