Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-21
ECLI:NL:GHARL:2026:2379
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,285 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2379 text/xml public 2026-04-29T18:00:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.358.926/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2379 text/html public 2026-04-29T12:20:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2379 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.358.926/01 Familierecht. Gezagsbeëindiging. Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag omdat dit anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.926/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 189346) beschikking van 21 april 2026 in de zaak van [verzoeker] (de vader), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, en [verweerster] (de moeder), die woont in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 28 augustus 2025; - een journaalbericht namens de vader van 25 september 2025 met bijlagen; - het verweerschrift met bijlagen; - een journaalbericht namens de vader van 5 februari 2026 met bijlagen; - een brief namens de moeder van 11 maart 2026 met bijlagen; - een journaalbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage. 2.2. De minderjarige, [de minderjarige2] , is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De minderjarige, [de minderjarige1] , heeft zijn mening op 23 maart 2026 kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier. 2.3. De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad. De voorzitter heeft daarbij een samenvatting gegeven van het gesprek met [de minderjarige1] . 3 De feiten 3.1. Partijen zijn gehuwd op 14 maart 2012 in Turkije. Het huwelijk van partijen is op 17 januari 2023 ontbonden door echtscheiding. De vader heeft de Turkse nationaliteit en de moeder de Nederlandse nationaliteit. 3.2. Partijen zijn de ouders van: - [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2014 te [plaats1] ; - [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2016 te [plaats2] . De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zij hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. De moeder heeft sinds de bestreden beschikking alleen ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Daarvoor hadden de vader en de moeder gezamenlijk het gezag. 3.3. De moeder is op 24 juli 2023 naar [woonplaats2] verhuisd. Zij is daar gaan samenwonen met haar nieuwe partner. 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad het gezamenlijk gezag door de rechtbank beëindigd en een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld inhoudende: - de kinderen verblijven vanaf 16 mei 2025 eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.30 uur bij de vader; - met ingang van uiterlijk 11 juli 2025 (of eerder in onderling overleg overeengekomen) verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader; - op de dagen en/of weken dat er geen school is, verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 16.00 uur tot maandagochtend 10.00 uur bij de vader. 4.2. De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd en dat de omgangsregeling aangevuld moet worden met een regeling voor de feestdagen en vakanties, in die zin dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. 4.3. De moeder voert verweer en zij verzoekt de bestreden beschikking op het punt van het gezag te bekrachtigen en de verzochte aanvulling van de omgangsregeling enkel toe te wijzen indien deze wordt geconcretiseerd als bedoeld in bijlage 2 (bij het verweerschrift van de moeder). 5 De motivering van de beslissing IPR 5.1. De zaak heeft een internationaal karakter omdat de vader de Turkse nationaliteit heeft. Het hof zal daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Nu de kinderen in Nederland wonen is de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Brussel II-ter bevoegd om deze zaak te behandelen. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt zal nemen. Gezag 5.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.3. Er zijn gewijzigde omstandigheden nu in 2023 en begin 2024 de vader en de kinderen geruime tijd geen contact met elkaar hebben gehad, de vader persoonlijke problematiek heeft, de communicatie tussen de ouders moeizaam is en de woonsituatie van de moeder en de kinderen is gewijzigd. 5.4. De moeder heeft de afgelopen jaren grote inspanning geleverd om de vader in contact te brengen en te houden met de kinderen en om beslissingen samen met de vader te nemen. Zij heeft via verschillende communicatiekanalen contact met de vader gezocht en zij heeft het wijkteam als tussenpersoon ingeschakeld. In 2023 heeft zij een kort geding gevoerd met als doel nakoming van de zorgregeling door de vader. Een ander door de moeder gestart kort geding, om toestemming van de vader te krijgen voor het inzetten van hulpverlening voor [de minderjarige1] , hoefde uiteindelijk geen doorgang te vinden, omdat de vader alsnog toestemming gaf. Na een onderzoek door de raad zijn de ouders in januari 2024 verwezen naar het traject [naam1] ( [naam1] ) van het [naam2] ( [naam2] ) van [naam3] . Het is de ouders in dat [naam1] -traject niet gelukt om tot definitieve afspraken over een zorgregeling te komen. Wel hebben zij in dat [naam1] -traject toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. 5.5. Het contact tussen de vader en de kinderen is op zichzelf goed, zo begrijpt het hof uit wat partijen hebben aangegeven. De communicatie tussen de ouders verloopt echter nog steeds moeizaam en niet efficiënt, ondanks het feit dat de vader aangeeft dat het, in tegenstelling tot de voorgaande jaren, beter met hem gaat. De vader is onzeker over wat hij wel en niet mag, gaf hij tijdens de mondelinge behandeling aan, en mede dit vormt een belemmering voor hem voor het nemen van snelle (gezags)beslissingen. De vader gaf ook aan soms ChatGPT te gebruiken voor zijn schriftelijke communicatie met de moeder, maar die manier van communiceren zorgt geregeld voor meer vragen dan voor duidelijkheid. Uit de overgelegde voorbeelden van correspondentie tussen de ouders blijkt dat het maken van afspraken over en afstemmen van praktische zaken, zoals het betalen van kosten, het halen en brengen van de kinderen en het inplannen van vakanties veel tijd en energie vraagt.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2379 text/xml public 2026-04-29T18:00:16 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.358.926/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2379 text/html public 2026-04-29T12:20:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2379 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.358.926/01 Familierecht. Gezagsbeëindiging. Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag omdat dit anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.926/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 189346) beschikking van 21 april 2026 in de zaak van [verzoeker] (de vader), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, en [verweerster] (de moeder), die woont in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 28 augustus 2025; - een journaalbericht namens de vader van 25 september 2025 met bijlagen; - het verweerschrift met bijlagen; - een journaalbericht namens de vader van 5 februari 2026 met bijlagen; - een brief namens de moeder van 11 maart 2026 met bijlagen; - een journaalbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage. 2.2. De minderjarige, [de minderjarige2] , is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De minderjarige, [de minderjarige1] , heeft zijn mening op 23 maart 2026 kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier. 2.3. De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad. De voorzitter heeft daarbij een samenvatting gegeven van het gesprek met [de minderjarige1] . 3 De feiten 3.1. Partijen zijn gehuwd op 14 maart 2012 in Turkije. Het huwelijk van partijen is op 17 januari 2023 ontbonden door echtscheiding. De vader heeft de Turkse nationaliteit en de moeder de Nederlandse nationaliteit. 3.2. Partijen zijn de ouders van: - [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2014 te [plaats1] ; - [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2016 te [plaats2] . De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zij hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. De moeder heeft sinds de bestreden beschikking alleen ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Daarvoor hadden de vader en de moeder gezamenlijk het gezag. 3.3. De moeder is op 24 juli 2023 naar [woonplaats2] verhuisd. Zij is daar gaan samenwonen met haar nieuwe partner. 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad het gezamenlijk gezag door de rechtbank beëindigd en een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld inhoudende: - de kinderen verblijven vanaf 16 mei 2025 eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.30 uur bij de vader; - met ingang van uiterlijk 11 juli 2025 (of eerder in onderling overleg overeengekomen) verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader; - op de dagen en/of weken dat er geen school is, verblijven de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 16.00 uur tot maandagochtend 10.00 uur bij de vader. 4.2. De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag heeft beëindigd en dat de omgangsregeling aangevuld moet worden met een regeling voor de feestdagen en vakanties, in die zin dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. 4.3. De moeder voert verweer en zij verzoekt de bestreden beschikking op het punt van het gezag te bekrachtigen en de verzochte aanvulling van de omgangsregeling enkel toe te wijzen indien deze wordt geconcretiseerd als bedoeld in bijlage 2 (bij het verweerschrift van de moeder). 5 De motivering van de beslissing IPR 5.1. De zaak heeft een internationaal karakter omdat de vader de Turkse nationaliteit heeft. Het hof zal daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Nu de kinderen in Nederland wonen is de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Brussel II-ter bevoegd om deze zaak te behandelen. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt zal nemen. Gezag 5.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.3. Er zijn gewijzigde omstandigheden nu in 2023 en begin 2024 de vader en de kinderen geruime tijd geen contact met elkaar hebben gehad, de vader persoonlijke problematiek heeft, de communicatie tussen de ouders moeizaam is en de woonsituatie van de moeder en de kinderen is gewijzigd. 5.4. De moeder heeft de afgelopen jaren grote inspanning geleverd om de vader in contact te brengen en te houden met de kinderen en om beslissingen samen met de vader te nemen. Zij heeft via verschillende communicatiekanalen contact met de vader gezocht en zij heeft het wijkteam als tussenpersoon ingeschakeld. In 2023 heeft zij een kort geding gevoerd met als doel nakoming van de zorgregeling door de vader. Een ander door de moeder gestart kort geding, om toestemming van de vader te krijgen voor het inzetten van hulpverlening voor [de minderjarige1] , hoefde uiteindelijk geen doorgang te vinden, omdat de vader alsnog toestemming gaf. Na een onderzoek door de raad zijn de ouders in januari 2024 verwezen naar het traject [naam1] ( [naam1] ) van het [naam2] ( [naam2] ) van [naam3] . Het is de ouders in dat [naam1] -traject niet gelukt om tot definitieve afspraken over een zorgregeling te komen. Wel hebben zij in dat [naam1] -traject toegewerkt naar een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. 5.5. Het contact tussen de vader en de kinderen is op zichzelf goed, zo begrijpt het hof uit wat partijen hebben aangegeven. De communicatie tussen de ouders verloopt echter nog steeds moeizaam en niet efficiënt, ondanks het feit dat de vader aangeeft dat het, in tegenstelling tot de voorgaande jaren, beter met hem gaat. De vader is onzeker over wat hij wel en niet mag, gaf hij tijdens de mondelinge behandeling aan, en mede dit vormt een belemmering voor hem voor het nemen van snelle (gezags)beslissingen. De vader gaf ook aan soms ChatGPT te gebruiken voor zijn schriftelijke communicatie met de moeder, maar die manier van communiceren zorgt geregeld voor meer vragen dan voor duidelijkheid. Uit de overgelegde voorbeelden van correspondentie tussen de ouders blijkt dat het maken van afspraken over en afstemmen van praktische zaken, zoals het betalen van kosten, het halen en brengen van de kinderen en het inplannen van vakanties veel tijd en energie vraagt.
Volledig
Voor het nemen van gezagsbeslissingen is een voldoende goede communicatie vereist en moeten de ouders daadwerkelijk samen beslissingen kunnen nemen. Dit is juist in deze situatie, waarbij de kinderen een verzwaarde zorgvraag hebben extra belangrijk omdat er, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, steeds meer beslissingen genomen zullen moeten worden, die ook complex(er) van aard zullen zijn. Beide kinderen volgen speciaal basisonderwijs. Bij [de minderjarige1] waren er zorgen over zijn mentale welzijn en werden kenmerken van ASS en/of een discrepantie in zijn intelligentie gezien. Bij [de minderjarige2] is sprake van een taalontwikkelings-stoornis. Zij kan zich niet goed met woorden uiten. [de minderjarige2] kent geen grenzen en functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Het hof heeft niet de verwachting dat de communicatie tussen de ouders op redelijke termijn voldoende voortvarend zal verbeteren en dat de noodzakelijke beslissingen snel genoeg door beiden tezamen genomen kunnen worden. Het is daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder op dit moment al alleen het gezag heeft over de kinderen, zodat zij de voor hen nodige beslissingen kan nemen. Het advies van de raad om partijen eerst nog de gelegenheid te geven (opnieuw) hulpverlening voor het verbeteren van de communicatie in te zetten voordat over het gezag wordt beslist, volgt het hof daarom niet. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en de beëindiging van het gezamenlijk gezag daarmee in stand laten. Omgang 5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij akkoord gaat met het voorstel van de moeder voor de omgang tijdens de vakanties en feestdagen, dat gelijk is aan wat de vader en de moeder eerder in het door hen opgestelde ouderschapsplan hebben opgenomen. De vader en de moeder hebben beiden verzocht of het hof die regeling wil opnemen in de uitspraak. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoeken in hoger beroep wat betreft de omgang tijdens de vakanties en feestdagen conform de bereikte overeenstemming hebben gewijzigd. Het hof zal daarom de omgang tijdens de vakanties en feestdagen vaststellen zoals partijen zijn overeengekomen, nu deze in het belang van de beide kinderen wordt geacht. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 6.1. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; 6.2. verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, team familierecht, voor aantekening van de beslissing in het centraal gezagsregister; 6.3. stelt daarnaast de volgende omgangsregeling tijdens de vakanties en feestdagen vast: De vakanties worden op de volgende wijze verdeeld: zomervakantie: in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren is het andersom; herfstvakantie: in de oneven jaren de vader en in de even jaren de moeder; kerstvakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg; krokusvakantie: in de oneven jaren de moeder en in de even jaren de vader; meivakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg. De feestdagen worden op de volgende wijze verdeeld: kerst: de kinderen verblijven een dag bij de vader en een dag bij de moeder in onderling overleg; Oud en nieuw: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder; Pasen: conform omgangsregeling; Pinksteren: conform omgangsregeling; Hemelvaartsdag: conform omgangsregeling; ramadan: de vader; Offerfeest: de vader; Suikerfeest: de vader; Sint Maarten: de moeder; sinterklaas: de kinderen vieren bij de beide ouders een keer sinterklaas; Koningsdag: conform omgangsregeling; Moederdag en Vaderdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag bij de vader. 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. L. van Dijk, en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
Voor het nemen van gezagsbeslissingen is een voldoende goede communicatie vereist en moeten de ouders daadwerkelijk samen beslissingen kunnen nemen. Dit is juist in deze situatie, waarbij de kinderen een verzwaarde zorgvraag hebben extra belangrijk omdat er, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, steeds meer beslissingen genomen zullen moeten worden, die ook complex(er) van aard zullen zijn. Beide kinderen volgen speciaal basisonderwijs. Bij [de minderjarige1] waren er zorgen over zijn mentale welzijn en werden kenmerken van ASS en/of een discrepantie in zijn intelligentie gezien. Bij [de minderjarige2] is sprake van een taalontwikkelings-stoornis. Zij kan zich niet goed met woorden uiten. [de minderjarige2] kent geen grenzen en functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Het hof heeft niet de verwachting dat de communicatie tussen de ouders op redelijke termijn voldoende voortvarend zal verbeteren en dat de noodzakelijke beslissingen snel genoeg door beiden tezamen genomen kunnen worden. Het is daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder op dit moment al alleen het gezag heeft over de kinderen, zodat zij de voor hen nodige beslissingen kan nemen. Het advies van de raad om partijen eerst nog de gelegenheid te geven (opnieuw) hulpverlening voor het verbeteren van de communicatie in te zetten voordat over het gezag wordt beslist, volgt het hof daarom niet. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en de beëindiging van het gezamenlijk gezag daarmee in stand laten. Omgang 5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij akkoord gaat met het voorstel van de moeder voor de omgang tijdens de vakanties en feestdagen, dat gelijk is aan wat de vader en de moeder eerder in het door hen opgestelde ouderschapsplan hebben opgenomen. De vader en de moeder hebben beiden verzocht of het hof die regeling wil opnemen in de uitspraak. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoeken in hoger beroep wat betreft de omgang tijdens de vakanties en feestdagen conform de bereikte overeenstemming hebben gewijzigd. Het hof zal daarom de omgang tijdens de vakanties en feestdagen vaststellen zoals partijen zijn overeengekomen, nu deze in het belang van de beide kinderen wordt geacht. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 6.1. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; 6.2. verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, team familierecht, voor aantekening van de beslissing in het centraal gezagsregister; 6.3. stelt daarnaast de volgende omgangsregeling tijdens de vakanties en feestdagen vast: De vakanties worden op de volgende wijze verdeeld: zomervakantie: in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren is het andersom; herfstvakantie: in de oneven jaren de vader en in de even jaren de moeder; kerstvakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg; krokusvakantie: in de oneven jaren de moeder en in de even jaren de vader; meivakantie: de kinderen verblijven een week bij de vader en een week bij de moeder in onderling overleg. De feestdagen worden op de volgende wijze verdeeld: kerst: de kinderen verblijven een dag bij de vader en een dag bij de moeder in onderling overleg; Oud en nieuw: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder; Pasen: conform omgangsregeling; Pinksteren: conform omgangsregeling; Hemelvaartsdag: conform omgangsregeling; ramadan: de vader; Offerfeest: de vader; Suikerfeest: de vader; Sint Maarten: de moeder; sinterklaas: de kinderen vieren bij de beide ouders een keer sinterklaas; Koningsdag: conform omgangsregeling; Moederdag en Vaderdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag bij de vader. 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. L. van Dijk, en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.