Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1849
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
24,262 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/xml public 2026-04-03T08:42:09 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/463 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1849 text/html public 2026-03-31T11:35:20 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/463 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/463 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummer ARN 22/3537 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 8.096. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk BMW (Gran Coupé 435i xDrive Executive; hierna: de auto) op 18 augustus 2021 aangifte voor de BPM gedaan naar een bedrag van € 1.942. In de aangifte (en in het daarvoor gebruikte taxatierapport) is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt zodat de (historische (2015)) bruto BPM € 48.561 beloopt. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2015 in Canada. Volgens belanghebbende en volgens de gegevens van de RDW is de auto – met Duits kenteken – vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht. De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 augustus 2021 plaatsgevonden. 2.2. De auto heeft zes cilinders en een cilinderinhoud van 2.979 cm3. De ‘massa bedrijfsklaar Europees’ is 1.762 kg en de maximummassa voertuig ‘technisch en ‘wettelijk’ is 2.209 kg. De wielbasis is 2.800 mm. De auto rijdt op benzine en is een zogenoemde ‘automaat’. Het vermogen is 224 kw. 2.3. Belanghebbende heeft de auto op 26 augustus 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 1 september 2021 een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat de CO2-uitstoot van de auto 263 gram per kilometer bedraagt. 2.6. De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij nageheven. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 10.038. Daarom is een bedrag van € 8.096 (€ 10.038 -/- € 1.942) nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur – conform de aangifte van belanghebbende – uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km, zoals vermeld in het kentekenregister. 2.8. Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. 2.9. Het daartegen ingestelde beroep is door de Rechtbank bij uitspraak van 25 januari 2024 ten dele gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.697, waarbij de Rechtbank is uitgegaan van een bruto BPM van € 48.561, behorend bij een CO2-uitstoot van 263 gr/km. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor proceskosten van in totaal € 2.370 en het griffierecht van € 184 toegekend. Wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank daarbij de ‘lage’ puntwaarde van € 310 (2024) gehanteerd. 2.10. Belanghebbende heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn eerste in het hoger beroepschrift opgenomen grief over de waardevermindering wegens schadeverleden ingetrokken. 4. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing 4.1. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, omdat in Nederland andere – soortgelijke – voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 184 gram per kilometer. De omstandigheid dat voor de auto een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is vastgesteld is volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat de Scandinavische meetmethode is toegepast waarvoor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) echter, aldus nog steeds belanghebbende, geen grondslag kent. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken. 4.2. De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet BPM verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot. 4.3. Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 263 gram per kilometer uitstoot. 4.4. Belanghebbende betoogt, zoals gezegd, dat die meting – voor de voor de Amerikaanse markt geproduceerde auto – is gebaseerd op de zogenoemde Scandinavische methode. Meting op basis van de – wettelijk voorgeschreven – NEDC-methode leidt volgens belanghebbende, gelet op de door hem verstrekte gegevens van in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde met de auto gelijksoortige auto’s, tot een uitstoot van 184 gram per kilometer. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, en ter zitting van het Hof herhaald, dat hij niet kan beoordelen of de meting van de CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op de Scandinavische methode. Voorts heeft hij herhaald dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU omdat de auto uit Canada afkomstig is. Als deze zaak wel onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU valt, dan moet volgens de Inspecteur worden geconcludeerd dat het bewijs ontbreekt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde referentievoertuigen ‘gelijksoortig’ zijn aan de onderhavige auto. 4.5. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer is gemeten volgens de Scandinavische methode. In aanmerking genomen dat de auto volgens de RDW afkomstig is uit Duitsland (en ook een Duits kenteken had), is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat deze zaak binnen het bereik van artikel 110 VWEU valt. In dit dossier ziet het Hof geen aanwijzingen dat de auto niet vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. 4.6.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Volledig
Op grond van artikel 9, lid 11, Wet BPM wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode (of de WLTP-methode). Hier wordt, gelet op het overwogene in 4.5, ervan uitgegaan dat dit niet is gebeurd. 4.7. Alsdan strookt de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van de auto niet met de Wet BPM. In die situatie biedt de nationale wet, in art. 6a, lid 2, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021), belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 263 gram per kilometer zoals is vermeld in het kentekenregister (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. Door belanghebbende is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken dat (een van) deze bewijsmiddelen hier voorhanden zijn. 4.8. Dit zou betekenen dat in de wettelijke systematiek zou moeten worden teruggevallen op artikel 9, lid 13, van de Wet BPM waarin is bepaald dat de CO2-uitstoot (forfaitair) wordt bepaald op (voor een benzineauto) 550 gram per kilometer. Dat is hier, bij het opleggen van de naheffingsaanslag evenwel niet gebeurd. Dit betekent dat de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet is terug te voeren op de wettelijke bewijsregeling inzake de CO2-uitstoot, zodat een schending van art. 110 VWEU in zoverre niet aan de orde is (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.6). 4.9. Ook overigens is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer, het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod heeft geschonden. De enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating – niet uit dat de CO2-uitstoot van die auto’s verschilt. Door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare auto’s wordt niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. (vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.3). Hierbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verschillen in CO2-uitstoot tussen de auto en de door belanghebbende genoemde referentieauto’s uitsluitend zijn terug te voeren op het gebruik van verschillende meetmethoden (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3). De bijlage waarnaar belanghebbende heeft verwezen is daarvoor te grofmazig, aangezien gegevens over de specifieke kenmerken van de aangevoerde referentieauto’s zoals onder meer model, specifieke opties en uitvoering ontbreken. 4.9. Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 263 gram per kilometer en van een bruto BPM van € 48.561. Kostenvergoeding bezwaar 4.10. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.11. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.12. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.11 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd - in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 279. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.