Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-14
ECLI:NL:GHARL:2026:2353
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,989 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2353 text/xml public 2026-05-07T16:39:45 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-14 24/1272 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2353 text/html public 2026-04-21T15:19:32 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-04-2026 / 24/1272 IB/PVV. Immateriële schadevergoeding. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 24/1272 uitspraakdatum: 14 april 2026 Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2024, nummer LEE 22/4301 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 38.117. Tegelijk met deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 233 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) veroordeeld tot het vergoeden aan belanghebbende van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij is verschenen en gehoord namens de Inspecteur mr. [naam1] , bijgestaan door mr. [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij aangetekende brief van 10 februari 2026, geadresseerd aan het in het hogerberoepschrift opgegeven adres [adres] te [woonplaats] , is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Volgens de gegevens van Track & Trace van PostNL is op 11 februari 2026 om 13:53 uur deze brief ontvangen. Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Op 3 januari 2022 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.479, geheel bestaande uit loon uit vroegere dienstbetrekking (een uitkering van het UWV). Daarin is een bedrag van € 1.731 aan ingehouden loonheffingen aangegeven. 2.2. Met dagtekening 18 februari 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een voorlopige aanslag over 2020 op basis van zijn aangifte opgelegd. Daaruit volgde een teruggaaf van € 1.650. 2.2. Met dagtekening 26 april 2022 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld in afwijking van de ingediende aangifte. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 38.117, bestaande uit een bedrag van € 30.638 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een bedrag van € 7.479 loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag aan ingehouden loonheffingen is vastgesteld op € 4.104. 2.3. Op 31 mei 2022 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het daarin aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 38.117 en bestaat uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Belanghebbende heeft daarin een bedrag van € 31.010 aan ingehouden loonheffing opgenomen. Deze aangifte heeft de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2020. 2.4. De Inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2022 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. Bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. 2.5. Uit door de Inspecteur overgelegde, gerenseigneerde informatie blijkt dat belanghebbende in 2020 de volgende inkomsten heeft genoten: Inkomsten Ingehouden loonheffing Dienstbetrekking [uitzendorganisatie] 0 0 Tegenwoordige dienstbetrekking UWV € 30.638 € 2.373 Tegenwoordige dienstbetrekking UWV € 7.479 € 1.731 Vroegere dienstbetrekking Totaal € 38.117 € 4.104 De uitkering van € 7.479 is een WIA-uitkering die is ingegaan op 9 augustus 2020. De uitkering van € 30.638 betreft een Ziektewetuitkering. 2.6. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 terecht en op het juiste bedrag is opgelegd. Zij heeft het beroep ongegrond verklaard. In de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling door de Rechtbank heeft zij ambtshalve aanleiding gezien de Minister te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade van € 500. In verband daarmee heeft de Rechtbank de Minister ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van € 35 en het griffierecht van € 50. 3. Geschil In hoger beroep is – naar het hof begrijpt – de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding in geschil. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Belanghebbende heeft zijn hogerberoepschrift digitaal ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. Daarin heeft hij uitdrukkelijk het zaaknummer LEE 22/4301 opgenomen, het zaaknummer van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank. Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep het hogerberoepschrift doorgestuurd aan het Hof. Uit het hogerberoepschrift leidt het Hof af dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak van de Rechtbank, te weten met de daarin opgenomen de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding. 4.2. De Rechtbank heeft ter zake van de vergoeding van immateriële schade het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiser’ ‘belanghebbende’ moet worden gelezen: “8. Eiser heeft niet verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden omdat de redelijke termijn is verstreken na afloop van de zesweekstermijn voor het doen van uitspraak. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een halfjaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per halfjaar (of deel daarvan) van overschrijding. 9. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2022 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 juni 2024. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 2 jaren en een week verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met een week is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De Minister zal daarom veroordeeld worden tot het betalen van de ISV van € 500. “ 4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Voor zover belanghebbende daartegen in hoger beroep wat aanvoert, maakt dit het oordeel van de Rechtbank niet anders. 4.4. Uit hetgeen belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft opgenomen, begrijpt het Hof dat hij niet opkomt tegen de aanslag. Nu evenmin gebleken is dat die aanslag onjuist is, leidt het hoger beroep in ieder geval niet tot een lagere aanslag.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2353 text/xml public 2026-05-07T16:39:45 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-14 24/1272 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2353 text/html public 2026-04-21T15:19:32 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-04-2026 / 24/1272 IB/PVV. Immateriële schadevergoeding. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 24/1272 uitspraakdatum: 14 april 2026 Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2024, nummer LEE 22/4301 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 38.117. Tegelijk met deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 233 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) veroordeeld tot het vergoeden aan belanghebbende van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij is verschenen en gehoord namens de Inspecteur mr. [naam1] , bijgestaan door mr. [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Bij aangetekende brief van 10 februari 2026, geadresseerd aan het in het hogerberoepschrift opgegeven adres [adres] te [woonplaats] , is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Volgens de gegevens van Track & Trace van PostNL is op 11 februari 2026 om 13:53 uur deze brief ontvangen. Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Op 3 januari 2022 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.479, geheel bestaande uit loon uit vroegere dienstbetrekking (een uitkering van het UWV). Daarin is een bedrag van € 1.731 aan ingehouden loonheffingen aangegeven. 2.2. Met dagtekening 18 februari 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een voorlopige aanslag over 2020 op basis van zijn aangifte opgelegd. Daaruit volgde een teruggaaf van € 1.650. 2.2. Met dagtekening 26 april 2022 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld in afwijking van de ingediende aangifte. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 38.117, bestaande uit een bedrag van € 30.638 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een bedrag van € 7.479 loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag aan ingehouden loonheffingen is vastgesteld op € 4.104. 2.3. Op 31 mei 2022 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het daarin aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 38.117 en bestaat uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Belanghebbende heeft daarin een bedrag van € 31.010 aan ingehouden loonheffing opgenomen. Deze aangifte heeft de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2020. 2.4. De Inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2022 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. Bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. 2.5. Uit door de Inspecteur overgelegde, gerenseigneerde informatie blijkt dat belanghebbende in 2020 de volgende inkomsten heeft genoten: Inkomsten Ingehouden loonheffing Dienstbetrekking [uitzendorganisatie] 0 0 Tegenwoordige dienstbetrekking UWV € 30.638 € 2.373 Tegenwoordige dienstbetrekking UWV € 7.479 € 1.731 Vroegere dienstbetrekking Totaal € 38.117 € 4.104 De uitkering van € 7.479 is een WIA-uitkering die is ingegaan op 9 augustus 2020. De uitkering van € 30.638 betreft een Ziektewetuitkering. 2.6. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 terecht en op het juiste bedrag is opgelegd. Zij heeft het beroep ongegrond verklaard. In de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling door de Rechtbank heeft zij ambtshalve aanleiding gezien de Minister te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade van € 500. In verband daarmee heeft de Rechtbank de Minister ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van € 35 en het griffierecht van € 50. 3. Geschil In hoger beroep is – naar het hof begrijpt – de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding in geschil. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Belanghebbende heeft zijn hogerberoepschrift digitaal ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. Daarin heeft hij uitdrukkelijk het zaaknummer LEE 22/4301 opgenomen, het zaaknummer van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank. Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep het hogerberoepschrift doorgestuurd aan het Hof. Uit het hogerberoepschrift leidt het Hof af dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak van de Rechtbank, te weten met de daarin opgenomen de hoogte van de (immateriële) schadevergoeding. 4.2. De Rechtbank heeft ter zake van de vergoeding van immateriële schade het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiser’ ‘belanghebbende’ moet worden gelezen: “8. Eiser heeft niet verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden omdat de redelijke termijn is verstreken na afloop van de zesweekstermijn voor het doen van uitspraak. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een halfjaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per halfjaar (of deel daarvan) van overschrijding. 9. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2022 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 juni 2024. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 2 jaren en een week verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met een week is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De Minister zal daarom veroordeeld worden tot het betalen van de ISV van € 500. “ 4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Voor zover belanghebbende daartegen in hoger beroep wat aanvoert, maakt dit het oordeel van de Rechtbank niet anders. 4.4. Uit hetgeen belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft opgenomen, begrijpt het Hof dat hij niet opkomt tegen de aanslag. Nu evenmin gebleken is dat die aanslag onjuist is, leidt het hoger beroep in ieder geval niet tot een lagere aanslag.