Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-30
ECLI:NL:GHARL:2026:1901
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
24,135 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1901 text/xml public 2026-04-07T12:00:27 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 200.358.364 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1901 text/html public 2026-04-01T12:20:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 200.358.364 Arbeidsrecht, Wwz. Na opzegging met toestemming UWV wegens langdurige ziekte verzoekt werknemer billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door werkgever, aanvulling van loon en WIA-uitkering wegens beroepsziekte op grond van cao Rijk. Kantonrechter en hof wijzen de verzoeken af. Uitleg beroepsziekte aan de hand van eerdere uitspraken CRvB. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.364 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11570513 beschikking van 30 maart 2026 in de zaak van [werknemer] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen en de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder de Belastingdienst (Belastingdienst) die mede kantoor houdt in Groningen advocaat: mr. G.B. Honders 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep [werknemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 14 mei 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking ). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift de op 19 februari 2026 ontvangen producties 44 tot en met 69 van [werknemer] het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 februari 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1. De Belastingdienst heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 januari 2025 wegens duurzame en langdurige arbeidsongeschiktheid. Hierna maakte [werknemer] aanspraak op onder meer een billijke vergoeding van € 100.000,- omdat de opzeggingsgrond volgens hem het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de Belastingdienst. Ook verzocht [werknemer] op basis van de toepasselijke cao Rijk om een aanvulling tot 100% van zijn loon of latere WIA-uitkering tot maximaal zijn AOW-leeftijd, omdat hij lijdt aan een beroepsziekte. 2.2. De kantonrechter heeft alle verzoeken van [werknemer] afgewezen, met uitzondering van de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. De proceskosten zijn gecompenseerd. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep van [werknemer] is dat de afgewezen verzoeken alsnog worden toegewezen, met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van de kantonprocedure en de procedure in hoger beroep. Daarbij heeft hij de grondslag voor de verzochte cao-aanvulling uitgebreid. 2.4. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld en licht die beslissing hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld. 3 De toelichting op de beslissing van het hof de feiten 3.1. [werknemer] , geboren in 1960, is van 1 september 1980 tot en met 31 december 2024 in dienst geweest bij de Belastingdienst, laatstelijk als heffingsambtenaar bij de afdeling Midden- en Kleinbedrijf. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Rijk van toepassing. 3.2. In maart 2017 is [werknemer] bij het doen van aangifte inkomstenbelasting 2016 voor zijn partner mevrouw [naam1] (hierna: [partner van werknemer] ) op een fout gestuit in het aangifte-programma. [partner van werknemer] had in 2016 een bedrag ontvangen voor een afgekocht Brits pensioen waarover zij in Nederland geen inkomstenbelasting zou hoeven te betalen, maar bij vermelding daarvan werd dat bedrag wel meegenomen in de berekening van de aanslag. [werknemer] heeft in de digitale aangifte de afkoopsom weggelaten en in een gelijk met de digitale aangifte verstuurde brief aan de Inspecteur uitleg gegeven over het ontvangen bedrag en de reden waarom hij dat niet heeft vermeld in de digitale aangifte. Daarna heeft de Inspecteur hem voorgesteld opnieuw aangifte te doen met een work around. Daarvan heeft [werknemer] geen gebruik gemaakt. Tegen de vervolgens aan [partner van werknemer] opgelegde aanslag heeft [werknemer] namens haar bezwaar en beroep ingesteld. [werknemer] heeft zijn toenmalig leidinggevende mondeling over dit privéconflict met de fiscus geïnformeerd. 3.3. De Inspecteur heeft zich in het verweerschrift in de beroepsprocedure over de aanslag inkomstenbelasting 2016 van [partner van werknemer] op het standpunt gesteld dat zij “willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte zou worden gecorrigeerd en daarmee ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij belastingrente in rekening zou worden gebracht.” [werknemer] heeft per e-mail van 14 juli 2020 zijn toenmalig leidinggevende hiervan in kennis gesteld en meegedeeld dit nogal een zware beschuldiging te vinden, waarover [partner van werknemer] een klacht zou gaan indienen bij de Belastingdienst tegen de bewuste Inspecteur. 3.4. In een op 8 december 2020 gehouden personeelsgesprek met [werknemer] is het geschil met de fiscus aan de orde geweest. In het verslag heeft de leidinggevende opgenomen dat [werknemer] de privékwestie goed weet te onderscheiden van zijn werk, maar dat het wel voor frustratie en onmacht bij hem zorgt. ‘ Toch complimenten hoe hij het volhoudt’ , aldus de leidinggevende in het verslag. 3.5. Op 29 november 2021 heeft [werknemer] zich ziekgemeld. Eerder dat jaar had hij de bedrijfsarts bezocht die (in mei 2021) op medische gronden een voorgenomen functiewijziging afraadde en op 8 november 2021 rapporteerde dat de belastbaarheid van [werknemer] behoorlijk onder druk staat; het werk is nog vol te houden maar het betreft een wankel evenwicht. In de probleemanalyse van 13 januari 2022 schrijft de verpleegkundige van de arbodienst dat er fysieke/mentale en wel en niet werkgerelateerde oorzaken zijn voor het verzuim. Er zijn op dat moment geen benutbare mogelijkheden, maar in de toekomst wel. 3.6. Op 20 januari 2022 hebben [werknemer] en [partner van werknemer] een reactie gekregen van de Nationale ombudsman bij wie zij een klacht hadden ingediend omdat de Belastingdienst niet op een passende manier heeft gereageerd op hun klachten over de fout in de aangiftesoftware voor de inkomstenbelasting. De ombudsman oordeelde de klacht over de bejegening en de klachtenbehandeling van de Belastingdienst gegrond en schreef dat het de verantwoordelijkheid is van de Belastingdienst om de verstoorde relatie met [werknemer] te herstellen. De Belastingdienst heeft wijziging van de software op het bewuste punt ‘opgenomen in de portfolio van de keten inkomensheffing’ en zal onderzoeken of andere belastingplichtigen die te hoge aanslagen hebben gekregen, kunnen worden achterhaald en gecompenseerd, aldus de ombudsman. 3.7. De bedrijfsarts rapporteert op 22 februari 2022 na een telefonisch spreekuur dat een medische interventie heeft plaatsgevonden waarvan het resultaat nog onzeker is en dat er ook een arbeidsgerelateerd probleem speelt. Onder het re-integratie-advies staat dat [werknemer] verzuimt vanwege een medische en een werkgerelateerde oorzaak, dat sprake is van fysieke en mentale beperkingen en nog niet bekend is wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten. Op 19 april 2022 schrijft de bedrijfsarts dat [werknemer] geen start kan maken met re-integratie. Er is sprake van een langslepend arbeidsconflict. Volgens [werknemer] is niets ondernomen, ondanks uitspraken van een betrokken instantie over te ondernemen acties vanuit de Belastingdienst. Volgens de bedrijfsarts zijn er geen belastbare mogelijkheden. Zij adviseert te trachten de impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. In een telefonisch consult op 14 juli 2022 deelt [werknemer] mee dat de Belastingdienst tot zijn frustratie nog geen actie heeft ondernomen. In het rapport staat dat er arbeidsmogelijkheden zijn maar ‘vanwege de situatie ligt de bal bij de Belastingdienst’ .
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1901 text/xml public 2026-04-07T12:00:27 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 200.358.364 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1901 text/html public 2026-04-01T12:20:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 200.358.364 Arbeidsrecht, Wwz. Na opzegging met toestemming UWV wegens langdurige ziekte verzoekt werknemer billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door werkgever, aanvulling van loon en WIA-uitkering wegens beroepsziekte op grond van cao Rijk. Kantonrechter en hof wijzen de verzoeken af. Uitleg beroepsziekte aan de hand van eerdere uitspraken CRvB. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.358.364 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11570513 beschikking van 30 maart 2026 in de zaak van [werknemer] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen en de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder de Belastingdienst (Belastingdienst) die mede kantoor houdt in Groningen advocaat: mr. G.B. Honders 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep [werknemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 14 mei 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking ). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift de op 19 februari 2026 ontvangen producties 44 tot en met 69 van [werknemer] het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 februari 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1. De Belastingdienst heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 januari 2025 wegens duurzame en langdurige arbeidsongeschiktheid. Hierna maakte [werknemer] aanspraak op onder meer een billijke vergoeding van € 100.000,- omdat de opzeggingsgrond volgens hem het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de Belastingdienst. Ook verzocht [werknemer] op basis van de toepasselijke cao Rijk om een aanvulling tot 100% van zijn loon of latere WIA-uitkering tot maximaal zijn AOW-leeftijd, omdat hij lijdt aan een beroepsziekte. 2.2. De kantonrechter heeft alle verzoeken van [werknemer] afgewezen, met uitzondering van de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. De proceskosten zijn gecompenseerd. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep van [werknemer] is dat de afgewezen verzoeken alsnog worden toegewezen, met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van de kantonprocedure en de procedure in hoger beroep. Daarbij heeft hij de grondslag voor de verzochte cao-aanvulling uitgebreid. 2.4. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld en licht die beslissing hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld. 3 De toelichting op de beslissing van het hof de feiten 3.1. [werknemer] , geboren in 1960, is van 1 september 1980 tot en met 31 december 2024 in dienst geweest bij de Belastingdienst, laatstelijk als heffingsambtenaar bij de afdeling Midden- en Kleinbedrijf. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Rijk van toepassing. 3.2. In maart 2017 is [werknemer] bij het doen van aangifte inkomstenbelasting 2016 voor zijn partner mevrouw [naam1] (hierna: [partner van werknemer] ) op een fout gestuit in het aangifte-programma. [partner van werknemer] had in 2016 een bedrag ontvangen voor een afgekocht Brits pensioen waarover zij in Nederland geen inkomstenbelasting zou hoeven te betalen, maar bij vermelding daarvan werd dat bedrag wel meegenomen in de berekening van de aanslag. [werknemer] heeft in de digitale aangifte de afkoopsom weggelaten en in een gelijk met de digitale aangifte verstuurde brief aan de Inspecteur uitleg gegeven over het ontvangen bedrag en de reden waarom hij dat niet heeft vermeld in de digitale aangifte. Daarna heeft de Inspecteur hem voorgesteld opnieuw aangifte te doen met een work around. Daarvan heeft [werknemer] geen gebruik gemaakt. Tegen de vervolgens aan [partner van werknemer] opgelegde aanslag heeft [werknemer] namens haar bezwaar en beroep ingesteld. [werknemer] heeft zijn toenmalig leidinggevende mondeling over dit privéconflict met de fiscus geïnformeerd. 3.3. De Inspecteur heeft zich in het verweerschrift in de beroepsprocedure over de aanslag inkomstenbelasting 2016 van [partner van werknemer] op het standpunt gesteld dat zij “willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte zou worden gecorrigeerd en daarmee ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij belastingrente in rekening zou worden gebracht.” [werknemer] heeft per e-mail van 14 juli 2020 zijn toenmalig leidinggevende hiervan in kennis gesteld en meegedeeld dit nogal een zware beschuldiging te vinden, waarover [partner van werknemer] een klacht zou gaan indienen bij de Belastingdienst tegen de bewuste Inspecteur. 3.4. In een op 8 december 2020 gehouden personeelsgesprek met [werknemer] is het geschil met de fiscus aan de orde geweest. In het verslag heeft de leidinggevende opgenomen dat [werknemer] de privékwestie goed weet te onderscheiden van zijn werk, maar dat het wel voor frustratie en onmacht bij hem zorgt. ‘ Toch complimenten hoe hij het volhoudt’ , aldus de leidinggevende in het verslag. 3.5. Op 29 november 2021 heeft [werknemer] zich ziekgemeld. Eerder dat jaar had hij de bedrijfsarts bezocht die (in mei 2021) op medische gronden een voorgenomen functiewijziging afraadde en op 8 november 2021 rapporteerde dat de belastbaarheid van [werknemer] behoorlijk onder druk staat; het werk is nog vol te houden maar het betreft een wankel evenwicht. In de probleemanalyse van 13 januari 2022 schrijft de verpleegkundige van de arbodienst dat er fysieke/mentale en wel en niet werkgerelateerde oorzaken zijn voor het verzuim. Er zijn op dat moment geen benutbare mogelijkheden, maar in de toekomst wel. 3.6. Op 20 januari 2022 hebben [werknemer] en [partner van werknemer] een reactie gekregen van de Nationale ombudsman bij wie zij een klacht hadden ingediend omdat de Belastingdienst niet op een passende manier heeft gereageerd op hun klachten over de fout in de aangiftesoftware voor de inkomstenbelasting. De ombudsman oordeelde de klacht over de bejegening en de klachtenbehandeling van de Belastingdienst gegrond en schreef dat het de verantwoordelijkheid is van de Belastingdienst om de verstoorde relatie met [werknemer] te herstellen. De Belastingdienst heeft wijziging van de software op het bewuste punt ‘opgenomen in de portfolio van de keten inkomensheffing’ en zal onderzoeken of andere belastingplichtigen die te hoge aanslagen hebben gekregen, kunnen worden achterhaald en gecompenseerd, aldus de ombudsman. 3.7. De bedrijfsarts rapporteert op 22 februari 2022 na een telefonisch spreekuur dat een medische interventie heeft plaatsgevonden waarvan het resultaat nog onzeker is en dat er ook een arbeidsgerelateerd probleem speelt. Onder het re-integratie-advies staat dat [werknemer] verzuimt vanwege een medische en een werkgerelateerde oorzaak, dat sprake is van fysieke en mentale beperkingen en nog niet bekend is wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten. Op 19 april 2022 schrijft de bedrijfsarts dat [werknemer] geen start kan maken met re-integratie. Er is sprake van een langslepend arbeidsconflict. Volgens [werknemer] is niets ondernomen, ondanks uitspraken van een betrokken instantie over te ondernemen acties vanuit de Belastingdienst. Volgens de bedrijfsarts zijn er geen belastbare mogelijkheden. Zij adviseert te trachten de impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. In een telefonisch consult op 14 juli 2022 deelt [werknemer] mee dat de Belastingdienst tot zijn frustratie nog geen actie heeft ondernomen. In het rapport staat dat er arbeidsmogelijkheden zijn maar ‘vanwege de situatie ligt de bal bij de Belastingdienst’ .
Volledig
Het advies is te proberen de impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. 3.8. Op 3 oktober 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] , vergezeld door zijn partner, hun gemachtigde en een collega (de heer [naam2] ), en van de kant van de Belastingdienst regiodirecteur MKB mevrouw [regiodirecteur] en de nieuwe teamleider mevrouw [teamleider] . Het onderwerp van gesprek was het privégeschil dat [werknemer] de voorgaande jaren heeft ervaren met de fiscus. Het steekt [werknemer] dat hij ervan wordt beschuldigd opzettelijk onjuist aangifte te hebben gedaan, want dit kan zijn integriteit raken. In het gespreksverslag staat dat [werknemer] heeft aangegeven dat hij bewust geen klokkenluidersmelding heeft gedaan, omdat hij de wetenschap met betrekking tot de fout in de software niet vanuit zijn werk heeft geconstateerd. Daarnaast heeft [werknemer] gevraagd om de loonkorting van 30% na één jaar ziekte niet toe te passen omdat naar zijn mening sprake is van een arbeidsgerelateerd probleem. Hij wil eerst een oplossing van alle zaken voordat hij de stap naar het werk kan maken en wil meewerken aan herstel van de relatie. 3.9. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Belastingdienst, onder bijvoeging van de onder 3.6 vermelde brief van de Nationale ombudsman, op 6 oktober 2022 contact opgenomen met de afdeling Fiscaal Juridische Zaken met het verzoek initiatief te nemen voor een gesprek met hun medewerker [werknemer] , die als particulier een zaak heeft bij de Belastingdienst. 3.10. De bedrijfsarts rapporteert op 26 oktober 2022 dat de belastbaarheid van [werknemer] onveranderd is. De verschillende juridische processen waarin [werknemer] is verwikkeld hebben naar zijn eigen zeggen zodanige impact op zijn persoonlijk en sociaal functioneren, dat enige vorm van structurele arbeid niet is op te brengen en bovendien zou terugkeer naar eigen werk volgens hem op gewetensbezwaren stuiten. Geadviseerd wordt een belastbaarheidsonderzoek in te zetten aan de hand waarvan verder re-integratiebeleid kan worden opgesteld. 3.11. In een brief van 2 december 2022 maakt [werknemer] aanspraak op 100% loondoorbetaling in het tweede ziektejaar op basis van artikel 8.2 van de cao Rijk omdat hij een beroepsziekte heeft. Dat begrip is in de cao gedefinieerd als: ‘Een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.’ 3.12. De Belastingdienst heeft de bedrijfsarts gevraagd of van een beroepsziekte sprake is en verzocht die vraag ook mee te nemen in het belastbaarheidsonderzoek door het ingeschakelde externe bureau WPEX. WPEX heeft op 31 januari 2023 het onderzoeksrapport opgemaakt. De bedrijfsarts heeft dit rapport besproken met [werknemer] en rapporteert op 27 maart 2023 dat [werknemer] zich daar grotendeels in kan vinden, maar van mening blijft dat hij een beroepsziekte heeft, wat niet eenduidig uit dat rapport blijkt. In overleg met [werknemer] legt de bedrijfsarts die vraag voor aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). 3.13. Op 23 februari 2023 heeft het hof uitspraak gedaan in het fiscale geschil tussen de Belastingdienst en de partner van [werknemer] . De partner heeft vervolgens cassatie ingesteld. 3.14. De bedrijfsarts rapporteerde op 10 mei 2023 dat met instemming van [werknemer] enkele conclusies uit het WPEX-rapport vrijgegeven mochten worden. Daaruit blijkt dat [werknemer] zich niet in staat acht om te werken. Hij wil alle energie gebruiken om zijn gelijk als belastingplichtige te halen. Afgezien van de ervaren vermoeidheid zijn er geen objectiveerbare beperkingen die in de weg staan aan werken in zijn algemeenheid. Werk binnen de Belastingdienst zal waarschijnlijk te veel weerstand en stress oproepen. De prognose is dat [werknemer] voldoende inzetbaar is voor werk wanneer de gehele situatie rondom de afhandeling van de klachten tot een einde is gekomen, mits rekening wordt gehouden met al bestaande verminderde belastbaarheid door fysieke klachten. Of dat bij de Belastingdienst kan, is niet te voorspellen; daarvoor lijkt het wantrouwen nu te groot. Geconcludeerd wordt dat van een beroepsziekte geen sprake is, er is geen sprake van ziekte in psychiatrische zin. Wel van psychische overbelasting maar die is niet het gevolg van een belasting die in hoofdzaak het gevolg is van het werk of de werkomstandigheden. Met die conclusie is [werknemer] het niet eens; hij vindt het werk ziekmakend vanuit de Belastingdienst als werkgever en als uitvoerende instantie en kan dit gevoelsmatig niet scheiden. Op 17 mei 2023 rapporteert de bedrijfsarts dat zij in overleg met de Medical Board van de arbodienst en met inachtneming van het stappenplan van het NCvB tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een beroepsziekte. 3.15. Op 22 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de regiodirecteur en [werknemer] waarbij tevens de directeur belastingdienst Particulieren, mevrouw [directeur Particulieren] , aanwezig was. Het gesprek was bedoeld om afspraken te maken in het kader van het oplossen van de fiscale privézaken en ook in te gaan op de rol van de werkgever. Besproken is dat er zo snel mogelijk mediation met de fiscus zal worden ingezet. De mediation met de fiscus is in juli 2023 opgestart en uiteindelijk zonder resultaat afgebroken. Hiernaast heeft de waarnemend plaatsvervangend directeur generaal van het ministerie van Financiën, mevrouw [plvv DG] , besloten dat uit coulance en onder voorwaarden 100% wordt doorbetaald in het tweede ziektejaar, gezien de uitzonderlijke situatie. 3.16. In de rapportage van 9 augustus 2023 komt de bedrijfsarts alsnog tot het oordeel dat sprake is van een beroepsziekte en dat de eerdere conclusies van 10 en 17 mei 2023 worden ingetrokken. Aanleiding daarvoor is een gesprek dat op 17 juli 2023 plaatsvond met [werknemer] en zijn juridische adviseurs en de Medical Board van de arbodienst, waarna opnieuw het stappenplan van het NCvB is doorlopen. In het rapport staat: ‘Mede bepalend hierin is dat medewerker aangeeft dat hij zijn werk (controleren van aangiften op juistheid) en de werkomstandigheden waaronder dit moest gebeuren, doelend op alle beschuldigingen welke alle zijn benoemd, niet meer geloofwaardig kon uitvoeren en dal hij psychisch overbelast is van 6 jaren lang martelgang en dientengevolge momenteel niet kan re-integreren. Bovendien heeft betrokkene aandacht gevraagd voor het feit dat de onderzoeker over onvoldoende informatie beschikt om het antwoord op de vraag of sprake is van een beroepsziekte te beantwoorden. Zo is bijvoorbeeld de vip behandeling in het onderzoek met ter sprake gekomen Daarbij wil ik u volgende conclusie van de onderzoeker van Wpex rapport niet onthouden: ‘Alles overziend blijkt sprake van een 62 jarige man, die overbelast is geraakt door een combinatie van factoren, waarbij een jarenlang voortslepende zaak tegen de eigen werkgever de belangrijkste is. Onderzochte is verwikkeld geraakt in een proces waarin verschillende klachten aan het adres van de Belastingdienst en de wijze hoe deze afgehandeld en hoe hij zelf bejegend werd gevoelens van wanhoop en onmacht hebben aangewakkerd’.’ 3.17. De regiodirecteur heeft de arbodienst om uitleg gevraagd over deze wending. In het door de juridisch adviseur van de Belastingdienst opgemaakte gespreksverslag staat dat de arbodienst verklaart uit te gaan van de definitie van beroepsziekte in de Arbowet en geen rekening houdt met de cao. In een brief van 2 november 2023 heeft mevrouw [plvv DG] aan de gemachtigde van [werknemer] geschreven dat de cao een toelichting bevat op het begrip ‘beroepsziekte’: “Een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Een beroepsziekte kan zowel lichamelijk als psychisch zijn.
Volledig
Het advies is te proberen de impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. 3.8. Op 3 oktober 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] , vergezeld door zijn partner, hun gemachtigde en een collega (de heer [naam2] ), en van de kant van de Belastingdienst regiodirecteur MKB mevrouw [regiodirecteur] en de nieuwe teamleider mevrouw [teamleider] . Het onderwerp van gesprek was het privégeschil dat [werknemer] de voorgaande jaren heeft ervaren met de fiscus. Het steekt [werknemer] dat hij ervan wordt beschuldigd opzettelijk onjuist aangifte te hebben gedaan, want dit kan zijn integriteit raken. In het gespreksverslag staat dat [werknemer] heeft aangegeven dat hij bewust geen klokkenluidersmelding heeft gedaan, omdat hij de wetenschap met betrekking tot de fout in de software niet vanuit zijn werk heeft geconstateerd. Daarnaast heeft [werknemer] gevraagd om de loonkorting van 30% na één jaar ziekte niet toe te passen omdat naar zijn mening sprake is van een arbeidsgerelateerd probleem. Hij wil eerst een oplossing van alle zaken voordat hij de stap naar het werk kan maken en wil meewerken aan herstel van de relatie. 3.9. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Belastingdienst, onder bijvoeging van de onder 3.6 vermelde brief van de Nationale ombudsman, op 6 oktober 2022 contact opgenomen met de afdeling Fiscaal Juridische Zaken met het verzoek initiatief te nemen voor een gesprek met hun medewerker [werknemer] , die als particulier een zaak heeft bij de Belastingdienst. 3.10. De bedrijfsarts rapporteert op 26 oktober 2022 dat de belastbaarheid van [werknemer] onveranderd is. De verschillende juridische processen waarin [werknemer] is verwikkeld hebben naar zijn eigen zeggen zodanige impact op zijn persoonlijk en sociaal functioneren, dat enige vorm van structurele arbeid niet is op te brengen en bovendien zou terugkeer naar eigen werk volgens hem op gewetensbezwaren stuiten. Geadviseerd wordt een belastbaarheidsonderzoek in te zetten aan de hand waarvan verder re-integratiebeleid kan worden opgesteld. 3.11. In een brief van 2 december 2022 maakt [werknemer] aanspraak op 100% loondoorbetaling in het tweede ziektejaar op basis van artikel 8.2 van de cao Rijk omdat hij een beroepsziekte heeft. Dat begrip is in de cao gedefinieerd als: ‘Een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.’ 3.12. De Belastingdienst heeft de bedrijfsarts gevraagd of van een beroepsziekte sprake is en verzocht die vraag ook mee te nemen in het belastbaarheidsonderzoek door het ingeschakelde externe bureau WPEX. WPEX heeft op 31 januari 2023 het onderzoeksrapport opgemaakt. De bedrijfsarts heeft dit rapport besproken met [werknemer] en rapporteert op 27 maart 2023 dat [werknemer] zich daar grotendeels in kan vinden, maar van mening blijft dat hij een beroepsziekte heeft, wat niet eenduidig uit dat rapport blijkt. In overleg met [werknemer] legt de bedrijfsarts die vraag voor aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). 3.13. Op 23 februari 2023 heeft het hof uitspraak gedaan in het fiscale geschil tussen de Belastingdienst en de partner van [werknemer] . De partner heeft vervolgens cassatie ingesteld. 3.14. De bedrijfsarts rapporteerde op 10 mei 2023 dat met instemming van [werknemer] enkele conclusies uit het WPEX-rapport vrijgegeven mochten worden. Daaruit blijkt dat [werknemer] zich niet in staat acht om te werken. Hij wil alle energie gebruiken om zijn gelijk als belastingplichtige te halen. Afgezien van de ervaren vermoeidheid zijn er geen objectiveerbare beperkingen die in de weg staan aan werken in zijn algemeenheid. Werk binnen de Belastingdienst zal waarschijnlijk te veel weerstand en stress oproepen. De prognose is dat [werknemer] voldoende inzetbaar is voor werk wanneer de gehele situatie rondom de afhandeling van de klachten tot een einde is gekomen, mits rekening wordt gehouden met al bestaande verminderde belastbaarheid door fysieke klachten. Of dat bij de Belastingdienst kan, is niet te voorspellen; daarvoor lijkt het wantrouwen nu te groot. Geconcludeerd wordt dat van een beroepsziekte geen sprake is, er is geen sprake van ziekte in psychiatrische zin. Wel van psychische overbelasting maar die is niet het gevolg van een belasting die in hoofdzaak het gevolg is van het werk of de werkomstandigheden. Met die conclusie is [werknemer] het niet eens; hij vindt het werk ziekmakend vanuit de Belastingdienst als werkgever en als uitvoerende instantie en kan dit gevoelsmatig niet scheiden. Op 17 mei 2023 rapporteert de bedrijfsarts dat zij in overleg met de Medical Board van de arbodienst en met inachtneming van het stappenplan van het NCvB tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een beroepsziekte. 3.15. Op 22 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de regiodirecteur en [werknemer] waarbij tevens de directeur belastingdienst Particulieren, mevrouw [directeur Particulieren] , aanwezig was. Het gesprek was bedoeld om afspraken te maken in het kader van het oplossen van de fiscale privézaken en ook in te gaan op de rol van de werkgever. Besproken is dat er zo snel mogelijk mediation met de fiscus zal worden ingezet. De mediation met de fiscus is in juli 2023 opgestart en uiteindelijk zonder resultaat afgebroken. Hiernaast heeft de waarnemend plaatsvervangend directeur generaal van het ministerie van Financiën, mevrouw [plvv DG] , besloten dat uit coulance en onder voorwaarden 100% wordt doorbetaald in het tweede ziektejaar, gezien de uitzonderlijke situatie. 3.16. In de rapportage van 9 augustus 2023 komt de bedrijfsarts alsnog tot het oordeel dat sprake is van een beroepsziekte en dat de eerdere conclusies van 10 en 17 mei 2023 worden ingetrokken. Aanleiding daarvoor is een gesprek dat op 17 juli 2023 plaatsvond met [werknemer] en zijn juridische adviseurs en de Medical Board van de arbodienst, waarna opnieuw het stappenplan van het NCvB is doorlopen. In het rapport staat: ‘Mede bepalend hierin is dat medewerker aangeeft dat hij zijn werk (controleren van aangiften op juistheid) en de werkomstandigheden waaronder dit moest gebeuren, doelend op alle beschuldigingen welke alle zijn benoemd, niet meer geloofwaardig kon uitvoeren en dal hij psychisch overbelast is van 6 jaren lang martelgang en dientengevolge momenteel niet kan re-integreren. Bovendien heeft betrokkene aandacht gevraagd voor het feit dat de onderzoeker over onvoldoende informatie beschikt om het antwoord op de vraag of sprake is van een beroepsziekte te beantwoorden. Zo is bijvoorbeeld de vip behandeling in het onderzoek met ter sprake gekomen Daarbij wil ik u volgende conclusie van de onderzoeker van Wpex rapport niet onthouden: ‘Alles overziend blijkt sprake van een 62 jarige man, die overbelast is geraakt door een combinatie van factoren, waarbij een jarenlang voortslepende zaak tegen de eigen werkgever de belangrijkste is. Onderzochte is verwikkeld geraakt in een proces waarin verschillende klachten aan het adres van de Belastingdienst en de wijze hoe deze afgehandeld en hoe hij zelf bejegend werd gevoelens van wanhoop en onmacht hebben aangewakkerd’.’ 3.17. De regiodirecteur heeft de arbodienst om uitleg gevraagd over deze wending. In het door de juridisch adviseur van de Belastingdienst opgemaakte gespreksverslag staat dat de arbodienst verklaart uit te gaan van de definitie van beroepsziekte in de Arbowet en geen rekening houdt met de cao. In een brief van 2 november 2023 heeft mevrouw [plvv DG] aan de gemachtigde van [werknemer] geschreven dat de cao een toelichting bevat op het begrip ‘beroepsziekte’: “Een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Een beroepsziekte kan zowel lichamelijk als psychisch zijn.
Volledig
In geval van een psychische beroepsziekte volgt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat de bijzondere omstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter moeten hebben. Dat betekent dat bij de beoordeling of u een psychische beroepsziekte heeft, uw beroepsziekte overwegend moet zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden die objectief gezien een buitensporig karakter hebben. Dit wordt vastgesteld door een deskundige waarvan u en uw werkgever beiden van mening zijn dat die onafhankelijk is.” Mevrouw [plvv DG] vindt dat de op 9 augustus 2023 verstrekte onderbouwing van de psychische beroepsziekte tekortschiet en verzoekt [werknemer] mee te werken aan aanvullend onderzoek voor een objectieve inhoudelijke onderbouwing. Als [werknemer] weigert, kan niet worden vastgesteld of van een beroepsziekte sprake is en dan zal de uit coulance verleende aanvulling tot 100% vanaf 29 november 2023 worden gestaakt. [werknemer] weigerde medewerking en ontvangt vanaf 29 november 2023 geen aanvulling meer. 3.18. Met ingang van 27 november 2023 ontvangt [werknemer] , na een vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers, een loongerelateerde WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige heeft geen arbeidsongeschiktheids-percentage vastgesteld. [werknemer] heeft bezwaar gemaakt bij het UWV omdat zijn werkgever onvoldoende aan de re-integratieverplichting heeft voldaan. Het UWV was het daarmee eens, maar zag geen reden voor een loonsanctie omdat [werknemer] niet of sterk wisselend belastbaar was en daardoor geen re-integratiekansen zijn gemist. [werknemer] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De bestuursrechter heeft in een tussenuitspraak overwogen dat mogelijk re-integratiekansen zijn gemist en daarom ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd, waardoor het UWV aansprakelijk is voor daardoor ontstane schade. In de einduitspraak van 4 december 2025 is beslist dat [werknemer] geen loonschade lijdt omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om uit te gaan van herstel in de fictieve situatie van een derde ziektejaar. 3.19. Nadat de bedrijfsarts tweemaal, in februari 2024 en in mei 2024, had verklaard geen ‘26-weken prognose’ te kunnen geven (zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder b BW), heeft de Belastingdienst zich tot een andere bedrijfsarts gewend. Die heeft op 24 juli 2024 geschreven niet te verwachten dat binnen 26 weken een zodanige verandering in de gezondheidssituatie zal optreden, dat terugkeer in eigen werk of in aangepast eigen mogelijk wordt geacht. “Deze conclusie berust enerzijds op de beoordeling van de gezondheidssituatie van betrokkene waarbij sprake is van ernstige beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, waarbij de huidige verhouding tussen werkgever en werknemer onderhoudend is aan met name de klachten en beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren; anderzijds is tevens sprake van deels progressieve fysieke beperkingen, met name dynamische handelingen betreffende. Er is sprake van dusdanig diepgewortelde vertrouwensbreuk jegens de werkgever dat een eventuele terugkeer in werkzaamheden voor de eigen werkgever in welke vorm dan ook ziekmakend zal zijn, en zal leiden tot een toename van klachten en beperkingen. Daarnaast maken de beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren in samenhang met de deels progressieve fysieke beperkingen dat de kans op terugkeer in enig ander werk nihil is.” 3.20. De Belastingdienst heeft van het UWV toestemming gevraagd en gekregen voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op 18 september 2024 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2025. Aan [werknemer] is een transitievergoeding betaald van € 94.000,- bruto. de verzoeken aan het hof 3.21. [werknemer] verzoekt, kort weergegeven, de Belastingdienst te veroordelen tot: - betaling van een billijke vergoeding van € 100.000,- - betaling van € 25.000,- netto immateriële schadevergoeding - aanvulling van het loon tot 100% over de periode van 27 november 2023 tot ontslag - aanvulling van de WIA-uitkering tot 100% van 1 januari 2025 tot maximaal de AOW-gerechtigde leeftijd - wettelijke verhoging over de aanvullingen - rehabilitatie - betaling van de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter en het hof. Het hof zal die verzoeken en de daarvoor aangevoerde grondslagen hierna bespreken. opzegging is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten door Belastingdienst 3.22. Voor zijn aanspraak op een billijke vergoeding beroept [werknemer] zich op twee wettelijke bepalingen: artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW en artikel 7:683 lid 3 BW. Laatstgenoemd artikel is niet van toepassing in deze zaak, want de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging met toestemming. [werknemer] heeft de kantonrechter niet gevraagd om herstel van de arbeidsovereenkomst (zie artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder a BW). Artikel 7:683 lid 3 BW ziet op situaties waarin de kantonrechter, volgens de werknemer ten onrechte, een einde heeft gemaakt aan een arbeidsovereenkomst of het eindigen ervan niet heeft voorkomen door afwijzing van een vernietigings- of herstelverzoek. Die situaties zijn hier niet aan de orde. 3.23. Artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW biedt wel een grondslag voor een billijke vergoeding, als de opzegging ‘wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 669, lid 3, onderdeel b, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’. Er moet dus causaal verband zijn tussen de opzegging en het ernstige verwijt. Dat verwijt kan betrekking hebben op het ontstaan van de langdurige ziekte of bestaan uit ernstige veronachtzaming door de werkgever van zijn re-integratieverplichtingen waardoor het na twee jaar tot opzegging op de (kortweg) b-grond kwam. [werknemer] voert aan dat: 1. de Belastingdienst ten onrechte geen integriteitsonderzoek heeft laten uitvoeren en pas in 2023 heeft uitgesproken niet aan [werknemer] integriteit te twijfelen, en 2. de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft geschonden. nalaten integriteitsonderzoek niet ernstig verwijtbaar 3.24. De Belastingdienst heeft erop gewezen dat zij enerzijds uitvoeringsinstantie is (hierna aangeduid als de fiscus) en anderzijds werkgever is voor de werknemers bij de fiscus, zoals [werknemer] . De Belastingdienst als werkgever heeft geen rol in de fiscale zaken van werknemers. Tussen die twee entiteiten bestaat een strikte scheiding waarvoor de Algemene wet inzake rijksbelastingen de basis vormt. De werkgever heeft geen mogelijkheden om inzage te vragen in fiscale zaken van werknemers. Alleen als de fiscus vermoedt dat een werknemer van de Belastingdienst zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige integriteitsschending en de inspecteur via een speciale en strikte procedure ontheffing van de fiscale geheimhouding krijgt, kan de werkgever een melding krijgen. Die weg heeft de fiscus niet gevolgd. 3.25. Volgens [werknemer] had zijn werkgever onderzoek moeten instellen naar zijn integriteit waardoor, zoals hij in april 2021 aan zijn toenmalige teamleider schreef, de fiscus zijn standpunt bij de belastingrechter wellicht had herzien. Door dat onderzoek na te laten is het conflict met de fiscus in stand gebleven met gevolgen voor zijn belastbaarheid, die overigens ook al los van deze zaak beperkt was, aldus [werknemer] . [werknemer] vindt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zijn werkgever niet twijfelde aan zijn integriteit en hem dat ook eind 2020 in het personeelsgesprek heeft laten weten. Ook heeft de kantonrechter volgens [werknemer] ten onrechte geoordeeld dat de werkgever uit het ontbreken van een melding door de Inspecteur mocht begrijpen dat deze geen vermoeden van een ernstige integriteitsschending had. 3.26. Het hof stelt voorop dat het initiatief tot het opheffen van de fiscale geheimhouding in geval van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending zoals hiervoor toegelicht bij de fiscus ligt, en niet bij de werkgever.
Volledig
In geval van een psychische beroepsziekte volgt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat de bijzondere omstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter moeten hebben. Dat betekent dat bij de beoordeling of u een psychische beroepsziekte heeft, uw beroepsziekte overwegend moet zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden die objectief gezien een buitensporig karakter hebben. Dit wordt vastgesteld door een deskundige waarvan u en uw werkgever beiden van mening zijn dat die onafhankelijk is.” Mevrouw [plvv DG] vindt dat de op 9 augustus 2023 verstrekte onderbouwing van de psychische beroepsziekte tekortschiet en verzoekt [werknemer] mee te werken aan aanvullend onderzoek voor een objectieve inhoudelijke onderbouwing. Als [werknemer] weigert, kan niet worden vastgesteld of van een beroepsziekte sprake is en dan zal de uit coulance verleende aanvulling tot 100% vanaf 29 november 2023 worden gestaakt. [werknemer] weigerde medewerking en ontvangt vanaf 29 november 2023 geen aanvulling meer. 3.18. Met ingang van 27 november 2023 ontvangt [werknemer] , na een vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers, een loongerelateerde WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige heeft geen arbeidsongeschiktheids-percentage vastgesteld. [werknemer] heeft bezwaar gemaakt bij het UWV omdat zijn werkgever onvoldoende aan de re-integratieverplichting heeft voldaan. Het UWV was het daarmee eens, maar zag geen reden voor een loonsanctie omdat [werknemer] niet of sterk wisselend belastbaar was en daardoor geen re-integratiekansen zijn gemist. [werknemer] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De bestuursrechter heeft in een tussenuitspraak overwogen dat mogelijk re-integratiekansen zijn gemist en daarom ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd, waardoor het UWV aansprakelijk is voor daardoor ontstane schade. In de einduitspraak van 4 december 2025 is beslist dat [werknemer] geen loonschade lijdt omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om uit te gaan van herstel in de fictieve situatie van een derde ziektejaar. 3.19. Nadat de bedrijfsarts tweemaal, in februari 2024 en in mei 2024, had verklaard geen ‘26-weken prognose’ te kunnen geven (zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder b BW), heeft de Belastingdienst zich tot een andere bedrijfsarts gewend. Die heeft op 24 juli 2024 geschreven niet te verwachten dat binnen 26 weken een zodanige verandering in de gezondheidssituatie zal optreden, dat terugkeer in eigen werk of in aangepast eigen mogelijk wordt geacht. “Deze conclusie berust enerzijds op de beoordeling van de gezondheidssituatie van betrokkene waarbij sprake is van ernstige beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, waarbij de huidige verhouding tussen werkgever en werknemer onderhoudend is aan met name de klachten en beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren; anderzijds is tevens sprake van deels progressieve fysieke beperkingen, met name dynamische handelingen betreffende. Er is sprake van dusdanig diepgewortelde vertrouwensbreuk jegens de werkgever dat een eventuele terugkeer in werkzaamheden voor de eigen werkgever in welke vorm dan ook ziekmakend zal zijn, en zal leiden tot een toename van klachten en beperkingen. Daarnaast maken de beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren in samenhang met de deels progressieve fysieke beperkingen dat de kans op terugkeer in enig ander werk nihil is.” 3.20. De Belastingdienst heeft van het UWV toestemming gevraagd en gekregen voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op 18 september 2024 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2025. Aan [werknemer] is een transitievergoeding betaald van € 94.000,- bruto. de verzoeken aan het hof 3.21. [werknemer] verzoekt, kort weergegeven, de Belastingdienst te veroordelen tot: - betaling van een billijke vergoeding van € 100.000,- - betaling van € 25.000,- netto immateriële schadevergoeding - aanvulling van het loon tot 100% over de periode van 27 november 2023 tot ontslag - aanvulling van de WIA-uitkering tot 100% van 1 januari 2025 tot maximaal de AOW-gerechtigde leeftijd - wettelijke verhoging over de aanvullingen - rehabilitatie - betaling van de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter en het hof. Het hof zal die verzoeken en de daarvoor aangevoerde grondslagen hierna bespreken. opzegging is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten door Belastingdienst 3.22. Voor zijn aanspraak op een billijke vergoeding beroept [werknemer] zich op twee wettelijke bepalingen: artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW en artikel 7:683 lid 3 BW. Laatstgenoemd artikel is niet van toepassing in deze zaak, want de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging met toestemming. [werknemer] heeft de kantonrechter niet gevraagd om herstel van de arbeidsovereenkomst (zie artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder a BW). Artikel 7:683 lid 3 BW ziet op situaties waarin de kantonrechter, volgens de werknemer ten onrechte, een einde heeft gemaakt aan een arbeidsovereenkomst of het eindigen ervan niet heeft voorkomen door afwijzing van een vernietigings- of herstelverzoek. Die situaties zijn hier niet aan de orde. 3.23. Artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW biedt wel een grondslag voor een billijke vergoeding, als de opzegging ‘wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 669, lid 3, onderdeel b, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’. Er moet dus causaal verband zijn tussen de opzegging en het ernstige verwijt. Dat verwijt kan betrekking hebben op het ontstaan van de langdurige ziekte of bestaan uit ernstige veronachtzaming door de werkgever van zijn re-integratieverplichtingen waardoor het na twee jaar tot opzegging op de (kortweg) b-grond kwam. [werknemer] voert aan dat: 1. de Belastingdienst ten onrechte geen integriteitsonderzoek heeft laten uitvoeren en pas in 2023 heeft uitgesproken niet aan [werknemer] integriteit te twijfelen, en 2. de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft geschonden. nalaten integriteitsonderzoek niet ernstig verwijtbaar 3.24. De Belastingdienst heeft erop gewezen dat zij enerzijds uitvoeringsinstantie is (hierna aangeduid als de fiscus) en anderzijds werkgever is voor de werknemers bij de fiscus, zoals [werknemer] . De Belastingdienst als werkgever heeft geen rol in de fiscale zaken van werknemers. Tussen die twee entiteiten bestaat een strikte scheiding waarvoor de Algemene wet inzake rijksbelastingen de basis vormt. De werkgever heeft geen mogelijkheden om inzage te vragen in fiscale zaken van werknemers. Alleen als de fiscus vermoedt dat een werknemer van de Belastingdienst zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige integriteitsschending en de inspecteur via een speciale en strikte procedure ontheffing van de fiscale geheimhouding krijgt, kan de werkgever een melding krijgen. Die weg heeft de fiscus niet gevolgd. 3.25. Volgens [werknemer] had zijn werkgever onderzoek moeten instellen naar zijn integriteit waardoor, zoals hij in april 2021 aan zijn toenmalige teamleider schreef, de fiscus zijn standpunt bij de belastingrechter wellicht had herzien. Door dat onderzoek na te laten is het conflict met de fiscus in stand gebleven met gevolgen voor zijn belastbaarheid, die overigens ook al los van deze zaak beperkt was, aldus [werknemer] . [werknemer] vindt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zijn werkgever niet twijfelde aan zijn integriteit en hem dat ook eind 2020 in het personeelsgesprek heeft laten weten. Ook heeft de kantonrechter volgens [werknemer] ten onrechte geoordeeld dat de werkgever uit het ontbreken van een melding door de Inspecteur mocht begrijpen dat deze geen vermoeden van een ernstige integriteitsschending had. 3.26. Het hof stelt voorop dat het initiatief tot het opheffen van de fiscale geheimhouding in geval van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending zoals hiervoor toegelicht bij de fiscus ligt, en niet bij de werkgever.
Volledig
Het betoog van [werknemer] dat er, in geval van een beschuldiging tot het doen van onjuiste aangifte, altijd een melding gemaakt moet worden, gaat niet op. Zoals ook in het Personeelsreglement van het ministerie van Financiën is opgenomen, vereist de vraag of iets kan worden aangemerkt als een ‘ernstige integriteitsschending’ steeds een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. In dit geval heeft de betrokken inspecteur kennelijk geoordeeld dat er geen sprake is van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending, gelet op het uitblijven van een melding aan de Belastingdienst als werkgever. Niet valt dan ook in te zien op welke grond de Belastingdienst als werkgever van [werknemer] desalniettemin zelfstandig een integriteitsonderzoek op had moeten starten. Zeker niet nu [werknemer] aan zijn werkgever maar zeer beperkte informatie over de kwestie gaf. Pas nadat de werkgever het verweerschrift in hoger beroep had ingediend, heeft [werknemer] in de nagekomen producties immers enkele pagina’s overgelegd van het verweer van de Inspecteur in de fiscale beroepszaak bij de rechtbank en twee bladzijden van de uitspraak van de belastingkamer van het hof. Die informatie is dus niet alleen bijzonder laat beschikbaar gesteld, maar ook nog eens onvolledig. [werknemer] heeft aangevoerd dat hij zijn werkgever inzage in zijn fiscale dossier heeft aangeboden, maar de Belastingdienst heeft dat betwist. Uit de door [werknemer] overgelegde processtukken kan alleen worden opgemaakt dat hij een dergelijk aanbod aan mevrouw [directeur Particulieren] heeft gedaan, maar zij werkte nu juist bij de fiscus. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij. Het hof constateert dat [werknemer] en zijn werkgever een verschillende perceptie hadden van de ernst van het meningsverschil tussen de Inspecteur en [werknemer] met betrekking tot de privé-aangifte van [partner van werknemer] . De werkgever heeft het meningsverschil in de gegeven omstandigheden echter als een privékwestie van [werknemer] kunnen en moeten beschouwen. Tijdens het personeelsgesprek eind 2020 was duidelijk dat [werknemer] moeilijk met de kwestie kon omgaan. De leidinggevende heeft dit benoemd en hem gecomplimenteerd zoals opgenomen in de laatste zin van overweging 3.4. Uit niets blijkt dat [werknemer] reden had om te betwijfelen of zijn werkgever hem integer vond. Hij heeft die vraag ook niet voorgelegd aan zijn leidinggevende. 3.27. Het nalaten van een integriteitsonderzoek door de werkgever is dus niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar. Ook heeft [werknemer] onvoldoende aangevoerd voor zijn stelling dat de werkgever eerder en duidelijker had moeten aangeven niet te twijfelen aan zijn integriteit. schending re-integratieverplichting niet ernstig verwijtbaar 3.28. [werknemer] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat de werkgever weliswaar eerder actie had kunnen ondernemen om met hem in gesprek te gaan over zijn conflict met de fiscus, maar dat niet is gebleken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ook heeft de kantonrechter volgens [werknemer] ten onrechte overwogen dat de werkgever de re-integratieverplichtingen niet zo ernstig heeft veronachtzaamd dat dit ernstig verwijtbaar is, ook niet in onderlinge samenhang beschouwd. [werknemer] wijst op de tussenuitspraak in zijn procedure tegen het UWV (zie 3.18): er zijn mogelijk re-integratiekansen gemist. Verder heeft de werkgever geen onderzoek gedaan naar ander passend werk of het tweede spoor, geen arbeidsrechtelijke mediation ingezet ondanks adviezen van de bedrijfsarts en, nadat de eigen bedrijfsarts bij herhaling geen 26-wekenprognose wilde geven waarmee het UWV toestemming kon geven voor ontslag, uiteindelijk een externe bedrijfsarts daarvoor benaderd. De handelwijze van de werkgever was belemmerend voor zijn herstel, aldus [werknemer] . 3.29. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht voorop gesteld dat het toetsingskader voor het UWV voor de vraag of de werkgever zich voldoende heeft ingespannen voor re-integratie een andere is dan het beoordelingskader in de Wwz bij de vraag of de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig verwijtbaar heeft veronachtzaamd, waarbij de lat hoger ligt. Uit de overgelegde rapportages van de bedrijfsarts blijkt tot 14 juli 2022 niet van re-integratiemogelijkheden. Ook blijkt daaruit niet wat is bedoeld met het op 19 april en 14 juli 2022 gegeven advies om de ‘geadviseerde acties’ in te zetten. Ter zitting bij het hof heeft [werknemer] toegelicht dat hij de bedrijfsarts heeft geïnformeerd over zijn onder 3.6 bedoelde gang naar de Nationale ombudsman en dat de bedrijfsarts doelt op het advies van de ombudsman. Dat betreft het geschil met de fiscus. Ook de werkgever heeft begrepen dat eerst het fiscale geschil moest worden opgelost. Dat lag niet in de macht van de werkgever. De regiodirecteur is vervolgens wel – zij het pas op 3 oktober 2022 – het gesprek aangegaan met [werknemer] , waarna met de afdeling Fiscaal Juridische Zaken contact is gezocht over de brief van de ombudsman. De regiodirecteur heeft vervolgens op 22 mei 2023 met de programmadirecteur Dienstverlening bij Particulieren van de fiscus afspraken kunnen maken over de inzet van fiscale mediation (zie 3.8, 3.9 en 3.15). Uit de overgelegde rapportages blijkt niet dat arbeidsrechtelijke mediation is geadviseerd. Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsmogelijkheden die de bedrijfsarts op 14 juli 2022 zag, afhankelijk waren van doorbreking van de impasse in het fiscale geschil. Daarna adviseerde de bedrijfsarts eerst een belastbaarheidsonderzoek aan de hand waarvan verder re-integratiebeleid kon worden opgesteld (zie 3.10). Pas in mei 2023 kreeg de werkgever daarover uitsluitsel (zie 3.14). De werkgever erkent dat hij vanaf dat moment tot augustus 2023 [werknemer] , die zijn energie wilde steken in zijn fiscale geschillen, te veel ter wille is geweest. 3.30. Het hof constateert dat de werkgever sinds mei 2023 geen inspanningen heeft verricht voor re-integratie in het tweede spoor en dat was overeenkomstig de wens van [werknemer] . Hij heeft ook geen deskundigenoordeel gevraagd over de vraag of zijn werkgever wel voldoende aan re-integratie had gedaan. Binnen het UWV-toetsingskader gaat het om de vraag of werkgever en werknemer, binnen de grenzen van de redelijkheid, al het mogelijke hebben gedaan met het oog op re-integratie van de werknemer. Als dat onvoldoende is, zoals de bestuursrechter in zijn tussenuitspraak heeft overwogen (zie 3.18), betekent dat nog niet dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door grovelijk zijn re-integratieverplichting te schenden waardoor de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid in beeld kwam. Het hof leidt dat ook niet af uit het gegeven dat de werkgever uiteindelijk een externe bedrijfsarts heeft ingeschakeld voor de 26-wekenprognose ten behoeve van de beslissing van het UWV om wel of niet toestemming te geven voor het ontslag. Niet alleen was inmiddels een verschil van mening ontstaan tussen de werkgever en de arbodienst over de onder 3.16 weergegeven ‘draai’ omtrent de kwalificatie als beroepsziekte, waarover hierna onder 3.34 tot en met 3.39 meer. Ook begrijpt het hof dat de werkgever behoefte had aan de zienswijze van een bedrijfsarts die met een frisse blik naar de situatie kon kijken. De daarvoor ingeschakelde bedrijfsarts heeft, zo schrijft hij, uitgebreid met [werknemer] gesproken. [werknemer] heeft geen inhoudelijke kritiek geuit op de verstrekte prognose (weergegeven onder 3.19). Het is het hof niet duidelijk geworden welk terecht verwijt aan het adres van de werkgever belemmerend zou geweest voor het herstel van [werknemer] en kwalificeert als ernstig verwijt. Daarmee is niet gebleken dat de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. 3.31 Voor een billijke vergoeding is gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen dus geen aanleiding. geen grond voor immateriële schadevergoeding 3.32. [werknemer] maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding om twee redenen.
Volledig
Het betoog van [werknemer] dat er, in geval van een beschuldiging tot het doen van onjuiste aangifte, altijd een melding gemaakt moet worden, gaat niet op. Zoals ook in het Personeelsreglement van het ministerie van Financiën is opgenomen, vereist de vraag of iets kan worden aangemerkt als een ‘ernstige integriteitsschending’ steeds een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. In dit geval heeft de betrokken inspecteur kennelijk geoordeeld dat er geen sprake is van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending, gelet op het uitblijven van een melding aan de Belastingdienst als werkgever. Niet valt dan ook in te zien op welke grond de Belastingdienst als werkgever van [werknemer] desalniettemin zelfstandig een integriteitsonderzoek op had moeten starten. Zeker niet nu [werknemer] aan zijn werkgever maar zeer beperkte informatie over de kwestie gaf. Pas nadat de werkgever het verweerschrift in hoger beroep had ingediend, heeft [werknemer] in de nagekomen producties immers enkele pagina’s overgelegd van het verweer van de Inspecteur in de fiscale beroepszaak bij de rechtbank en twee bladzijden van de uitspraak van de belastingkamer van het hof. Die informatie is dus niet alleen bijzonder laat beschikbaar gesteld, maar ook nog eens onvolledig. [werknemer] heeft aangevoerd dat hij zijn werkgever inzage in zijn fiscale dossier heeft aangeboden, maar de Belastingdienst heeft dat betwist. Uit de door [werknemer] overgelegde processtukken kan alleen worden opgemaakt dat hij een dergelijk aanbod aan mevrouw [directeur Particulieren] heeft gedaan, maar zij werkte nu juist bij de fiscus. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij. Het hof constateert dat [werknemer] en zijn werkgever een verschillende perceptie hadden van de ernst van het meningsverschil tussen de Inspecteur en [werknemer] met betrekking tot de privé-aangifte van [partner van werknemer] . De werkgever heeft het meningsverschil in de gegeven omstandigheden echter als een privékwestie van [werknemer] kunnen en moeten beschouwen. Tijdens het personeelsgesprek eind 2020 was duidelijk dat [werknemer] moeilijk met de kwestie kon omgaan. De leidinggevende heeft dit benoemd en hem gecomplimenteerd zoals opgenomen in de laatste zin van overweging 3.4. Uit niets blijkt dat [werknemer] reden had om te betwijfelen of zijn werkgever hem integer vond. Hij heeft die vraag ook niet voorgelegd aan zijn leidinggevende. 3.27. Het nalaten van een integriteitsonderzoek door de werkgever is dus niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar. Ook heeft [werknemer] onvoldoende aangevoerd voor zijn stelling dat de werkgever eerder en duidelijker had moeten aangeven niet te twijfelen aan zijn integriteit. schending re-integratieverplichting niet ernstig verwijtbaar 3.28. [werknemer] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat de werkgever weliswaar eerder actie had kunnen ondernemen om met hem in gesprek te gaan over zijn conflict met de fiscus, maar dat niet is gebleken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ook heeft de kantonrechter volgens [werknemer] ten onrechte overwogen dat de werkgever de re-integratieverplichtingen niet zo ernstig heeft veronachtzaamd dat dit ernstig verwijtbaar is, ook niet in onderlinge samenhang beschouwd. [werknemer] wijst op de tussenuitspraak in zijn procedure tegen het UWV (zie 3.18): er zijn mogelijk re-integratiekansen gemist. Verder heeft de werkgever geen onderzoek gedaan naar ander passend werk of het tweede spoor, geen arbeidsrechtelijke mediation ingezet ondanks adviezen van de bedrijfsarts en, nadat de eigen bedrijfsarts bij herhaling geen 26-wekenprognose wilde geven waarmee het UWV toestemming kon geven voor ontslag, uiteindelijk een externe bedrijfsarts daarvoor benaderd. De handelwijze van de werkgever was belemmerend voor zijn herstel, aldus [werknemer] . 3.29. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht voorop gesteld dat het toetsingskader voor het UWV voor de vraag of de werkgever zich voldoende heeft ingespannen voor re-integratie een andere is dan het beoordelingskader in de Wwz bij de vraag of de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig verwijtbaar heeft veronachtzaamd, waarbij de lat hoger ligt. Uit de overgelegde rapportages van de bedrijfsarts blijkt tot 14 juli 2022 niet van re-integratiemogelijkheden. Ook blijkt daaruit niet wat is bedoeld met het op 19 april en 14 juli 2022 gegeven advies om de ‘geadviseerde acties’ in te zetten. Ter zitting bij het hof heeft [werknemer] toegelicht dat hij de bedrijfsarts heeft geïnformeerd over zijn onder 3.6 bedoelde gang naar de Nationale ombudsman en dat de bedrijfsarts doelt op het advies van de ombudsman. Dat betreft het geschil met de fiscus. Ook de werkgever heeft begrepen dat eerst het fiscale geschil moest worden opgelost. Dat lag niet in de macht van de werkgever. De regiodirecteur is vervolgens wel – zij het pas op 3 oktober 2022 – het gesprek aangegaan met [werknemer] , waarna met de afdeling Fiscaal Juridische Zaken contact is gezocht over de brief van de ombudsman. De regiodirecteur heeft vervolgens op 22 mei 2023 met de programmadirecteur Dienstverlening bij Particulieren van de fiscus afspraken kunnen maken over de inzet van fiscale mediation (zie 3.8, 3.9 en 3.15). Uit de overgelegde rapportages blijkt niet dat arbeidsrechtelijke mediation is geadviseerd. Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsmogelijkheden die de bedrijfsarts op 14 juli 2022 zag, afhankelijk waren van doorbreking van de impasse in het fiscale geschil. Daarna adviseerde de bedrijfsarts eerst een belastbaarheidsonderzoek aan de hand waarvan verder re-integratiebeleid kon worden opgesteld (zie 3.10). Pas in mei 2023 kreeg de werkgever daarover uitsluitsel (zie 3.14). De werkgever erkent dat hij vanaf dat moment tot augustus 2023 [werknemer] , die zijn energie wilde steken in zijn fiscale geschillen, te veel ter wille is geweest. 3.30. Het hof constateert dat de werkgever sinds mei 2023 geen inspanningen heeft verricht voor re-integratie in het tweede spoor en dat was overeenkomstig de wens van [werknemer] . Hij heeft ook geen deskundigenoordeel gevraagd over de vraag of zijn werkgever wel voldoende aan re-integratie had gedaan. Binnen het UWV-toetsingskader gaat het om de vraag of werkgever en werknemer, binnen de grenzen van de redelijkheid, al het mogelijke hebben gedaan met het oog op re-integratie van de werknemer. Als dat onvoldoende is, zoals de bestuursrechter in zijn tussenuitspraak heeft overwogen (zie 3.18), betekent dat nog niet dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door grovelijk zijn re-integratieverplichting te schenden waardoor de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid in beeld kwam. Het hof leidt dat ook niet af uit het gegeven dat de werkgever uiteindelijk een externe bedrijfsarts heeft ingeschakeld voor de 26-wekenprognose ten behoeve van de beslissing van het UWV om wel of niet toestemming te geven voor het ontslag. Niet alleen was inmiddels een verschil van mening ontstaan tussen de werkgever en de arbodienst over de onder 3.16 weergegeven ‘draai’ omtrent de kwalificatie als beroepsziekte, waarover hierna onder 3.34 tot en met 3.39 meer. Ook begrijpt het hof dat de werkgever behoefte had aan de zienswijze van een bedrijfsarts die met een frisse blik naar de situatie kon kijken. De daarvoor ingeschakelde bedrijfsarts heeft, zo schrijft hij, uitgebreid met [werknemer] gesproken. [werknemer] heeft geen inhoudelijke kritiek geuit op de verstrekte prognose (weergegeven onder 3.19). Het is het hof niet duidelijk geworden welk terecht verwijt aan het adres van de werkgever belemmerend zou geweest voor het herstel van [werknemer] en kwalificeert als ernstig verwijt. Daarmee is niet gebleken dat de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. 3.31 Voor een billijke vergoeding is gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen dus geen aanleiding. geen grond voor immateriële schadevergoeding 3.32. [werknemer] maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding om twee redenen.
Volledig
Ten eerste voelt hij zich ernstig gekwetst doordat de werkgever zijn collega’s niet heeft uitgelegd waarom hij afwezig was, waardoor speculatie op de werkvloer ontstond. Ten tweede heeft de werkgever nimmer een positieve reactie in zijn richting gegeven terwijl hij na het ontdekken van de fout in de aangiftesoftware door een hel is gegaan en als gevolg daarvan ziek is geworden. 3.33. De kantonrechter heeft dit verzoek gemotiveerd afgewezen onder verwijzing naar de eisen van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW en vaste jurisprudentie. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter en neemt dat over. [werknemer] heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. ook geen recht op aanvullende uitkeringen krachtens de cao 3.34. [werknemer] maakt op basis van de artikelen 8.2 en 8.3 van de cao Rijk aanspraak op aanvulling tot 100% van zijn loon vanaf 27 november 2023 tot de ontslagdatum en vanaf dat moment aanvulling van zijn WIA-uitkering tot de AOW-leeftijd. In artikel 8.2 is bepaald dat in het tweede ziektejaar 70% van het loon wordt doorbetaald, maar als de werknemer arbeidsongeschikt is geraakt door een beroepsziekte heeft hij 104 weken recht op doorbetaling van het volledige maandloon. Artikel 8.3 breidt de periode van doorbetaling uit tot de AOW-leeftijd voor de werknemer met een beroepsziekte die na het einde van het dienstverband een WIA-uitkering ontvangt. 3.35. De kantonrechter heeft de aanvulling afgewezen. Volgens de kantonrechter, in 4.25 tot en met 4.28 van de beschikking is de definitie van beroepsziekte (zie 3.11) voor psychische beroepsziekten nader uitgewerkt in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep . Die blijft na inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren leidend, nu geen wijziging heeft plaatsgevonden in de voorwaarden voor aanvulling en de uitleg van het begrip beroepsziekte in dat verband. Op grond van bedoelde vaste rechtspraak moet sprake zijn van factoren die objectief bezien een buitensporig karakter dragen in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden (het buitensporigheidsvereiste). Met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden wordt geen rekening gehouden. Of is voldaan aan het buitensporigheidsvereiste vergt een juridische kwalificatie van de feiten waarbij de werknemer voldoende feiten moet aandragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Pas nadat is vastgesteld dat aan het buitensporigheidsvereiste is voldaan, komt de vraag aan de orde of tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is. Alleen die laatste vraag is primair gelegen op het terrein van de medicus, aldus de kantonrechter. Aan het buitensporigheidsvereiste is volgens de kantonrechter niet voldaan. 3.36. Dat niet aan de buitensporigheidseis is voldaan, is door de kantonrechter als volgt gemotiveerd: “Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat [werknemer] op een gegeven moment niet meer in staat was om aangiftes op juistheid te controleren terwijl hij zelf beschuldigd werd van willens en wetens onjuist aangifte doen en dat hij hierdoor psychisch overbelast is geraakt. De kantonrechter neemt het zonder meer voor waar aan dat [werknemer] door de privékwestie met de fiscus, die zich vele jaren heeft voortgesleept, spanningen heeft ervaren die in zijn geval er zelfs toe hebben geleid dat hij overbelast is geraakt, maar dat levert naar het oordeel van de kantonrechter nog geen reden op om de werkomstandigheden als objectief buitensporig aan te merken. [werknemer] heeft na de door hem als beschuldiging opgevatte stelling in het verweerschrift van de fiscus dat hij willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan, het idee dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken niet meer kunnen loslaten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] dit zich meer aangetrokken dan van een gemiddelde werknemer van werknemer [het hof begrijpt: de Belastingdienst als werkgever] mag worden verwacht. Werkgever had, zoals hiervoor in ander verband al overwogen, weliswaar eerder actie kunnen nemen door met [werknemer] in gesprek te gaan over de privékwestie met de fiscus en daarna, toen duidelijk werd dat hij onder druk stond door het conflict met de fiscus, met de afdeling Particulieren contact op te nemen om een oplossing van de privékwestie (te proberen) te bespoedigen, maar aanknopingspunten voorde conclusie dat de houding en bejegening van werkgever tegenover [werknemer] zodanig waren dat de werkomstandigheden als buitensporig moeten worden aangemerkt, zijn er niet. (…) De kantonrechter begrijpt dat het in verband met oplopende spanningen bij [werknemer] voor hem op enig moment ook lastig was dat onderscheid [tussen de Belastingdienst als fiscus en de Belastingdienst als werkgever – hof] te maken, maar het gaat niet aan om eventuele steken die de belastingdienst als fiscus heeft laten vallen bij de afhandeling van de privékwestie en de bejegening van [werknemer] daarbij, aan de belastingdienst als werkgever aan te rekenen, laat staan om het handelen van de belastingdienst als fiscus aan te merken als een omstandigheid die heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een buitensporig karakter. Verder leest de kantonrechter in de brief van 30 mei 2023 van werkgever dat er begrip wordt getoond voor de situatie waarin [werknemer] is komen te verkeren, maar anders dan [werknemer] kan dit niet worden opgevat als een onderkenning van de buitensporigheid van de werksituatie.” 3.37. [werknemer] heeft de juistheid van de toetsingsmaatstaf zoals weergegeven onder 3.35 terecht niet betwist. Het hof is het ook eens met de door de kantonrechter uitgevoerde toetsing zoals opgenomen in 3.36 en neemt het daaruit volgende oordeel over. Het nieuwe verwijt van [werknemer] dat hij geen nazorg heeft gekregen nadat hij gelijk kreeg in het fiscale geschil is zonder nadere toelichting, die is uitgebleven, objectief bezien onvoldoende ter onderbouwing van de vereiste buitensporigheid. 3.38. In hoger beroep is door [werknemer] nog een nieuwe grondslag voor de gewenste aanvullingen aangevoerd. Hij betoogt dat hij werkgerelateerde gezondheidsschade heeft door verwijtbaar onvoldoende zorg voor zijn arbeidsomstandigheden en dat zijn werkgever daarvoor op basis van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. De werkgever moet aantonen dat wel aan de zorgplicht is voldaan. Daarmee kan de beoordeling van buitensporigheid buiten beschouwing blijven, aldus [werknemer] . Het hof verwerpt deze grondslag als basis voor de verlangde cao-aanvullingen. Als al sprake zou zijn van aansprakelijkheid op grond van genoemd wetsartikel, dan is niet toegelicht waarom de eventuele schadevergoeding bestaat uit de aanspraak die op basis van de cao bestaat bij een beroepsziekte, terwijl hiervoor is geoordeeld dat van een beroepsziekte in de zin van de cao geen sprake is. Het beroep van [werknemer] op het herziene oordeel van de bedrijfsarts (te weten: wel een beroepsziekte in de zin van artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling) strandt om dezelfde reden. 3.39. De conclusie is dat [werknemer] geen recht heeft op de cao-aanvulling. geen klokkenluider met betrekking tot fout in aangiftesoftware 3.40. In de kantonprocedure stelde [werknemer] zich op het standpunt dat hij klokkenluider in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) is, omdat hij bij de Nationale ombudsman melding heeft gemaakt van een fout in de aangiftesoftware, waardoor een bepaalde groep belastingplichtigen is benadeeld. Onderzoek daarnaar wees uit dat dit inderdaad het geval was, waarna het ministerie van Financiën maatregelen heeft genomen om die benadeling ongedaan te maken. Ook volgens [werknemer] levert het ontdekken van een fout in software nog geen misstand op, maar dat werd het volgens hem wel omdat hij er tijdens zijn werkzaamheden achter kwam dat de fiscus van de fout op de hoogte was maar er niets mee deed. De Belastingdienst betwistte dit laatste.
Volledig
Ten eerste voelt hij zich ernstig gekwetst doordat de werkgever zijn collega’s niet heeft uitgelegd waarom hij afwezig was, waardoor speculatie op de werkvloer ontstond. Ten tweede heeft de werkgever nimmer een positieve reactie in zijn richting gegeven terwijl hij na het ontdekken van de fout in de aangiftesoftware door een hel is gegaan en als gevolg daarvan ziek is geworden. 3.33. De kantonrechter heeft dit verzoek gemotiveerd afgewezen onder verwijzing naar de eisen van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW en vaste jurisprudentie. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter en neemt dat over. [werknemer] heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. ook geen recht op aanvullende uitkeringen krachtens de cao 3.34. [werknemer] maakt op basis van de artikelen 8.2 en 8.3 van de cao Rijk aanspraak op aanvulling tot 100% van zijn loon vanaf 27 november 2023 tot de ontslagdatum en vanaf dat moment aanvulling van zijn WIA-uitkering tot de AOW-leeftijd. In artikel 8.2 is bepaald dat in het tweede ziektejaar 70% van het loon wordt doorbetaald, maar als de werknemer arbeidsongeschikt is geraakt door een beroepsziekte heeft hij 104 weken recht op doorbetaling van het volledige maandloon. Artikel 8.3 breidt de periode van doorbetaling uit tot de AOW-leeftijd voor de werknemer met een beroepsziekte die na het einde van het dienstverband een WIA-uitkering ontvangt. 3.35. De kantonrechter heeft de aanvulling afgewezen. Volgens de kantonrechter, in 4.25 tot en met 4.28 van de beschikking is de definitie van beroepsziekte (zie 3.11) voor psychische beroepsziekten nader uitgewerkt in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep . Die blijft na inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren leidend, nu geen wijziging heeft plaatsgevonden in de voorwaarden voor aanvulling en de uitleg van het begrip beroepsziekte in dat verband. Op grond van bedoelde vaste rechtspraak moet sprake zijn van factoren die objectief bezien een buitensporig karakter dragen in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden (het buitensporigheidsvereiste). Met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden wordt geen rekening gehouden. Of is voldaan aan het buitensporigheidsvereiste vergt een juridische kwalificatie van de feiten waarbij de werknemer voldoende feiten moet aandragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Pas nadat is vastgesteld dat aan het buitensporigheidsvereiste is voldaan, komt de vraag aan de orde of tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is. Alleen die laatste vraag is primair gelegen op het terrein van de medicus, aldus de kantonrechter. Aan het buitensporigheidsvereiste is volgens de kantonrechter niet voldaan. 3.36. Dat niet aan de buitensporigheidseis is voldaan, is door de kantonrechter als volgt gemotiveerd: “Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat [werknemer] op een gegeven moment niet meer in staat was om aangiftes op juistheid te controleren terwijl hij zelf beschuldigd werd van willens en wetens onjuist aangifte doen en dat hij hierdoor psychisch overbelast is geraakt. De kantonrechter neemt het zonder meer voor waar aan dat [werknemer] door de privékwestie met de fiscus, die zich vele jaren heeft voortgesleept, spanningen heeft ervaren die in zijn geval er zelfs toe hebben geleid dat hij overbelast is geraakt, maar dat levert naar het oordeel van de kantonrechter nog geen reden op om de werkomstandigheden als objectief buitensporig aan te merken. [werknemer] heeft na de door hem als beschuldiging opgevatte stelling in het verweerschrift van de fiscus dat hij willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan, het idee dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken niet meer kunnen loslaten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] dit zich meer aangetrokken dan van een gemiddelde werknemer van werknemer [het hof begrijpt: de Belastingdienst als werkgever] mag worden verwacht. Werkgever had, zoals hiervoor in ander verband al overwogen, weliswaar eerder actie kunnen nemen door met [werknemer] in gesprek te gaan over de privékwestie met de fiscus en daarna, toen duidelijk werd dat hij onder druk stond door het conflict met de fiscus, met de afdeling Particulieren contact op te nemen om een oplossing van de privékwestie (te proberen) te bespoedigen, maar aanknopingspunten voorde conclusie dat de houding en bejegening van werkgever tegenover [werknemer] zodanig waren dat de werkomstandigheden als buitensporig moeten worden aangemerkt, zijn er niet. (…) De kantonrechter begrijpt dat het in verband met oplopende spanningen bij [werknemer] voor hem op enig moment ook lastig was dat onderscheid [tussen de Belastingdienst als fiscus en de Belastingdienst als werkgever – hof] te maken, maar het gaat niet aan om eventuele steken die de belastingdienst als fiscus heeft laten vallen bij de afhandeling van de privékwestie en de bejegening van [werknemer] daarbij, aan de belastingdienst als werkgever aan te rekenen, laat staan om het handelen van de belastingdienst als fiscus aan te merken als een omstandigheid die heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een buitensporig karakter. Verder leest de kantonrechter in de brief van 30 mei 2023 van werkgever dat er begrip wordt getoond voor de situatie waarin [werknemer] is komen te verkeren, maar anders dan [werknemer] kan dit niet worden opgevat als een onderkenning van de buitensporigheid van de werksituatie.” 3.37. [werknemer] heeft de juistheid van de toetsingsmaatstaf zoals weergegeven onder 3.35 terecht niet betwist. Het hof is het ook eens met de door de kantonrechter uitgevoerde toetsing zoals opgenomen in 3.36 en neemt het daaruit volgende oordeel over. Het nieuwe verwijt van [werknemer] dat hij geen nazorg heeft gekregen nadat hij gelijk kreeg in het fiscale geschil is zonder nadere toelichting, die is uitgebleven, objectief bezien onvoldoende ter onderbouwing van de vereiste buitensporigheid. 3.38. In hoger beroep is door [werknemer] nog een nieuwe grondslag voor de gewenste aanvullingen aangevoerd. Hij betoogt dat hij werkgerelateerde gezondheidsschade heeft door verwijtbaar onvoldoende zorg voor zijn arbeidsomstandigheden en dat zijn werkgever daarvoor op basis van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. De werkgever moet aantonen dat wel aan de zorgplicht is voldaan. Daarmee kan de beoordeling van buitensporigheid buiten beschouwing blijven, aldus [werknemer] . Het hof verwerpt deze grondslag als basis voor de verlangde cao-aanvullingen. Als al sprake zou zijn van aansprakelijkheid op grond van genoemd wetsartikel, dan is niet toegelicht waarom de eventuele schadevergoeding bestaat uit de aanspraak die op basis van de cao bestaat bij een beroepsziekte, terwijl hiervoor is geoordeeld dat van een beroepsziekte in de zin van de cao geen sprake is. Het beroep van [werknemer] op het herziene oordeel van de bedrijfsarts (te weten: wel een beroepsziekte in de zin van artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling) strandt om dezelfde reden. 3.39. De conclusie is dat [werknemer] geen recht heeft op de cao-aanvulling. geen klokkenluider met betrekking tot fout in aangiftesoftware 3.40. In de kantonprocedure stelde [werknemer] zich op het standpunt dat hij klokkenluider in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) is, omdat hij bij de Nationale ombudsman melding heeft gemaakt van een fout in de aangiftesoftware, waardoor een bepaalde groep belastingplichtigen is benadeeld. Onderzoek daarnaar wees uit dat dit inderdaad het geval was, waarna het ministerie van Financiën maatregelen heeft genomen om die benadeling ongedaan te maken. Ook volgens [werknemer] levert het ontdekken van een fout in software nog geen misstand op, maar dat werd het volgens hem wel omdat hij er tijdens zijn werkzaamheden achter kwam dat de fiscus van de fout op de hoogte was maar er niets mee deed. De Belastingdienst betwistte dit laatste.
Volledig
De kantonrechter oordeelde dat [werknemer] tegenover de betwisting door de Belastingdienst onvoldoende onderbouwd heeft dat de fout al lang bekend was en daarmee niets werd gedaan. Daarom werd hij niet als klokkenluider aangemerkt. 3.41. In hoger beroep is door [werknemer] een vergaderverslag van 12 december 2016 overgelegd van een vakgroepoverleg IBR/PH grensarbeid (waarover hij niet door zijn werk beschikte) waarin melding wordt gemaakt van een bijzondere regeling in artikel 17 van het (nieuwe) belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk, waardoor bepaalde pensioenafkoopsommen alleen belastbaar zijn in de bronstaat. Maar de afkoopsommen mogen wel meetellen bij het verlenen van bepaalde tegemoetkomingen zoals de drempel voor specifieke zorgkosten of de zorgtoeslag. Het verslag besluit op dit punt met de opmerking: “Om deze reden kunt u de inkomsten aangeven in de rubriek vrijgesteld inkomen volkenrechtelijke organisaties. Hierdoor wordt de lump sum niet in de grondslag van het inkomen box 1 verwerkt, maar wordt er voor de berekening van bepaalde drempelbedragen wel rekening gehouden met de uitkering”. Het hof kan uit dit verslag niet afleiden dat de door [werknemer] in maart 2017 ontdekte fout al veel langer bij de fiscus bekend was maar onder de pet werd gehouden. Uit het wel overgelegde oordeel van de Nationale ombudsman volgt dat [werknemer] bij dit instituut als burger een bejegeningsklacht heeft ingediend die gegrond is bevonden, en dat uit het uitgevoerde onderzoek inderdaad van een softwarefout is gebleken. Van het ‘onder de pet houden’ en daarmee van een vermoeden van een misstand (zoals bedoeld in de definitie ervan in artikel 1 Wbk) blijkt echter niets uit dit oordeel. [werknemer] heeft ook geen kenbare melding gemaakt bij zijn werkgever of een bevoegde autoriteit zoals opgesomd in artikel 2c van de Wbk. Als dat wel zo was geweest, had het ook voor de hand gelegen dat [werknemer] op enig moment bij werkgever aan de bel had getrokken waarom er niets met zijn melding werd gedaan. Maar daarvan is niets gebleken. 3.42. Nog los van de vraag of sprake is van een melding van een vermoeden van een misstand zoals bedoeld in de Wbk, welke vraag het hof ontkennend beantwoordt, is ook geen sprake van benadeling als gevolg daarvan. Dat nadeel zou in de visie van [werknemer] bestaan uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het structureel niet nakomen door de Belastingdienst van haar re-integratieverplichtingen en het niet aanmerken van zijn ziekte als beroepsziekte voor verkrijging van de cao-aanvullingen. De werkgever heeft echter voldaan aan de wettelijke objectieve voorwaarden voor opzegging op de b-grond en die voorwaarden hebben geen relatie met de gestelde klokkenluidersmelding. Voor de niet toegekende cao-aanvulling geldt hetzelfde: ook voor verkrijging daarvan bestaat een objectieve voorwaarde, namelijk het hebben van een beroepsziekte, die niet beïnvloed wordt door het wel of niet zijn van klokkenluider. Voor wat betreft de re-integratieverplichtingen verwijst het hof naar r.o. 3.29 en 3.30 hierboven. Zoals daar overwogen, staat vast dat het niet in de macht van de Belastingdienst als werkgever lag om het geschil tussen [werknemer] en de fiscus op te lossen, terwijl dit volgens de bedrijfsarts een voorwaarde was om in de re-integratie verder te komen. Dat werkgever niet heeft ingezet op re-integratie in spoor 2 was overeenkomstig de wens van [werknemer] zelf; ook de bedrijfsarts heeft de Belastingdienst hier niet toe aangespoord. Daarmee heeft de Belastingdienst aangetoond dat het nadeel dat [werknemer] in zijn visie heeft geleden, geen relatie heeft met de gestelde klokkenluidersmelding. Een vermoeden over causaal verband tussen de beweerdelijke melding en het gestelde nadeel is aldus voldoende door de Belastingdienst weerlegd. werkgever hoeft werknemer niet te rehabiliteren 3.43. [werknemer] vindt dat hij recht heeft op plaatsing van een door hem opgemaakte tekst op het landelijke intranet ter rehabilitatie omdat hij door de Belastingdienst onterecht is beschuldigd van het willens en wetens doen van onjuiste aangifte. De kantonrechter heeft dat afgewezen omdat het niet zijn werkgever was die hem onterecht heeft beschuldigd. [werknemer] is van mening dat dit argument niet mag opgaan omdat hij niet met twee afzonderlijke instanties te maken had. 3.44. Onder verwijzing naar de laatste alinea van overweging 3.36, welke overweging van de kantonrechter het hof heeft overgenomen en tot het zijne heeft gemaakt, begrijpt het hof dat [werknemer] de fiscus en zijn werkgever niet kan scheiden. [werknemer] is echter niet publiekelijk beschuldigd van een integriteitsschending, laat staan een ernstige schending. De zittingen rondom zijn belastingaangifte zijn ook niet openbaar toegankelijk en gesteld noch gebleken is dat vanuit de fiscus in strijd is gehandeld met de geheimhoudingsplicht. Daarom is er geen reden voor een publiekelijke rehabilitatie, zeker niet door de Belastingdienst als werkgever. Indien [werknemer] de uitkomst van zijn strijd met collega’s wil delen, kan hij zelf het oordeel van de Nationale ombudsman en/of de uitspraken van belastingrechters in zijn zaak bekendmaken. kantonrechter heeft terecht de proceskosten gecompenseerd 3.45. Gelet op de uitkomst van het geschil heeft de kantonrechter terecht de proceskosten gecompenseerd. [werknemer] heeft in zijn grief daartegen ook nog melding gemaakt van ten onrechte afgewezen buitengerechtelijke kosten. Hoewel hij daar in zijn petitum in hoger beroep geen concreet verzoek aan wijdt, heeft het hof bezien of er aanleiding is voor toewijzing. Dat zou dan alleen over de door de kantonrechter toegewezen vergoeding voor niet opgenomen verlofuren kunnen. Maar ook in hoger beroep is niet gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals de kantonrechter al overwoog. bewijsaanbod niet relevant en onvoldoende specifiek 3.46. Het hof passeert het bewijsaanbod van [werknemer] omdat geen bewijs wordt aangeboden van concrete betwiste stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook is het aanbod algemeen en onvoldoende specifiek. de conclusie 3.47. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [werknemer] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van de Belastingdienst bij het hof. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.48. De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 mei 2025 voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld; 4.2. veroordeelt [werknemer] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de volgende proceskosten van de Belastingdienst in hoger beroep: € 851,- aan griffierecht € 2.580,- aan salaris van de advocaat van de Belastingdienst (2 procespunten × het toepasselijke tarief van € 1.290,- per punt); 4.3. wijst af wat verder is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, D.W.J.M. Kemperink en W.J.A.M. van Brussel en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026. Niet gepubliceerd. Zie Kamerstuk I 2013/14, 33818, C (MvA) p. 113. Zie onder meer ook ECLI:NL:GHARL:2023:567. Grief II gaat niet op. Grief III faalt. Zie onder meer CRvB 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2733. Grief IV mist doel. Grief I faalt. Grief V wordt verworpen. Grief VI gaat ook niet op. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Volledig
De kantonrechter oordeelde dat [werknemer] tegenover de betwisting door de Belastingdienst onvoldoende onderbouwd heeft dat de fout al lang bekend was en daarmee niets werd gedaan. Daarom werd hij niet als klokkenluider aangemerkt. 3.41. In hoger beroep is door [werknemer] een vergaderverslag van 12 december 2016 overgelegd van een vakgroepoverleg IBR/PH grensarbeid (waarover hij niet door zijn werk beschikte) waarin melding wordt gemaakt van een bijzondere regeling in artikel 17 van het (nieuwe) belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk, waardoor bepaalde pensioenafkoopsommen alleen belastbaar zijn in de bronstaat. Maar de afkoopsommen mogen wel meetellen bij het verlenen van bepaalde tegemoetkomingen zoals de drempel voor specifieke zorgkosten of de zorgtoeslag. Het verslag besluit op dit punt met de opmerking: “Om deze reden kunt u de inkomsten aangeven in de rubriek vrijgesteld inkomen volkenrechtelijke organisaties. Hierdoor wordt de lump sum niet in de grondslag van het inkomen box 1 verwerkt, maar wordt er voor de berekening van bepaalde drempelbedragen wel rekening gehouden met de uitkering”. Het hof kan uit dit verslag niet afleiden dat de door [werknemer] in maart 2017 ontdekte fout al veel langer bij de fiscus bekend was maar onder de pet werd gehouden. Uit het wel overgelegde oordeel van de Nationale ombudsman volgt dat [werknemer] bij dit instituut als burger een bejegeningsklacht heeft ingediend die gegrond is bevonden, en dat uit het uitgevoerde onderzoek inderdaad van een softwarefout is gebleken. Van het ‘onder de pet houden’ en daarmee van een vermoeden van een misstand (zoals bedoeld in de definitie ervan in artikel 1 Wbk) blijkt echter niets uit dit oordeel. [werknemer] heeft ook geen kenbare melding gemaakt bij zijn werkgever of een bevoegde autoriteit zoals opgesomd in artikel 2c van de Wbk. Als dat wel zo was geweest, had het ook voor de hand gelegen dat [werknemer] op enig moment bij werkgever aan de bel had getrokken waarom er niets met zijn melding werd gedaan. Maar daarvan is niets gebleken. 3.42. Nog los van de vraag of sprake is van een melding van een vermoeden van een misstand zoals bedoeld in de Wbk, welke vraag het hof ontkennend beantwoordt, is ook geen sprake van benadeling als gevolg daarvan. Dat nadeel zou in de visie van [werknemer] bestaan uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het structureel niet nakomen door de Belastingdienst van haar re-integratieverplichtingen en het niet aanmerken van zijn ziekte als beroepsziekte voor verkrijging van de cao-aanvullingen. De werkgever heeft echter voldaan aan de wettelijke objectieve voorwaarden voor opzegging op de b-grond en die voorwaarden hebben geen relatie met de gestelde klokkenluidersmelding. Voor de niet toegekende cao-aanvulling geldt hetzelfde: ook voor verkrijging daarvan bestaat een objectieve voorwaarde, namelijk het hebben van een beroepsziekte, die niet beïnvloed wordt door het wel of niet zijn van klokkenluider. Voor wat betreft de re-integratieverplichtingen verwijst het hof naar r.o. 3.29 en 3.30 hierboven. Zoals daar overwogen, staat vast dat het niet in de macht van de Belastingdienst als werkgever lag om het geschil tussen [werknemer] en de fiscus op te lossen, terwijl dit volgens de bedrijfsarts een voorwaarde was om in de re-integratie verder te komen. Dat werkgever niet heeft ingezet op re-integratie in spoor 2 was overeenkomstig de wens van [werknemer] zelf; ook de bedrijfsarts heeft de Belastingdienst hier niet toe aangespoord. Daarmee heeft de Belastingdienst aangetoond dat het nadeel dat [werknemer] in zijn visie heeft geleden, geen relatie heeft met de gestelde klokkenluidersmelding. Een vermoeden over causaal verband tussen de beweerdelijke melding en het gestelde nadeel is aldus voldoende door de Belastingdienst weerlegd. werkgever hoeft werknemer niet te rehabiliteren 3.43. [werknemer] vindt dat hij recht heeft op plaatsing van een door hem opgemaakte tekst op het landelijke intranet ter rehabilitatie omdat hij door de Belastingdienst onterecht is beschuldigd van het willens en wetens doen van onjuiste aangifte. De kantonrechter heeft dat afgewezen omdat het niet zijn werkgever was die hem onterecht heeft beschuldigd. [werknemer] is van mening dat dit argument niet mag opgaan omdat hij niet met twee afzonderlijke instanties te maken had. 3.44. Onder verwijzing naar de laatste alinea van overweging 3.36, welke overweging van de kantonrechter het hof heeft overgenomen en tot het zijne heeft gemaakt, begrijpt het hof dat [werknemer] de fiscus en zijn werkgever niet kan scheiden. [werknemer] is echter niet publiekelijk beschuldigd van een integriteitsschending, laat staan een ernstige schending. De zittingen rondom zijn belastingaangifte zijn ook niet openbaar toegankelijk en gesteld noch gebleken is dat vanuit de fiscus in strijd is gehandeld met de geheimhoudingsplicht. Daarom is er geen reden voor een publiekelijke rehabilitatie, zeker niet door de Belastingdienst als werkgever. Indien [werknemer] de uitkomst van zijn strijd met collega’s wil delen, kan hij zelf het oordeel van de Nationale ombudsman en/of de uitspraken van belastingrechters in zijn zaak bekendmaken. kantonrechter heeft terecht de proceskosten gecompenseerd 3.45. Gelet op de uitkomst van het geschil heeft de kantonrechter terecht de proceskosten gecompenseerd. [werknemer] heeft in zijn grief daartegen ook nog melding gemaakt van ten onrechte afgewezen buitengerechtelijke kosten. Hoewel hij daar in zijn petitum in hoger beroep geen concreet verzoek aan wijdt, heeft het hof bezien of er aanleiding is voor toewijzing. Dat zou dan alleen over de door de kantonrechter toegewezen vergoeding voor niet opgenomen verlofuren kunnen. Maar ook in hoger beroep is niet gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals de kantonrechter al overwoog. bewijsaanbod niet relevant en onvoldoende specifiek 3.46. Het hof passeert het bewijsaanbod van [werknemer] omdat geen bewijs wordt aangeboden van concrete betwiste stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook is het aanbod algemeen en onvoldoende specifiek. de conclusie 3.47. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [werknemer] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van de Belastingdienst bij het hof. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.48. De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 mei 2025 voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld; 4.2. veroordeelt [werknemer] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de volgende proceskosten van de Belastingdienst in hoger beroep: € 851,- aan griffierecht € 2.580,- aan salaris van de advocaat van de Belastingdienst (2 procespunten × het toepasselijke tarief van € 1.290,- per punt); 4.3. wijst af wat verder is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, D.W.J.M. Kemperink en W.J.A.M. van Brussel en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026. Niet gepubliceerd. Zie Kamerstuk I 2013/14, 33818, C (MvA) p. 113. Zie onder meer ook ECLI:NL:GHARL:2023:567. Grief II gaat niet op. Grief III faalt. Zie onder meer CRvB 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2733. Grief IV mist doel. Grief I faalt. Grief V wordt verworpen. Grief VI gaat ook niet op. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.