Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-21
ECLI:NL:GHARL:2026:2399
Civiel recht
Hoger beroep
12,113 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2399 text/xml public 2026-05-08T17:00:29 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.355.161 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2399 text/html public 2026-05-01T09:42:08 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2399 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.355.161 Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement en administratieplicht; artikel 2:248 BW en 2:10 BW. Schending van verplichting een deugdelijke administratie te voeren en schending bewaarplicht door afgifte aan opvolgend bestuurder/aandeelhouder niet te goeder trouw. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.355.161 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 309001 arrest van 21 april 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd en mr. Gerard Wouter Weenink in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Zwart Services B.V. die kantoor houdt in Almelo advocaat: mr. M. Geelen (hierna: de curator) 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [de eerste bestuurder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 18 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1. [de eerste bestuurder] was vanaf de oprichting van De Zwart Services B.V. (hierna: de vennootschap) eind 2019 tot 2 juni 2021 de bestuurder en enig aandeelhouder. Op 2 juni 2021 heeft hij de aandelen overgedragen aan de heer [de opvolgende bestuurder] , die hem per die datum ook als bestuurder is opgevolgd. Bij vonnis van 24 augustus 2021 is de vennootschap op eigen verzoek failliet verklaard, met aanstelling van de curator tot curator. 2.2. De curator heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat, onder meer, [de eerste bestuurder] op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor het tekort in de boedel en verder veroordeling tot betaling van dat tekort en van een voorschot van € 478.000. De curator heeft onder meer aangevoerd dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht van artikel 2:10 BW heeft geschonden, waarmee vast staat dat hij zijn taken als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen, maar het te betalen voorschot beperkt tot € 27.019,96 en de uitspraak, anders dan gevorderd, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De bedoeling van [de eerste bestuurder] ’s hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Tegen de beperking van het voorschot en het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren heeft de curator geen hoger beroep ingesteld. 2.4. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Ook het hof is van oordeel dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht heeft geschonden, terwijl hij het vermoeden dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement, niet heeft ontzenuwd. Het hof licht dit oordeel hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten en achtergronden 3.1. De rechtbank heeft de feiten vastgesteld in rov. 3.1 tot en met 3.5 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, aangevuld met wat verder in hoger beroep is gebleken. Kort gezegd gaat het om het volgende. 3.2. [de eerste bestuurder] heeft de vennootschap eind 2019 opgericht. De onderneming van de vennootschap was onder meer gericht op de import en verkoop van tweedehands auto’s en later ook op het exploiteren van een callcenter op het gebied van energielevering aan bedrijven. De onderneming handelde daarbij ook onder de naam [naam callcenter] . 3.3. De overdracht van de aandelen door [de eerste bestuurder] aan [de opvolgende bestuurder] heeft op afstand plaatsgevonden. Zij hebben elkaar nooit ontmoet en zijn met elkaar in contact gekomen via een tussenpersoon. [de eerste bestuurder] heeft verklaard dat [de opvolgende bestuurder] € 1.000 voor de aandelen heeft betaald; de curator weet niet of [de opvolgende bestuurder] dat bedrag heeft betaald of juist heeft ontvangen om de aandelen over te nemen. 3.4. Tussen het moment van oprichting en het faillissement is een bedrag van ongeveer € 3,5 miljoen over de bankrekening van de vennootschap gestroomd. De curator heeft gesteld dat veel substantiële bedragen werden ontvangen van en betaald aan vennootschappen die aan [de eerste bestuurder] gelieerd waren. Onder de uitgaven zijn blijkens de bankafschriften verder aanzienlijke uitgaven in Dubai en Marbella aan hotels en restaurants en aan Cartier en Louis Vuitton; verder is in totaal ruim € 80.000 contant opgenomen bij pinautomaten. 3.5. Na het uitspreken van het faillissement heeft [de opvolgende bestuurder] aan de curator verklaard dat hij geen administratie van [de eerste bestuurder] heeft ontvangen. [de opvolgende bestuurder] heeft de curator geen administratie van de vennootschap gegeven, behalve stukken van na de datum van de overdracht, vooral bestaande uit aanmaningen en deurwaardersexploten. Van of namens [de eerste bestuurder] heeft de curator, deels nadat [de eerste bestuurder] zes maanden in verzekerde bewaring had gezeten, een aantal groene kaarten van autoverzekeringen en facturen voor de huur van een bedrijfspand ontvangen. Daarnaast heeft de curator een stuk ontvangen dat door [de eerste bestuurder] wordt aangeduid als een kolommenbalans, maar dat het opschrift “jaarrekening 2021” draagt. In dat stuk staat boven een summiere balans de datum 31 december 2021, toen de vennootschap al ruim vier maanden failliet was. 3.6. De curator heeft drie verschillende jaarrekeningen van de vennootschap over 2020 overgelegd. De eerste jaarrekening is op 24 februari 2021 bij het Handelregister gedeponeerd. De tweede jaarrekening heeft de curator ontvangen van de notaris die de overdrachtsakte van de aandelen heeft gepasseerd. De derde jaarrekening is in opdracht van [de eerste bestuurder] door een derde opgesteld en tijdens of na [de eerste bestuurder] ’s verzekerde bewaring aan de curator gestuurd. Die derde jaarrekening toont per 31 december 2020 een bedrag aan schulden van € 57.870, aan [schuldeiser1] en [schuldeiser2] . Datzelfde bedrag (met dezelfde crediteuren) staat op de hiervoor genoemde kolommenbalans. 3.7. Uit de lijst van crediteuren blijken schulden aan de belastingdienst van in totaal € 416.869, waaronder aanslagen omzetbelasting van onder meer € 22.568 en € 273.130, en een vordering (volgens de curator uit een geldlening van maart 2021) van [geldlener] van ruim € 70.000. Hoewel [de eerste bestuurder] (terecht) heeft betoogd dat het op de weg van de curator had gelegen deze posten met ondersteunende stukken te onderbouwen heeft hij het bestaan en de omvang van deze vorderingen niet (voldoende gemotiveerd) betwist. [de eerste bestuurder] heeft bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat de belastingsachterstand in zijn ogen ongeveer € 80.000 bedroeg. Juridisch kader 3.8. Op grond van artikel 2:248 BW is, in geval van faillissement van een besloten vennootschap, iedere (voormalige) bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in de boedel, als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is (pas) sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. De curator kan de vordering tegen de bestuurder(s) alleen instellen op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de drie jaar voorafgaande aan het faillissement van de vennootschap. 3.9.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2399 text/xml public 2026-05-08T17:00:29 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.355.161 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2399 text/html public 2026-05-01T09:42:08 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2399 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.355.161 Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement en administratieplicht; artikel 2:248 BW en 2:10 BW. Schending van verplichting een deugdelijke administratie te voeren en schending bewaarplicht door afgifte aan opvolgend bestuurder/aandeelhouder niet te goeder trouw. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.355.161 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 309001 arrest van 21 april 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd en mr. Gerard Wouter Weenink in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Zwart Services B.V. die kantoor houdt in Almelo advocaat: mr. M. Geelen (hierna: de curator) 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [de eerste bestuurder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 18 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1. [de eerste bestuurder] was vanaf de oprichting van De Zwart Services B.V. (hierna: de vennootschap) eind 2019 tot 2 juni 2021 de bestuurder en enig aandeelhouder. Op 2 juni 2021 heeft hij de aandelen overgedragen aan de heer [de opvolgende bestuurder] , die hem per die datum ook als bestuurder is opgevolgd. Bij vonnis van 24 augustus 2021 is de vennootschap op eigen verzoek failliet verklaard, met aanstelling van de curator tot curator. 2.2. De curator heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat, onder meer, [de eerste bestuurder] op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor het tekort in de boedel en verder veroordeling tot betaling van dat tekort en van een voorschot van € 478.000. De curator heeft onder meer aangevoerd dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht van artikel 2:10 BW heeft geschonden, waarmee vast staat dat hij zijn taken als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen, maar het te betalen voorschot beperkt tot € 27.019,96 en de uitspraak, anders dan gevorderd, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De bedoeling van [de eerste bestuurder] ’s hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Tegen de beperking van het voorschot en het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren heeft de curator geen hoger beroep ingesteld. 2.4. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Ook het hof is van oordeel dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht heeft geschonden, terwijl hij het vermoeden dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement, niet heeft ontzenuwd. Het hof licht dit oordeel hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten en achtergronden 3.1. De rechtbank heeft de feiten vastgesteld in rov. 3.1 tot en met 3.5 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, aangevuld met wat verder in hoger beroep is gebleken. Kort gezegd gaat het om het volgende. 3.2. [de eerste bestuurder] heeft de vennootschap eind 2019 opgericht. De onderneming van de vennootschap was onder meer gericht op de import en verkoop van tweedehands auto’s en later ook op het exploiteren van een callcenter op het gebied van energielevering aan bedrijven. De onderneming handelde daarbij ook onder de naam [naam callcenter] . 3.3. De overdracht van de aandelen door [de eerste bestuurder] aan [de opvolgende bestuurder] heeft op afstand plaatsgevonden. Zij hebben elkaar nooit ontmoet en zijn met elkaar in contact gekomen via een tussenpersoon. [de eerste bestuurder] heeft verklaard dat [de opvolgende bestuurder] € 1.000 voor de aandelen heeft betaald; de curator weet niet of [de opvolgende bestuurder] dat bedrag heeft betaald of juist heeft ontvangen om de aandelen over te nemen. 3.4. Tussen het moment van oprichting en het faillissement is een bedrag van ongeveer € 3,5 miljoen over de bankrekening van de vennootschap gestroomd. De curator heeft gesteld dat veel substantiële bedragen werden ontvangen van en betaald aan vennootschappen die aan [de eerste bestuurder] gelieerd waren. Onder de uitgaven zijn blijkens de bankafschriften verder aanzienlijke uitgaven in Dubai en Marbella aan hotels en restaurants en aan Cartier en Louis Vuitton; verder is in totaal ruim € 80.000 contant opgenomen bij pinautomaten. 3.5. Na het uitspreken van het faillissement heeft [de opvolgende bestuurder] aan de curator verklaard dat hij geen administratie van [de eerste bestuurder] heeft ontvangen. [de opvolgende bestuurder] heeft de curator geen administratie van de vennootschap gegeven, behalve stukken van na de datum van de overdracht, vooral bestaande uit aanmaningen en deurwaardersexploten. Van of namens [de eerste bestuurder] heeft de curator, deels nadat [de eerste bestuurder] zes maanden in verzekerde bewaring had gezeten, een aantal groene kaarten van autoverzekeringen en facturen voor de huur van een bedrijfspand ontvangen. Daarnaast heeft de curator een stuk ontvangen dat door [de eerste bestuurder] wordt aangeduid als een kolommenbalans, maar dat het opschrift “jaarrekening 2021” draagt. In dat stuk staat boven een summiere balans de datum 31 december 2021, toen de vennootschap al ruim vier maanden failliet was. 3.6. De curator heeft drie verschillende jaarrekeningen van de vennootschap over 2020 overgelegd. De eerste jaarrekening is op 24 februari 2021 bij het Handelregister gedeponeerd. De tweede jaarrekening heeft de curator ontvangen van de notaris die de overdrachtsakte van de aandelen heeft gepasseerd. De derde jaarrekening is in opdracht van [de eerste bestuurder] door een derde opgesteld en tijdens of na [de eerste bestuurder] ’s verzekerde bewaring aan de curator gestuurd. Die derde jaarrekening toont per 31 december 2020 een bedrag aan schulden van € 57.870, aan [schuldeiser1] en [schuldeiser2] . Datzelfde bedrag (met dezelfde crediteuren) staat op de hiervoor genoemde kolommenbalans. 3.7. Uit de lijst van crediteuren blijken schulden aan de belastingdienst van in totaal € 416.869, waaronder aanslagen omzetbelasting van onder meer € 22.568 en € 273.130, en een vordering (volgens de curator uit een geldlening van maart 2021) van [geldlener] van ruim € 70.000. Hoewel [de eerste bestuurder] (terecht) heeft betoogd dat het op de weg van de curator had gelegen deze posten met ondersteunende stukken te onderbouwen heeft hij het bestaan en de omvang van deze vorderingen niet (voldoende gemotiveerd) betwist. [de eerste bestuurder] heeft bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat de belastingsachterstand in zijn ogen ongeveer € 80.000 bedroeg. Juridisch kader 3.8. Op grond van artikel 2:248 BW is, in geval van faillissement van een besloten vennootschap, iedere (voormalige) bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in de boedel, als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is (pas) sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. De curator kan de vordering tegen de bestuurder(s) alleen instellen op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de drie jaar voorafgaande aan het faillissement van de vennootschap. 3.9.
Volledig
Op grond van artikel 2:10 BW is het bestuur van een vennootschap verplicht van de vermogenstoestand en van alles betreffende de werkzaamheden van de vennootschap een administratie te voeren, naar de eisen die uit die werkzaamheden voortvloeien. Welke eisen aan de administratie gesteld worden, hangt af van de aard en de omvang van de onderneming. Het bestuur dient verder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die tot de administratie behoren te bewaren. Het bestuur moet een en ander op zo’n manier doen dat de rechten en verplichtingen van de vennootschap steeds kunnen worden gekend. De verplichting een administratie te voeren en de bewaarplicht worden tezamen wel aangeduid als de administratieplicht. 3.10. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW, staat vast dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Een onbelangrijk verzuim wordt daarbij niet in aanmerking genomen. De bestuurder kan het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. 3.11. De rechter kan op grond van artikel 2:248 lid 4 BW het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op (uitsluitend) de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement en de wijze van afwikkeling daarvan. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond. Schending administratieplicht? 3.12. De curator heeft aangevoerd dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht van artikel 2:10 BW heeft geschonden, zowel de verplichting een administratie te voeren als de bewaarplicht. De curator heeft van [de opvolgende bestuurder] geen administratie ontvangen (behalve enkele stukken van na de aandelenoverdracht, zie 3.5) en van [de eerste bestuurder] alleen de groene kaarten van autoverzekeringen, facturen voor de huur van een bedrijfspand, de hiervoor genoemde kolommenbalans en de (derde) jaarrekening over 2020. Dat is volgens de curator geen administratie die aan de eisen van artikel 2:10 BW voldoet. Daarbij zijn er veel (niet vastgelegde) privé-uitgaven, terwijl niet van een rekening-courant tussen [de eerste bestuurder] en de vennootschap is gebleken. Als er al een administratie was en aan [de opvolgende bestuurder] is overgedragen, dan heeft [de eerste bestuurder] , die geen kopie van de administratie maakte, daarmee zijn bewaarplicht geschonden omdat [de opvolgende bestuurder] als katvanger diende. 3.13. [de eerste bestuurder] heeft betwist dat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat hij geen boekhouder had en geen boekhoudprogramma gebruikte, maar de administratie deed door het bijhouden van in- en verkoopfacturen. Verder heeft hij de belastingaangiftes verzorgd en had hij inzicht in de bankrekening van de vennootschap. Hij wist welke omzet binnenkwam en welke kosten hij daarmee moest voldoen en kende zodoende de rechten en verplichtingen van de vennootschap. Dat zich in de administratie geen rekening-courant tussen hem en de vennootschap bevond, maakt dat niet anders. De uitgaven van de vennootschap waren zakelijk, ook die in Dubai en Marbella (afgezien van een zonnebril) en waar het privé-opnamen betrof waren dat bedragen die [de eerste bestuurder] aan zichzelf als bestuurder en aandeelhouder uitkeerde en mocht uitkeren. Bij de overdracht van de aandelen heeft [de eerste bestuurder] de administratie in fysieke vorm aan [de opvolgende bestuurder] overhandigd, via de tussenpersoon. Daaronder waren volgens [de eerste bestuurder] , bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank, de bankafschriften, de “ondernemingspapieren en nog meer. Ook de stukken om een jaarrekening op te stellen.” 3.14. [de eerste bestuurder] ’s verweer dat hij wel een deugdelijke administratie heeft gevoerd, slaagt niet. Uit [de eerste bestuurder] ’s betoog volgt dat de vennootschap twee ondernemingen dreef: een autohandel en een callcenter waarin 8 tot 10 zzp’ers werkten. In anderhalf jaar tijd liep er € 3,5 miljoen over de bankrekening van de vennootschap. Er gingen contante bedragen van aanzienlijke omvang om. [de eerste bestuurder] deed forse uitgaven in het buitenland waarvan het zakelijk karakter en het verband met de onderneming niet onmiddellijk in het oog springen. Dat hij handelde in auto’s in het hogere segment waar degelijke uitgaven bij zouden kunnen passen is onvoldoende toegelicht gelet op de uitleg van de curator dat in Volkswagens Golf GTI, Skoda’s en Seats werd gehandeld. Dat ook sprake was van een privé-uitgave vanaf de rekening van de vennootschap heeft [de eerste bestuurder] erkend, terwijl uit zijn betoog verder volgt dat hij zichzelf ook bedragen als salaris of winst uitkeerde. Bij die stand van zaken is minst genomen ongebruikelijk dat geen gebruik werd gemaakt van een boekhouder of boekhoudprogramma. Daarbij komt dat [de eerste bestuurder] in hoger beroep voor het eerst heeft aangevoerd dat zijn zus voor de vennootschap (enige) administratie bijhield in Excel, maar dat hij deze eenvoudig te reproduceren bestanden niet in het geding heeft gebracht. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het betoog dat een deugdelijke administratie werd gevoerd. Aan zijn verklaring bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank dat hij nog meer administratie kon aanleveren, heeft hij geen gevolg gegeven. Zelfs als sprake is geweest van een administratie bestaande uit in- en verkoopfacturen, belastingaangiftes en de bankrekening, valt niet in te zien dat die in dit geval volstond. Verwacht mocht ten minste ook worden dat de administratie inzicht gaf in de verhouding tussen [de eerste bestuurder] en de vennootschap wat betreft salaris, winst en gedeclareerde kosten. Uit zijn verweer blijkt daarvan niets. Ook is niet gebleken dat [de eerste bestuurder] beschikte over de huurovereenkomst en de overeenkomsten met de 8 tot 10 zzp’ers die immers tot de administratie behoren. Hoewel niet is gebleken dat de curator aan [de eerste bestuurder] een ontvangstbewijs van de overhandigde stukken heeft verstrekt, heeft [de eerste bestuurder] niet toegelicht dat hij ook dergelijke stukken (of enig ander stuk dan hiervoor in 3.5 genoemd) aan de curator zou hebben gegeven. Daarbij komt dat [de eerste bestuurder] niet voldoende heeft toegelicht dat de administratie het vereiste inzicht gaf in de rechten en verplichtingen van de vennootschap. Uit de (derde) jaarrekening over 2020 en de hiervoor genoemde kolommenbalans blijken schulden van € 57.870 aan, naar het hof aanneemt, handelscrediteuren. Niet blijkt van de schulden aan de belastingdienst, die, ook als wordt uitgegaan van het bedrag dat [de eerste bestuurder] zelf heeft genoemd, € 80.000 bedroeg. Ook als voor de betaling daarvan uitstel zou zijn verleend, zoals [de eerste bestuurder] heeft aangevoerd, maakt dat niet dat die schuld geen verplichting meer is die uit de administratie moet blijken. Evenmin blijkt van de lening van [geldlener] . Ook voor zover die schulden pas na de balansdatum van de jaarrekening 2020 zijn ontstaan, hadden die moeten blijken uit de zogenoemde kolommenbalans. Dat er over 2020 drie aanzienlijk verschillende jaarrekeningen voorhanden zijn, draagt bij aan de conclusie dat er geen deugdelijke administratie is gevoerd.
Volledig
Op grond van artikel 2:10 BW is het bestuur van een vennootschap verplicht van de vermogenstoestand en van alles betreffende de werkzaamheden van de vennootschap een administratie te voeren, naar de eisen die uit die werkzaamheden voortvloeien. Welke eisen aan de administratie gesteld worden, hangt af van de aard en de omvang van de onderneming. Het bestuur dient verder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die tot de administratie behoren te bewaren. Het bestuur moet een en ander op zo’n manier doen dat de rechten en verplichtingen van de vennootschap steeds kunnen worden gekend. De verplichting een administratie te voeren en de bewaarplicht worden tezamen wel aangeduid als de administratieplicht. 3.10. Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW, staat vast dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Een onbelangrijk verzuim wordt daarbij niet in aanmerking genomen. De bestuurder kan het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. 3.11. De rechter kan op grond van artikel 2:248 lid 4 BW het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op (uitsluitend) de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement en de wijze van afwikkeling daarvan. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond. Schending administratieplicht? 3.12. De curator heeft aangevoerd dat [de eerste bestuurder] de administratieplicht van artikel 2:10 BW heeft geschonden, zowel de verplichting een administratie te voeren als de bewaarplicht. De curator heeft van [de opvolgende bestuurder] geen administratie ontvangen (behalve enkele stukken van na de aandelenoverdracht, zie 3.5) en van [de eerste bestuurder] alleen de groene kaarten van autoverzekeringen, facturen voor de huur van een bedrijfspand, de hiervoor genoemde kolommenbalans en de (derde) jaarrekening over 2020. Dat is volgens de curator geen administratie die aan de eisen van artikel 2:10 BW voldoet. Daarbij zijn er veel (niet vastgelegde) privé-uitgaven, terwijl niet van een rekening-courant tussen [de eerste bestuurder] en de vennootschap is gebleken. Als er al een administratie was en aan [de opvolgende bestuurder] is overgedragen, dan heeft [de eerste bestuurder] , die geen kopie van de administratie maakte, daarmee zijn bewaarplicht geschonden omdat [de opvolgende bestuurder] als katvanger diende. 3.13. [de eerste bestuurder] heeft betwist dat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat hij geen boekhouder had en geen boekhoudprogramma gebruikte, maar de administratie deed door het bijhouden van in- en verkoopfacturen. Verder heeft hij de belastingaangiftes verzorgd en had hij inzicht in de bankrekening van de vennootschap. Hij wist welke omzet binnenkwam en welke kosten hij daarmee moest voldoen en kende zodoende de rechten en verplichtingen van de vennootschap. Dat zich in de administratie geen rekening-courant tussen hem en de vennootschap bevond, maakt dat niet anders. De uitgaven van de vennootschap waren zakelijk, ook die in Dubai en Marbella (afgezien van een zonnebril) en waar het privé-opnamen betrof waren dat bedragen die [de eerste bestuurder] aan zichzelf als bestuurder en aandeelhouder uitkeerde en mocht uitkeren. Bij de overdracht van de aandelen heeft [de eerste bestuurder] de administratie in fysieke vorm aan [de opvolgende bestuurder] overhandigd, via de tussenpersoon. Daaronder waren volgens [de eerste bestuurder] , bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank, de bankafschriften, de “ondernemingspapieren en nog meer. Ook de stukken om een jaarrekening op te stellen.” 3.14. [de eerste bestuurder] ’s verweer dat hij wel een deugdelijke administratie heeft gevoerd, slaagt niet. Uit [de eerste bestuurder] ’s betoog volgt dat de vennootschap twee ondernemingen dreef: een autohandel en een callcenter waarin 8 tot 10 zzp’ers werkten. In anderhalf jaar tijd liep er € 3,5 miljoen over de bankrekening van de vennootschap. Er gingen contante bedragen van aanzienlijke omvang om. [de eerste bestuurder] deed forse uitgaven in het buitenland waarvan het zakelijk karakter en het verband met de onderneming niet onmiddellijk in het oog springen. Dat hij handelde in auto’s in het hogere segment waar degelijke uitgaven bij zouden kunnen passen is onvoldoende toegelicht gelet op de uitleg van de curator dat in Volkswagens Golf GTI, Skoda’s en Seats werd gehandeld. Dat ook sprake was van een privé-uitgave vanaf de rekening van de vennootschap heeft [de eerste bestuurder] erkend, terwijl uit zijn betoog verder volgt dat hij zichzelf ook bedragen als salaris of winst uitkeerde. Bij die stand van zaken is minst genomen ongebruikelijk dat geen gebruik werd gemaakt van een boekhouder of boekhoudprogramma. Daarbij komt dat [de eerste bestuurder] in hoger beroep voor het eerst heeft aangevoerd dat zijn zus voor de vennootschap (enige) administratie bijhield in Excel, maar dat hij deze eenvoudig te reproduceren bestanden niet in het geding heeft gebracht. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het betoog dat een deugdelijke administratie werd gevoerd. Aan zijn verklaring bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank dat hij nog meer administratie kon aanleveren, heeft hij geen gevolg gegeven. Zelfs als sprake is geweest van een administratie bestaande uit in- en verkoopfacturen, belastingaangiftes en de bankrekening, valt niet in te zien dat die in dit geval volstond. Verwacht mocht ten minste ook worden dat de administratie inzicht gaf in de verhouding tussen [de eerste bestuurder] en de vennootschap wat betreft salaris, winst en gedeclareerde kosten. Uit zijn verweer blijkt daarvan niets. Ook is niet gebleken dat [de eerste bestuurder] beschikte over de huurovereenkomst en de overeenkomsten met de 8 tot 10 zzp’ers die immers tot de administratie behoren. Hoewel niet is gebleken dat de curator aan [de eerste bestuurder] een ontvangstbewijs van de overhandigde stukken heeft verstrekt, heeft [de eerste bestuurder] niet toegelicht dat hij ook dergelijke stukken (of enig ander stuk dan hiervoor in 3.5 genoemd) aan de curator zou hebben gegeven. Daarbij komt dat [de eerste bestuurder] niet voldoende heeft toegelicht dat de administratie het vereiste inzicht gaf in de rechten en verplichtingen van de vennootschap. Uit de (derde) jaarrekening over 2020 en de hiervoor genoemde kolommenbalans blijken schulden van € 57.870 aan, naar het hof aanneemt, handelscrediteuren. Niet blijkt van de schulden aan de belastingdienst, die, ook als wordt uitgegaan van het bedrag dat [de eerste bestuurder] zelf heeft genoemd, € 80.000 bedroeg. Ook als voor de betaling daarvan uitstel zou zijn verleend, zoals [de eerste bestuurder] heeft aangevoerd, maakt dat niet dat die schuld geen verplichting meer is die uit de administratie moet blijken. Evenmin blijkt van de lening van [geldlener] . Ook voor zover die schulden pas na de balansdatum van de jaarrekening 2020 zijn ontstaan, hadden die moeten blijken uit de zogenoemde kolommenbalans. Dat er over 2020 drie aanzienlijk verschillende jaarrekeningen voorhanden zijn, draagt bij aan de conclusie dat er geen deugdelijke administratie is gevoerd.
Volledig
[de eerste bestuurder] heeft verklaard dat hij de gedeponeerde (eerste) jaarrekening niet herkent, dat deze niet juist is en dat hij zich niet kan herinneren hoe deze bij het Handelsregister terecht is gekomen. Over de (tweede) jaarrekening, die bij de notaris lag voor de overdracht, heeft [de eerste bestuurder] ook verklaard dat hij die niet kent en dat hij geen opdracht heeft gegeven voor het opstellen ervan. Alleen de derde, zeer summiere, jaarrekening is volgens hem juist. Gelet op het voorgaande heeft [de eerste bestuurder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat geen deugdelijke administratie is gevoerd. Door in hoger beroep niet op de mondelinge behandeling te verschijnen en evenmin met zijn advocaat in contact te blijven over een voor hem ingesteld hoger beroep heeft [de eerste bestuurder] (direct of indirect) geen nadere informatie kunnen verstrekken of vragen kunnen beantwoorden en dit komt voor zijn rekening en risico. 3.15. Overigens, zelfs als sprake zou zijn van een deugdelijke administratie, heeft [de eerste bestuurder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij de bewaarplicht heeft geschonden. De administratie blijft bij een overdracht van de aandelen of bestuurswissel bij de vennootschap. In beginsel mag en moet de bestuurder de administratie daarbij overdragen aan de opvolgend bestuurder. Dat is anders in een geval dat het overdragen van de administratie neerkomt op het zich ontdoen van de administratie door deze af te geven aan een, naar ook de vertrekkend bestuurder in elk geval moest begrijpen, opvolger die niet te goeder trouw van plan was de onderneming over te nemen. [de eerste bestuurder] heeft de (mager onderbouwde) stelling van de curator dat hier van zo’n geval sprake is, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij is van belang dat het gaat om een vennootschap die volgeladen blijkt met schulden, aan een koper die [de eerste bestuurder] niet heeft ontmoet, via een tussenpersoon waarvan hij geen gegevens (behalve een voornaam) heeft kunnen verstrekken, voor een koopsom (van € 1.000) die niet strookt met de aan de notaris getoonde jaarrekening, waarbij het adres van de vennootschap wordt veranderd van een bedrijvenpark in het woonadres van de ouders van de koper en niet blijkt van een onderneming die wordt voortgezet of een ander plan met de vennootschap. Daar komt nog bij dat [de eerste bestuurder] de bankpas van de vennootschap behield en daar ook na de overdracht nog gebruik van maakte door geld op te nemen, waarover [de eerste bestuurder] verklaarde dat [de opvolgende bestuurder] zelf een bankrekening voor de vennootschap zou openen. Ook op dit punt geldt dat [de eerste bestuurder] , door in hoger beroep niet op zitting te verschijnen, geen nadere informatie heeft kunnen verstrekken of vragen kunnen beantwoorden, wat voor zijn risico komt. 3.16. Gelet op het voorgaande komt ook het hof tot de conclusie dat het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht en het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Belangrijke oorzaak van het faillissement? 3.17. De vervolgvraag is of [de eerste bestuurder] het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement is, heeft ontzenuwd door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 3.18. [de eerste bestuurder] heeft in dit verband gewezen op het opdrogen van de opdrachten aan en inkomstenstroom van de vennootschap, waardoor de vennootschap steeds minder activiteiten ontplooide. In de conclusie van antwoord heeft hij ook gewezen op de impact van de maatregelen tegen Covid-19 medio 2020, maar bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [de eerste bestuurder] verklaard dat hij daar in 2020 geen last van heeft gehad. Dit betoog is onvoldoende (uitgewerkt) om het vermoeden te ontzenuwen. [de eerste bestuurder] heeft geen inzicht gegeven in de gang van zaken in de onderneming en evenmin in het beweerde opdrogen van orders en inkomsten, laat staan in de redenen daarvoor. Uit de overgelegde financiële stukken waaronder de derde jaarrekening en de kolommenbalans blijkt dat evenmin, terwijl tussen partijen vaststaat dat in de ruim anderhalf jaar dat de vennootschap bestond, ongeveer € 3,5 miljoen aan inkomsten over de rekening liep en [de eerste bestuurder] ook na de aandelenoverdracht nog gelden van de vennootschap kon opnemen. 3.19. Daarmee staat vast dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is dan iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort. [de eerste bestuurder] is daarom aansprakelijk voor het tekort. Beroep op matiging 3.20. [de eerste bestuurder] heeft een beroep gedaan op matiging. Hij heeft aangevoerd dat hij jong (geboren in 1997) en onervaren was als ondernemer en niet bewust onbehoorlijk bestuurde. Daarbij komt dat hij lange tijd in verzekerde bewaring heeft gezeten, recent uit detentie is gekomen en geen verhaal biedt, terwijl mogelijk met [de opvolgende bestuurder] een schikking is getroffen. Verder heeft hij gewezen op andere oorzaken van het faillissement (zoals genoemd in 3.18). 3.21. Het beroep op matiging slaagt niet. Het niet voldoen aan de administratieplicht is ernstig. De onervarenheid van [de eerste bestuurder] maakt dat niet anders; een bestuurder die niet zelf de administratie naar behoren kan bijhouden moet dat naar behoren laten doen. De periode in verzekerde bewaring en het beweerde gebrek aan verhaal zijn geen omstandigheden die op grond van artikel 2:248 lid 4 BW tot matiging kunnen leiden. [de eerste bestuurder] zat in verzekerde bewaring omdat hij geen (voldoende) informatie gaf aan de curator. Wat betreft de afwikkeling van het faillissement heeft de curator gemotiveerd betwist dat met [de opvolgende bestuurder] een schikking is getroffen en heeft [de eerste bestuurder] dit verder niet (voldoende) onderbouwd. Of de curator ook [de opvolgende bestuurder] kan aanspreken ligt in deze procedure niet voor; een mogelijke vordering tegen [de opvolgende bestuurder] is ook onvoldoende reden voor matiging van de aansprakelijkheid van [de eerste bestuurder] . Dat het geen zin heeft om op kosten van de crediteuren tegen [de eerste bestuurder] te procederen omdat hij geen verhaal biedt, is in de eerste plaats aan de curator om te beoordelen, terwijl het gebrek aan verhaal overigens niet nader is toegelicht. Uit hetgeen hiervoor in 3.18 is overwogen volgt ook dat [de eerste bestuurder] onvoldoende heeft onderbouwd dat er andere oorzaken van het faillissement zijn. De periode dat [de eerste bestuurder] bestuurder was beslaat nagenoeg het gehele bestaan van de vennootschap (en ook na zijn bestuurderschap heeft hij de bankrekening van de vennootschap nog gebruikt); ook dat is geen reden voor matiging. Bewijs 3.22. [de eerste bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden van feiten die, als zij komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. Aan het bewijsaanbod wordt daarom voorbij gegaan. De conclusie 3.23. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [de eerste bestuurder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de eerste bestuurder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.24. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, nu hiertegen geen verweer is gevoerd, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 18 september 2024; 4.2. veroordeelt [de eerste bestuurder] tot betaling van de volgende proceskosten van de curator: € 798 aan griffierecht € 3.340 aan salaris van de advocaat van [de eerste bestuurder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III) 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
Volledig
[de eerste bestuurder] heeft verklaard dat hij de gedeponeerde (eerste) jaarrekening niet herkent, dat deze niet juist is en dat hij zich niet kan herinneren hoe deze bij het Handelsregister terecht is gekomen. Over de (tweede) jaarrekening, die bij de notaris lag voor de overdracht, heeft [de eerste bestuurder] ook verklaard dat hij die niet kent en dat hij geen opdracht heeft gegeven voor het opstellen ervan. Alleen de derde, zeer summiere, jaarrekening is volgens hem juist. Gelet op het voorgaande heeft [de eerste bestuurder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat geen deugdelijke administratie is gevoerd. Door in hoger beroep niet op de mondelinge behandeling te verschijnen en evenmin met zijn advocaat in contact te blijven over een voor hem ingesteld hoger beroep heeft [de eerste bestuurder] (direct of indirect) geen nadere informatie kunnen verstrekken of vragen kunnen beantwoorden en dit komt voor zijn rekening en risico. 3.15. Overigens, zelfs als sprake zou zijn van een deugdelijke administratie, heeft [de eerste bestuurder] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij de bewaarplicht heeft geschonden. De administratie blijft bij een overdracht van de aandelen of bestuurswissel bij de vennootschap. In beginsel mag en moet de bestuurder de administratie daarbij overdragen aan de opvolgend bestuurder. Dat is anders in een geval dat het overdragen van de administratie neerkomt op het zich ontdoen van de administratie door deze af te geven aan een, naar ook de vertrekkend bestuurder in elk geval moest begrijpen, opvolger die niet te goeder trouw van plan was de onderneming over te nemen. [de eerste bestuurder] heeft de (mager onderbouwde) stelling van de curator dat hier van zo’n geval sprake is, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij is van belang dat het gaat om een vennootschap die volgeladen blijkt met schulden, aan een koper die [de eerste bestuurder] niet heeft ontmoet, via een tussenpersoon waarvan hij geen gegevens (behalve een voornaam) heeft kunnen verstrekken, voor een koopsom (van € 1.000) die niet strookt met de aan de notaris getoonde jaarrekening, waarbij het adres van de vennootschap wordt veranderd van een bedrijvenpark in het woonadres van de ouders van de koper en niet blijkt van een onderneming die wordt voortgezet of een ander plan met de vennootschap. Daar komt nog bij dat [de eerste bestuurder] de bankpas van de vennootschap behield en daar ook na de overdracht nog gebruik van maakte door geld op te nemen, waarover [de eerste bestuurder] verklaarde dat [de opvolgende bestuurder] zelf een bankrekening voor de vennootschap zou openen. Ook op dit punt geldt dat [de eerste bestuurder] , door in hoger beroep niet op zitting te verschijnen, geen nadere informatie heeft kunnen verstrekken of vragen kunnen beantwoorden, wat voor zijn risico komt. 3.16. Gelet op het voorgaande komt ook het hof tot de conclusie dat het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht en het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Belangrijke oorzaak van het faillissement? 3.17. De vervolgvraag is of [de eerste bestuurder] het vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement is, heeft ontzenuwd door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 3.18. [de eerste bestuurder] heeft in dit verband gewezen op het opdrogen van de opdrachten aan en inkomstenstroom van de vennootschap, waardoor de vennootschap steeds minder activiteiten ontplooide. In de conclusie van antwoord heeft hij ook gewezen op de impact van de maatregelen tegen Covid-19 medio 2020, maar bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [de eerste bestuurder] verklaard dat hij daar in 2020 geen last van heeft gehad. Dit betoog is onvoldoende (uitgewerkt) om het vermoeden te ontzenuwen. [de eerste bestuurder] heeft geen inzicht gegeven in de gang van zaken in de onderneming en evenmin in het beweerde opdrogen van orders en inkomsten, laat staan in de redenen daarvoor. Uit de overgelegde financiële stukken waaronder de derde jaarrekening en de kolommenbalans blijkt dat evenmin, terwijl tussen partijen vaststaat dat in de ruim anderhalf jaar dat de vennootschap bestond, ongeveer € 3,5 miljoen aan inkomsten over de rekening liep en [de eerste bestuurder] ook na de aandelenoverdracht nog gelden van de vennootschap kon opnemen. 3.19. Daarmee staat vast dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is dan iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort. [de eerste bestuurder] is daarom aansprakelijk voor het tekort. Beroep op matiging 3.20. [de eerste bestuurder] heeft een beroep gedaan op matiging. Hij heeft aangevoerd dat hij jong (geboren in 1997) en onervaren was als ondernemer en niet bewust onbehoorlijk bestuurde. Daarbij komt dat hij lange tijd in verzekerde bewaring heeft gezeten, recent uit detentie is gekomen en geen verhaal biedt, terwijl mogelijk met [de opvolgende bestuurder] een schikking is getroffen. Verder heeft hij gewezen op andere oorzaken van het faillissement (zoals genoemd in 3.18). 3.21. Het beroep op matiging slaagt niet. Het niet voldoen aan de administratieplicht is ernstig. De onervarenheid van [de eerste bestuurder] maakt dat niet anders; een bestuurder die niet zelf de administratie naar behoren kan bijhouden moet dat naar behoren laten doen. De periode in verzekerde bewaring en het beweerde gebrek aan verhaal zijn geen omstandigheden die op grond van artikel 2:248 lid 4 BW tot matiging kunnen leiden. [de eerste bestuurder] zat in verzekerde bewaring omdat hij geen (voldoende) informatie gaf aan de curator. Wat betreft de afwikkeling van het faillissement heeft de curator gemotiveerd betwist dat met [de opvolgende bestuurder] een schikking is getroffen en heeft [de eerste bestuurder] dit verder niet (voldoende) onderbouwd. Of de curator ook [de opvolgende bestuurder] kan aanspreken ligt in deze procedure niet voor; een mogelijke vordering tegen [de opvolgende bestuurder] is ook onvoldoende reden voor matiging van de aansprakelijkheid van [de eerste bestuurder] . Dat het geen zin heeft om op kosten van de crediteuren tegen [de eerste bestuurder] te procederen omdat hij geen verhaal biedt, is in de eerste plaats aan de curator om te beoordelen, terwijl het gebrek aan verhaal overigens niet nader is toegelicht. Uit hetgeen hiervoor in 3.18 is overwogen volgt ook dat [de eerste bestuurder] onvoldoende heeft onderbouwd dat er andere oorzaken van het faillissement zijn. De periode dat [de eerste bestuurder] bestuurder was beslaat nagenoeg het gehele bestaan van de vennootschap (en ook na zijn bestuurderschap heeft hij de bankrekening van de vennootschap nog gebruikt); ook dat is geen reden voor matiging. Bewijs 3.22. [de eerste bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden van feiten die, als zij komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. Aan het bewijsaanbod wordt daarom voorbij gegaan. De conclusie 3.23. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [de eerste bestuurder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de eerste bestuurder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.24. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, nu hiertegen geen verweer is gevoerd, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 18 september 2024; 4.2. veroordeelt [de eerste bestuurder] tot betaling van de volgende proceskosten van de curator: € 798 aan griffierecht € 3.340 aan salaris van de advocaat van [de eerste bestuurder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III) 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.