Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-31
ECLI:NL:GHARL:2026:1927
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1927 text/xml public 2026-04-14T08:42:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.360.260/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1927 text/html public 2026-04-14T08:42:28 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1927 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.360.260/01 Omgang tijdens OTS. De uitspraak van de rechtbank, waarin de GI de regie heeft over de beperkte begeleide omgang, wordt bekrachtigd met in de overwegingen wel de opdracht aan de GI om de zorgregeling waar mogelijk uit te breiden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.260/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200625) beschikking van 31 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling, Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI), gevestigd te Leeuwarden, verweerster in hoger beroep, en [verweerder] (de vader), die woont in [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 oktober 2025; - het verweerschrift van de vader met bijlage(n); - het verweerschrift van de GI met bijlage(n); - een brief van de raad van 28 november 2025, waarin de raad meldt niet op zitting te zullen verschijnen; - een brief namens de moeder van 30 januari 2026 met bijlage(n) - een brief van de GI van 20 februari 2026 met bijlagen(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI waren twee vertegenwoordigers aanwezig. 2.3 Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een e-mailbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage(n). 3 De feiten 3.1 De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2020. 3.2 De moeder heeft een dochter uit een eerdere relatie, [kind] (geboren in 2013), die bij haar woont. 3.3 Bij beschikking van 12 juni 2024 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien telkens verlengd. De huidige maatregel loopt tot 12 juni 2026. 3.4 Bij beschikking van 23 april 2025 is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en is de hoofdverblijfplaats van de beide kinderen met onmiddellijke ingang bij de vader bepaald. Deze beschikking is door dit hof op 24 juni 2025 bekrachtigd. 3.5 De kinderen wonen bij de vader, die samenwoont met zijn huidige partner. 3.6 Tussen 15 mei 2025 en 11 juni 2025 heeft er begeleide omgang plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen op het kantoor van de GI. De GI heeft de omgang in juni 2025 stopgezet, omdat de moeder zich niet aan de voorwaarden hield en hierover niet in gesprek ging met de GI. 3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld van één uur per week op het kantoor van de GI, onder de voorwaarden zoals door de GI te stellen, waarbij de GI de regie heeft over het moment dat de omgangsmomenten weer hervat kunnen worden als ook over de daaraan te verbinden voorwaarden en over een eventuele uitbreiding in duur of verandering van locatie. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.8 Op 9 juli 2025 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven om samen te werken met de GI onder andere door afspraken na te komen, te reageren op berichten van de GI en de omgang na te bespreken. 3.9 Op 31 juli 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen hervat. De GI heeft de voorwaarden van de omgang opgenomen in een aan de moeder uitgereikt besluit van 25 juli 2025. 3.10 Halverwege augustus 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen door de GI stilgelegd in verband met verdenking van betrokkenheid van de moeder bij de verdwijning van haar dochter [kind] . Na meerdere pogingen van de GI om met de moeder in gesprek te komen, is de omgang, na een gesprek over de voorwaarden waaronder die kan plaatsvinden, per 2 oktober 2025 hervat. De omgang wordt begeleid door [naam] . 3.11 De moeder heeft in een op 6 november 2025 door de rechtbank ontvangen verzoek gevraagd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij haar te bepalen. Bij beschikking van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek, wegens het ontbreken van een relevante wijziging van omstandigheden. 3.12 De GI heeft de moeder bij brief van 19 februari 2026 laten weten dat de omgang met ingang van 5 maart 2026 met een half uur wordt verlengd en welke voorwaarden daarbij gelden. 4 De omvang van het geschil 4.1 De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder haar verzoek verduidelijkt: zij verzoekt het hof (ambtshalve) een regeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen juist acht, waarbij zij een substantiële uitbreiding wil. 4.2 De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 5.2 Het is niet in geschil dat er nog geen zorgregeling tussen de moeder en de kinderen was vastgelegd, nadat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader was bepaald. Daarmee was er voor de GI een noodzaak om de rechter te verzoeken een regeling vast te stellen. 5.3 De moeder heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd en ook geen zelfstandig verzoek ingediend voor een (andere) zorgregeling. Omdat zij in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek kan doen, heeft zij het hof verzocht ambtshalve een regeling vast te stellen die het hof (het meest) in het belang van de kinderen acht. De vraag die in hoger beroep aan het hof voorligt is of de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en de kinderen in stand moet blijven of dat een andere regeling in het belang van de kinderen is. 5.4 De moeder vindt de omgang met de kinderen te summier in tijd en in frequentie. Zij wil graag activiteiten met de kinderen ondernemen, de onderlinge band versterken en herinneringen creëren, maar dat lukt niet omdat de tijd te kort is en omdat de omgang op het kantoor van de GI plaatsvindt. Ook heeft zij het gevoel dat zij zich continu moet bewijzen en verantwoorden, omdat de omgang begeleid plaatsvindt en omdat de GI in haar ogen telkens nieuwe, onredelijke voorwaarden stelt. De moeder vindt de huidige regeling, ook met de uitbreiding van een half uur, niet in het belang van de kinderen en hun ontwikkeling. Zij wijst op de verslagen van de omgang, waaruit blijkt dat de omgangsmomenten goed verlopen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1927 text/xml public 2026-04-14T08:42:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.360.260/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1927 text/html public 2026-04-14T08:42:28 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1927 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.360.260/01 Omgang tijdens OTS. De uitspraak van de rechtbank, waarin de GI de regie heeft over de beperkte begeleide omgang, wordt bekrachtigd met in de overwegingen wel de opdracht aan de GI om de zorgregeling waar mogelijk uit te breiden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.260/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200625) beschikking van 31 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling, Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI), gevestigd te Leeuwarden, verweerster in hoger beroep, en [verweerder] (de vader), die woont in [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 oktober 2025; - het verweerschrift van de vader met bijlage(n); - het verweerschrift van de GI met bijlage(n); - een brief van de raad van 28 november 2025, waarin de raad meldt niet op zitting te zullen verschijnen; - een brief namens de moeder van 30 januari 2026 met bijlage(n) - een brief van de GI van 20 februari 2026 met bijlagen(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI waren twee vertegenwoordigers aanwezig. 2.3 Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een e-mailbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage(n). 3 De feiten 3.1 De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2020. 3.2 De moeder heeft een dochter uit een eerdere relatie, [kind] (geboren in 2013), die bij haar woont. 3.3 Bij beschikking van 12 juni 2024 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien telkens verlengd. De huidige maatregel loopt tot 12 juni 2026. 3.4 Bij beschikking van 23 april 2025 is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en is de hoofdverblijfplaats van de beide kinderen met onmiddellijke ingang bij de vader bepaald. Deze beschikking is door dit hof op 24 juni 2025 bekrachtigd. 3.5 De kinderen wonen bij de vader, die samenwoont met zijn huidige partner. 3.6 Tussen 15 mei 2025 en 11 juni 2025 heeft er begeleide omgang plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen op het kantoor van de GI. De GI heeft de omgang in juni 2025 stopgezet, omdat de moeder zich niet aan de voorwaarden hield en hierover niet in gesprek ging met de GI. 3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld van één uur per week op het kantoor van de GI, onder de voorwaarden zoals door de GI te stellen, waarbij de GI de regie heeft over het moment dat de omgangsmomenten weer hervat kunnen worden als ook over de daaraan te verbinden voorwaarden en over een eventuele uitbreiding in duur of verandering van locatie. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.8 Op 9 juli 2025 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven om samen te werken met de GI onder andere door afspraken na te komen, te reageren op berichten van de GI en de omgang na te bespreken. 3.9 Op 31 juli 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen hervat. De GI heeft de voorwaarden van de omgang opgenomen in een aan de moeder uitgereikt besluit van 25 juli 2025. 3.10 Halverwege augustus 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen door de GI stilgelegd in verband met verdenking van betrokkenheid van de moeder bij de verdwijning van haar dochter [kind] . Na meerdere pogingen van de GI om met de moeder in gesprek te komen, is de omgang, na een gesprek over de voorwaarden waaronder die kan plaatsvinden, per 2 oktober 2025 hervat. De omgang wordt begeleid door [naam] . 3.11 De moeder heeft in een op 6 november 2025 door de rechtbank ontvangen verzoek gevraagd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij haar te bepalen. Bij beschikking van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek, wegens het ontbreken van een relevante wijziging van omstandigheden. 3.12 De GI heeft de moeder bij brief van 19 februari 2026 laten weten dat de omgang met ingang van 5 maart 2026 met een half uur wordt verlengd en welke voorwaarden daarbij gelden. 4 De omvang van het geschil 4.1 De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder haar verzoek verduidelijkt: zij verzoekt het hof (ambtshalve) een regeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen juist acht, waarbij zij een substantiële uitbreiding wil. 4.2 De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. 5.2 Het is niet in geschil dat er nog geen zorgregeling tussen de moeder en de kinderen was vastgelegd, nadat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader was bepaald. Daarmee was er voor de GI een noodzaak om de rechter te verzoeken een regeling vast te stellen. 5.3 De moeder heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd en ook geen zelfstandig verzoek ingediend voor een (andere) zorgregeling. Omdat zij in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek kan doen, heeft zij het hof verzocht ambtshalve een regeling vast te stellen die het hof (het meest) in het belang van de kinderen acht. De vraag die in hoger beroep aan het hof voorligt is of de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en de kinderen in stand moet blijven of dat een andere regeling in het belang van de kinderen is. 5.4 De moeder vindt de omgang met de kinderen te summier in tijd en in frequentie. Zij wil graag activiteiten met de kinderen ondernemen, de onderlinge band versterken en herinneringen creëren, maar dat lukt niet omdat de tijd te kort is en omdat de omgang op het kantoor van de GI plaatsvindt. Ook heeft zij het gevoel dat zij zich continu moet bewijzen en verantwoorden, omdat de omgang begeleid plaatsvindt en omdat de GI in haar ogen telkens nieuwe, onredelijke voorwaarden stelt. De moeder vindt de huidige regeling, ook met de uitbreiding van een half uur, niet in het belang van de kinderen en hun ontwikkeling. Zij wijst op de verslagen van de omgang, waaruit blijkt dat de omgangsmomenten goed verlopen.