Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-22
ECLI:NL:GHARL:2026:2414
Strafrecht
Hoger beroep
2,042 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2414 text/xml public 2026-05-13T14:16:23 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-22 GEMW 200.364.482/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2414 text/html public 2026-05-13T14:15:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2414 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-04-2026 / GEMW 200.364.482/01 Bboor. Zekerheid. Omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser (door de griffie van de rechtbank) is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : GEMW 200.364.482/01 Uitspraak d.d. : 22 april 2026 Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2025, betreffende [eiser] (hierna: eiser), wonende te [woonplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet (hierna: Gemw) met kenmerk 2701251132440614200. Het verloop van de procedure Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen zekerheid heeft gesteld en niet is aangevoerd of is gebleken dat eiser niet in staat is zekerheid te stellen. 2. Eiser voert aan dat zij de bestuurlijke boete niet vooraf heeft betaald omdat zij niet op de hoogte was van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Nu zij bekend is met deze voorwaarde, heeft ze de bestuurlijke boete direct betaald. 3. In artikel 154n van de Gemw is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “1. De behandeling van het beroep vindt plaats binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, ter hoogte van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken. 3. De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete heeft opgelegd, hetzij door middel van een aan betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van de het bestuursorgaan. De griffie van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidsstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van zijn mededeling. Indien de zekerheidsstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.” 4. Uit het dossier blijkt niet dat eiser (door de griffie van de rechtbank) is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid. 5. Omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser (op de voorgeschreven wijze) op de verplichting tot het stellen van zekerheid is gewezen kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, gelet op artikel 154k van de Gemw in verbinding met artikel 20d, tweede lid van de Wahv, vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2414 text/xml public 2026-05-13T14:16:23 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-22 GEMW 200.364.482/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2414 text/html public 2026-05-13T14:15:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2414 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-04-2026 / GEMW 200.364.482/01 Bboor. Zekerheid. Omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser (door de griffie van de rechtbank) is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : GEMW 200.364.482/01 Uitspraak d.d. : 22 april 2026 Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2025, betreffende [eiser] (hierna: eiser), wonende te [woonplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet (hierna: Gemw) met kenmerk 2701251132440614200. Het verloop van de procedure Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen zekerheid heeft gesteld en niet is aangevoerd of is gebleken dat eiser niet in staat is zekerheid te stellen. 2. Eiser voert aan dat zij de bestuurlijke boete niet vooraf heeft betaald omdat zij niet op de hoogte was van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Nu zij bekend is met deze voorwaarde, heeft ze de bestuurlijke boete direct betaald. 3. In artikel 154n van de Gemw is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “1. De behandeling van het beroep vindt plaats binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, ter hoogte van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken. 3. De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete heeft opgelegd, hetzij door middel van een aan betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van de het bestuursorgaan. De griffie van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidsstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van zijn mededeling. Indien de zekerheidsstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.” 4. Uit het dossier blijkt niet dat eiser (door de griffie van de rechtbank) is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid. 5. Omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser (op de voorgeschreven wijze) op de verplichting tot het stellen van zekerheid is gewezen kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, gelet op artikel 154k van de Gemw in verbinding met artikel 20d, tweede lid van de Wahv, vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.