Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-01-13
ECLI:NL:GHARL:2026:234
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,043 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:234 text/xml public 2026-01-30T13:57:41 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-13 24/1 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:234 text/html public 2026-01-28T11:04:36 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:234 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-01-2026 / 24/1 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1 uitspraakdatum: 13 januari 2026 Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer ARN 22/1134, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.781. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 2.603 en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 530. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 837, € 184 en € 500. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft ter zake van een Opel Mokka (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 539 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de herstelkosten zijn gecalculeerd op een bedrag van € 10.682. Daarvan is 95% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. 2.2. De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport zijn geen herstelkosten gecalculeerd. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd die na bezwaar is verminderd tot € 2.603. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend: Consumentenprijs (= historische nieuwprijs) 28.072 Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax) 12.090 Schade 0 = Handelsinkoopwaarde (beschadigd) 12.090 Afschrijving 56,93% Historische BPM (CO2-uitstoot 138 gr/km) 7.575 Afschrijving (56,93%) -/- 4.313 = Verschuldigde BPM 3.262 Extra leeftijdskorting -/- 120 Door belanghebbende is betaald op aangifte -/- 539 Naheffingsaanslag € 2.603 2.3. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep: (i) dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd; (ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 400 moet worden verminderd wegens een kras op de motorkap; en (iii) dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Herleidingsmethode 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade 4.2. Het belastbare feit voor de Wet BPM was tot en met 2021 het tijdstip waarop de registratie - dat wil zeggen inschrijven en tenaamstelling – werd voltooid. Vanaf 2022 is het belastbare feit reeds bij de inschrijving voltooid. 4.3. Belanghebbende beroept zich evenwel op het goedkeurende beleid zoals neergelegd in het Besluit van 27 september 2021, Stcrt. 2021, 43482. Daarin heeft de staatssecretaris in onderdeel 6.6 goedgekeurd dat de belastingplichtige de verschuldigde BPM mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. Blijkens artikel II van dit Besluit werkt de goedkeuring slechts terug tot en met 26 maart 2021, maar beide partijen zijn eensluidend van mening dat op basis van later beleid deze goedkeuring ook betrekking heeft op aangiften die zijn ingediend voor 26 maart 2021, zodat het Hof daarvan uitgaat. Dit betekent dat belanghebbende de verschuldigde BPM moet bepalen naar de verwachte staat waarin de auto verkeert op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. 4.4. Belanghebbende betoogt dat vanwege een, op het tijdstip van de aangifte aanwezige, kras de hele motorkap gespoten moet worden, dat de herstelkosten daarvan € 555 bedragen, dat 72% daarvan als schade in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 12.100, en dat daarom de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.499. 4.5. Belanghebbende heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport voornoemde schade in aanmerking moet worden genomen. Redengevend daarvoor is dat belanghebbendes taxateur deze herstelkosten niet heeft benoemd en gespecificeerd in zijn taxatierapport, zodat niet aannemelijk is dat deze herstelkosten moeten worden gemaakt en dat deze tot een waardevermindering leiden. Bovendien heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op een foto in het taxatierapport die op zeer korte afstand is genomen, waardoor niet duidelijk is dat sprake is van de motorkap van onderhavige auto. Verder is de foto zodanig vaag dat daaruit niet blijkt dat daadwerkelijk sprake is van een kras; evengoed zou een krijtstreep zichtbaar kunnen zijn. 4.6. Gelet op het vorenstaande is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd en faalt zijn betoog dat sprake is van waardevermindering wegens schade. Proceskostenvergoeding bezwaarfase 4.7. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 265 heeft gehanteerd. 4.8. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Zijn grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met zijn uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt. Slotsom Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl .
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:234 text/xml public 2026-02-27T11:25:59 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-13 24/1 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/0281 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:234 text/html public 2026-01-28T11:04:36 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:234 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-01-2026 / 24/1 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1 uitspraakdatum: 13 januari 2026 Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer ARN 22/1134, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.781. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 2.603 en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 530. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 837, € 184 en € 500. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft ter zake van een Opel Mokka (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 539 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de herstelkosten zijn gecalculeerd op een bedrag van € 10.682. Daarvan is 95% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. 2.2. De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport zijn geen herstelkosten gecalculeerd. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd die na bezwaar is verminderd tot € 2.603. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend: Consumentenprijs (= historische nieuwprijs) 28.072 Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax) 12.090 Schade 0 = Handelsinkoopwaarde (beschadigd) 12.090 Afschrijving 56,93% Historische BPM (CO2-uitstoot 138 gr/km) 7.575 Afschrijving (56,93%) -/- 4.313 = Verschuldigde BPM 3.262 Extra leeftijdskorting -/- 120 Door belanghebbende is betaald op aangifte -/- 539 Naheffingsaanslag € 2.603 2.3. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep: (i) dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd; (ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 400 moet worden verminderd wegens een kras op de motorkap; en (iii) dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Herleidingsmethode 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade 4.2. Het belastbare feit voor de Wet BPM was tot en met 2021 het tijdstip waarop de registratie - dat wil zeggen inschrijven en tenaamstelling – werd voltooid. Vanaf 2022 is het belastbare feit reeds bij de inschrijving voltooid. 4.3. Belanghebbende beroept zich evenwel op het goedkeurende beleid zoals neergelegd in het Besluit van 27 september 2021, Stcrt. 2021, 43482. Daarin heeft de staatssecretaris in onderdeel 6.6 goedgekeurd dat de belastingplichtige de verschuldigde BPM mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. Blijkens artikel II van dit Besluit werkt de goedkeuring slechts terug tot en met 26 maart 2021, maar beide partijen zijn eensluidend van mening dat op basis van later beleid deze goedkeuring ook betrekking heeft op aangiften die zijn ingediend voor 26 maart 2021, zodat het Hof daarvan uitgaat. Dit betekent dat belanghebbende de verschuldigde BPM moet bepalen naar de verwachte staat waarin de auto verkeert op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. 4.4. Belanghebbende betoogt dat vanwege een, op het tijdstip van de aangifte aanwezige, kras de hele motorkap gespoten moet worden, dat de herstelkosten daarvan € 555 bedragen, dat 72% daarvan als schade in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 12.100, en dat daarom de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.499. 4.5. Belanghebbende heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport voornoemde schade in aanmerking moet worden genomen. Redengevend daarvoor is dat belanghebbendes taxateur deze herstelkosten niet heeft benoemd en gespecificeerd in zijn taxatierapport, zodat niet aannemelijk is dat deze herstelkosten moeten worden gemaakt en dat deze tot een waardevermindering leiden. Bovendien heeft belanghebbende ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op een foto in het taxatierapport die op zeer korte afstand is genomen, waardoor niet duidelijk is dat sprake is van de motorkap van onderhavige auto. Verder is de foto zodanig vaag dat daaruit niet blijkt dat daadwerkelijk sprake is van een kras; evengoed zou een krijtstreep zichtbaar kunnen zijn. 4.6. Gelet op het vorenstaande is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd en faalt zijn betoog dat sprake is van waardevermindering wegens schade. Proceskostenvergoeding bezwaarfase 4.7. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 265 heeft gehanteerd. 4.8. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Zijn grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met zijn uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt. Slotsom Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl .