Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-01-15
ECLI:NL:GHARL:2026:210
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,075 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:210 text/xml public 2026-01-29T16:39:02 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-15 200.355.646/01 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:210 text/html public 2026-01-29T16:34:35 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:210 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 15-01-2026 / 200.355.646/01 Kinderalimentatie. Minimale draagkracht. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.355.646 (zaaknummer rechtbank Gelderland 440230) beschikking van 15 januari 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.L. van Olst te Apeldoorn. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 11 juni 2025; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 5; - een journaalbericht van mr. Van Olst van 18 november 2025 met producties 6 tot en met 8; - een journaalbericht van mr. De Jong van 19 november 2025 met producties 6 tot en met 8. 2.2 De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening schriftelijk kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek inzake de kinderalimentatie, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden, waar partijen en hun advocaten zijn verschenen. 3 De feiten 3.1 Partijen hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van: - [kind1] , geboren [in] 2005; en - [de minderjarige1] , geboren [in] 2010. De man heeft [de minderjarige1] erkend. De vrouw heeft alleen het gezag over [de minderjarige1] en hij staat op haar adres ingeschreven. 3.2 De vrouw heeft een nieuwe partner en met hem heeft zij één kind: - [de minderjarige2] , geboren [in] 2021. 3.3 De rechtbank heeft in een beschikking van 10 januari 2017 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] en [de minderjarige1] met ingang van 1 november 2016 op een bedrag van € 162 per kind per maand bepaald. 3.4 De man heeft de rechtbank op 20 augustus 2024 verzocht voor recht te verklaren dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw zou betalen. Verder heeft de man de rechtbank verzocht om de door hem te betalen bijdrages voor [kind1] en [de minderjarige1] met ingang van 1 september 2024 op nihil te stellen. 3.5 Bij de beschikking van 14 maart 2025 (die hierna ook als ‘de bestreden beschikking’ wordt aangeduid) heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang): de beschikking van 10 januari 2017 gewijzigd in die zin dat voor recht wordt verklaard dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen; de door partijen in november 2022 gemaakte afspraak over de (kinder)alimentatie gewijzigd in die zin dat met ingang van 1 september 2024 de door de man te betalen bijdrage voor [kind1] op nihil wordt gesteld en voor [de minderjarige1] op € 181 per maand (en met ingang van 1 januari 2025 op grond van de wettelijke indexatie op € 192,77 per maand). 4 De omvang van het geschil 4.1 De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking voor zover het betreft de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te vernietigen en: te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 primair een bijdrage van € 32 per maand aan de vrouw is verschuldigd en subsidiair € 77 per maand; en te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2025 primair een bijdrage van € 34,08 en subsidiair van € 82,01 per maand is verschuldigd aan de vrouw. 4.2 De vrouw voert verweer en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof: de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die af te wijzen; en de bestreden beschikking deels te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 ten behoeve van [de minderjarige1] € 235 aan de vrouw dient te betalen en met ingang van 1 januari 2025 € 250,28 per maand. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Met name de draagkracht van de man is onderwerp van geschil. Volgens de man is die door de rechtbank te hoog ingeschat, volgens de vrouw te laag. de draagkracht van de man 5.2 De man is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WIA-uitkering. Daarnaast is hij eind 2023, met goedvinden van het UWV, gestart met een eigen onderneming: ‘ [naam1] ’ (een eenmanszaak). 5.3 Blijkens de jaaropgave 2024 is de WIA-uitkering € 19.266. Verder heeft de man een aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd, waaruit blijkt van een fiscale winst van € 3.527, en een prognose voor 2025 met een resultaat (fiscale winst) van € 6.024. De werkelijke woonlasten van de man zijn inmiddels € 197,44 per maand (standplaatskosten). 5.4 De rechtbank is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man van € 10.000 met betrekking tot de winst uit onderneming en daarbij rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. Er is geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, omdat de man volgens de rechtbank niet aan het urencriterium voldoet. 5.5 In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een winst van € 10.000. Dat heeft hij niet behaald en zal hij ook niet halen, omdat hij daartoe fysiek niet in staat is als gevolg lichamelijke klachten door drie of vier verkeersongelukken waarbij hij telkens van achteren is aangereden. Daarnaast heeft de man ook een stollingsziekte. Op dit moment werkt de man volgens zijn verklaring tussen de dertien en vijftien uur per week, verdeeld over drie dagen. Als hij € 10.000 winst zou behalen zou hij, blijkens een door hem overgelegde brief van het UWV, gekort worden op zijn uitkering die dan € 1.106 zou worden in plaats van € 1.509 per maand. 5.6 Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de man fysieke klachten heeft en als gevolg daarvan deels is afgekeurd. De vrouw weet hier ook van; bij het tweede ongeval waarbij de man van achteren is aangereden zat zij zelf ook in de auto. Ook weet zij van de stollingsziekte van de man. Ten aanzien van het inkomen van de man zal het hof daarom uitgaan van het inkomen dat hij daadwerkelijk heeft, in die zin dat hof rekening zal houden met de door de man ontvangen WIA-uitkering en de door de man zelf overgelegde winstprognose van € 6.024. Niet in geschil is verder dat dat een hogere winst van de man tot gevolg heeft dat hij wordt gekort op zijn WIA-uitkering. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat bij een winst van € 10.000 (dat is gemiddeld € 833 per maand) zijn uitkering met zo’n € 400 zal dalen. Dat is ongeveer de helft van de winst. Die lijn volgend, zal het hof bij de geprognotiseerde (jaar)winst van € 6.024 (dat is gemiddeld € 502 per maand) rekening houden met een WIA-uitkering die met de helft van die winst wordt gekort, dus met € 251. De bruto uitkering van de man is blijkens de meest recente door de man overgelegde uitkeringsspecificaties € 1.604,93 per maand. Verminderd met € 251 is dat (afgerond) € 1.354 per maand. Het inkomen van de man waarmee het hof zal rekenen is dan de WIA-uitkering van € 1.354 bruto per maand (nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld) en een fiscale winst uit onderneming van € 502 per maand.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:210 text/xml public 2026-01-29T16:39:02 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-15 200.355.646/01 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:210 text/html public 2026-01-29T16:34:35 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:210 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 15-01-2026 / 200.355.646/01 Kinderalimentatie. Minimale draagkracht. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.355.646 (zaaknummer rechtbank Gelderland 440230) beschikking van 15 januari 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.L. van Olst te Apeldoorn. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 11 juni 2025; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 5; - een journaalbericht van mr. Van Olst van 18 november 2025 met producties 6 tot en met 8; - een journaalbericht van mr. De Jong van 19 november 2025 met producties 6 tot en met 8. 2.2 De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening schriftelijk kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek inzake de kinderalimentatie, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden, waar partijen en hun advocaten zijn verschenen. 3 De feiten 3.1 Partijen hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van: - [kind1] , geboren [in] 2005; en - [de minderjarige1] , geboren [in] 2010. De man heeft [de minderjarige1] erkend. De vrouw heeft alleen het gezag over [de minderjarige1] en hij staat op haar adres ingeschreven. 3.2 De vrouw heeft een nieuwe partner en met hem heeft zij één kind: - [de minderjarige2] , geboren [in] 2021. 3.3 De rechtbank heeft in een beschikking van 10 januari 2017 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] en [de minderjarige1] met ingang van 1 november 2016 op een bedrag van € 162 per kind per maand bepaald. 3.4 De man heeft de rechtbank op 20 augustus 2024 verzocht voor recht te verklaren dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw zou betalen. Verder heeft de man de rechtbank verzocht om de door hem te betalen bijdrages voor [kind1] en [de minderjarige1] met ingang van 1 september 2024 op nihil te stellen. 3.5 Bij de beschikking van 14 maart 2025 (die hierna ook als ‘de bestreden beschikking’ wordt aangeduid) heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang): de beschikking van 10 januari 2017 gewijzigd in die zin dat voor recht wordt verklaard dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen; de door partijen in november 2022 gemaakte afspraak over de (kinder)alimentatie gewijzigd in die zin dat met ingang van 1 september 2024 de door de man te betalen bijdrage voor [kind1] op nihil wordt gesteld en voor [de minderjarige1] op € 181 per maand (en met ingang van 1 januari 2025 op grond van de wettelijke indexatie op € 192,77 per maand). 4 De omvang van het geschil 4.1 De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking voor zover het betreft de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te vernietigen en: te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 primair een bijdrage van € 32 per maand aan de vrouw is verschuldigd en subsidiair € 77 per maand; en te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2025 primair een bijdrage van € 34,08 en subsidiair van € 82,01 per maand is verschuldigd aan de vrouw. 4.2 De vrouw voert verweer en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof: de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die af te wijzen; en de bestreden beschikking deels te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 ten behoeve van [de minderjarige1] € 235 aan de vrouw dient te betalen en met ingang van 1 januari 2025 € 250,28 per maand. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Met name de draagkracht van de man is onderwerp van geschil. Volgens de man is die door de rechtbank te hoog ingeschat, volgens de vrouw te laag. de draagkracht van de man 5.2 De man is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WIA-uitkering. Daarnaast is hij eind 2023, met goedvinden van het UWV, gestart met een eigen onderneming: ‘ [naam1] ’ (een eenmanszaak). 5.3 Blijkens de jaaropgave 2024 is de WIA-uitkering € 19.266. Verder heeft de man een aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd, waaruit blijkt van een fiscale winst van € 3.527, en een prognose voor 2025 met een resultaat (fiscale winst) van € 6.024. De werkelijke woonlasten van de man zijn inmiddels € 197,44 per maand (standplaatskosten). 5.4 De rechtbank is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man van € 10.000 met betrekking tot de winst uit onderneming en daarbij rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. Er is geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, omdat de man volgens de rechtbank niet aan het urencriterium voldoet. 5.5 In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een winst van € 10.000. Dat heeft hij niet behaald en zal hij ook niet halen, omdat hij daartoe fysiek niet in staat is als gevolg lichamelijke klachten door drie of vier verkeersongelukken waarbij hij telkens van achteren is aangereden. Daarnaast heeft de man ook een stollingsziekte. Op dit moment werkt de man volgens zijn verklaring tussen de dertien en vijftien uur per week, verdeeld over drie dagen. Als hij € 10.000 winst zou behalen zou hij, blijkens een door hem overgelegde brief van het UWV, gekort worden op zijn uitkering die dan € 1.106 zou worden in plaats van € 1.509 per maand. 5.6 Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de man fysieke klachten heeft en als gevolg daarvan deels is afgekeurd. De vrouw weet hier ook van; bij het tweede ongeval waarbij de man van achteren is aangereden zat zij zelf ook in de auto. Ook weet zij van de stollingsziekte van de man. Ten aanzien van het inkomen van de man zal het hof daarom uitgaan van het inkomen dat hij daadwerkelijk heeft, in die zin dat hof rekening zal houden met de door de man ontvangen WIA-uitkering en de door de man zelf overgelegde winstprognose van € 6.024. Niet in geschil is verder dat dat een hogere winst van de man tot gevolg heeft dat hij wordt gekort op zijn WIA-uitkering. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat bij een winst van € 10.000 (dat is gemiddeld € 833 per maand) zijn uitkering met zo’n € 400 zal dalen. Dat is ongeveer de helft van de winst. Die lijn volgend, zal het hof bij de geprognotiseerde (jaar)winst van € 6.024 (dat is gemiddeld € 502 per maand) rekening houden met een WIA-uitkering die met de helft van die winst wordt gekort, dus met € 251. De bruto uitkering van de man is blijkens de meest recente door de man overgelegde uitkeringsspecificaties € 1.604,93 per maand. Verminderd met € 251 is dat (afgerond) € 1.354 per maand. Het inkomen van de man waarmee het hof zal rekenen is dan de WIA-uitkering van € 1.354 bruto per maand (nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld) en een fiscale winst uit onderneming van € 502 per maand.