Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1848
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,632 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1848 text/xml public 2026-04-03T08:42:41 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/422 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1848 text/html public 2026-04-01T15:52:52 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1848 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/422 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/422 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 januari 2024, nummer ARN 22/2695 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 18.497. Daarbij is haar voorts € 125 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie van een uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstige gebruikte personenauto – met schade – van het merk Jaguar (F-pace – 2.0 Prestige AWD 20d) aangifte gedaan voor de BPM naar een bedrag van € 1.642. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) is berekend op basis van een taxatierapport van [naam3] van [bedrijfsnaam1] . Deze taxateur heeft bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto geen rekening gehouden met een extra waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto. 2.2. Na onderzoek door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) heeft de Inspecteur op basis van het rapport van DRZ geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto te weinig BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 18.497 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is belanghebbende voorts € 125 aan belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto. 2.3. Belanghebbende heeft tevergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente aangetekend. 2.4. De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 het beroep van belanghebbende – vanwege het hanteren van een hogere historische nieuwprijs van de auto dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan – gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.210 en de beschikking inzake de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en het griffierecht toegekend. Wat betreft de proceskosten is de Rechtbank voor de kostenvergoeding in bezwaar uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. 2.5. Belanghebbende heeft op 13 februari 2024 hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in hoger beroep een op 29 april 2024 gedagtekend rapport van [naam4] , verbonden aan [bedrijfsnaam2] , overgelegd. Daarin is vermeld – kort gezegd – dat de (extra) waardevermindering van de auto als gevolg van zijn schadeverleden € 7.500 bedraagt. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of in het kader van de afschrijving rekening mag worden gehouden met een (extra) waardevermindering van € 7.500 op de handelsinkoopwaarde van de auto wegens het schadeverleden van de auto. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij haar beroepen op de TMW-Richtlijn en de NIVRE-Richtlijn uitdrukkelijk en ondubbelzinnig intrekt. 4 Beoordeling van het geschil Schadeverleden 4.1. Het in aanmerking nemen van een (extra) waardevermindering wegens een (ernstig) schadeverleden van een auto kan door een belastingplichtige in een concreet geval op twee manieren worden bewerkstelligd, te weten (i) via de weg van de in artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vervatte taxatiemethode of (ii) via de weg van het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2). Nationaal recht: taxatiemethode 4.2. Wat betreft de toepassing van de taxatiemethode en de daarbij geldende bewijsregels verwijst het Hof naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310. 4.3. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad ligt het op de weg van belanghebbende te stellen en – zoals hier – bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is van een auto met een schadeverleden waarvan een blijvende waardevermindering uitgaat en, zo daarvan sprake is, hoeveel die waardevermindering beloopt. 4.4. Anders dan belanghebbende betoogt, rust op de Inspecteur in dit kader geen bewijslast en is een waardebepaling in goede justitie door de rechter op dit vlak niet aan de orde. Het Hof verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8227. 4.5. Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto een extra waardevermindering wegens het schadeverleden in aanmerking moet worden genomen. In het taxatierapport dat door belanghebbende bij de aangifte is gebruikt, is niet een zodanige waardevermindering opgenomen. Met het in hoger beroep overgelegde rapport van [naam4] maakt belanghebbende evenmin haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden aannemelijk. Uit dat rapport volgt namelijk dat deze taxateur niet zelf de auto aan een gedegen fysieke opname heeft onderworpen, maar dat zijn bevindingen voortborduren op het – niet toereikende, bij de aangifte gebruikte – taxatierapport. Het in hoger beroep overgelegde rapport is daarom (in het kader van de taxatiemethode) niet toereikend voor het toekennen van de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schadeverleden. Artikel 110 VWEU 4.6. De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan bpm hoger is dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1848 text/xml public 2026-04-03T08:42:41 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 24/422 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1848 text/html public 2026-04-01T15:52:52 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1848 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 24/422 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/422 uitspraakdatum: 24 maart 2026 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 januari 2024, nummer ARN 22/2695 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 18.497. Daarbij is haar voorts € 125 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie van een uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstige gebruikte personenauto – met schade – van het merk Jaguar (F-pace – 2.0 Prestige AWD 20d) aangifte gedaan voor de BPM naar een bedrag van € 1.642. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) is berekend op basis van een taxatierapport van [naam3] van [bedrijfsnaam1] . Deze taxateur heeft bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto geen rekening gehouden met een extra waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto. 2.2. Na onderzoek door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) heeft de Inspecteur op basis van het rapport van DRZ geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto te weinig BPM op aangifte heeft voldaan. Daarom heeft hij de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 18.497 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is belanghebbende voorts € 125 aan belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto. 2.3. Belanghebbende heeft tevergeefs bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente aangetekend. 2.4. De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 het beroep van belanghebbende – vanwege het hanteren van een hogere historische nieuwprijs van de auto dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan – gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.210 en de beschikking inzake de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en het griffierecht toegekend. Wat betreft de proceskosten is de Rechtbank voor de kostenvergoeding in bezwaar uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. 2.5. Belanghebbende heeft op 13 februari 2024 hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in hoger beroep een op 29 april 2024 gedagtekend rapport van [naam4] , verbonden aan [bedrijfsnaam2] , overgelegd. Daarin is vermeld – kort gezegd – dat de (extra) waardevermindering van de auto als gevolg van zijn schadeverleden € 7.500 bedraagt. 3 Geschil In hoger beroep is in geschil of in het kader van de afschrijving rekening mag worden gehouden met een (extra) waardevermindering van € 7.500 op de handelsinkoopwaarde van de auto wegens het schadeverleden van de auto. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank bij het vaststellen van de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij haar beroepen op de TMW-Richtlijn en de NIVRE-Richtlijn uitdrukkelijk en ondubbelzinnig intrekt. 4 Beoordeling van het geschil Schadeverleden 4.1. Het in aanmerking nemen van een (extra) waardevermindering wegens een (ernstig) schadeverleden van een auto kan door een belastingplichtige in een concreet geval op twee manieren worden bewerkstelligd, te weten (i) via de weg van de in artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vervatte taxatiemethode of (ii) via de weg van het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2). Nationaal recht: taxatiemethode 4.2. Wat betreft de toepassing van de taxatiemethode en de daarbij geldende bewijsregels verwijst het Hof naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310. 4.3. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad ligt het op de weg van belanghebbende te stellen en – zoals hier – bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is van een auto met een schadeverleden waarvan een blijvende waardevermindering uitgaat en, zo daarvan sprake is, hoeveel die waardevermindering beloopt. 4.4. Anders dan belanghebbende betoogt, rust op de Inspecteur in dit kader geen bewijslast en is een waardebepaling in goede justitie door de rechter op dit vlak niet aan de orde. Het Hof verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8227. 4.5. Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto een extra waardevermindering wegens het schadeverleden in aanmerking moet worden genomen. In het taxatierapport dat door belanghebbende bij de aangifte is gebruikt, is niet een zodanige waardevermindering opgenomen. Met het in hoger beroep overgelegde rapport van [naam4] maakt belanghebbende evenmin haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden aannemelijk. Uit dat rapport volgt namelijk dat deze taxateur niet zelf de auto aan een gedegen fysieke opname heeft onderworpen, maar dat zijn bevindingen voortborduren op het – niet toereikende, bij de aangifte gebruikte – taxatierapport. Het in hoger beroep overgelegde rapport is daarom (in het kader van de taxatiemethode) niet toereikend voor het toekennen van de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schadeverleden. Artikel 110 VWEU 4.6. De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan bpm hoger is dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen.
Volledig
Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2). 4.7. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan. Noch het bij de aangifte gebruikte taxatierapport noch het rapport dat door belanghebbende in hoger beroep is overgelegd, voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite vermindering wegens schadeverleden. Kostenvergoeding bezwaar 4.8. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.9. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.10. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.9 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd – in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Volledig
Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2). 4.7. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan. Noch het bij de aangifte gebruikte taxatierapport noch het rapport dat door belanghebbende in hoger beroep is overgelegd, voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite vermindering wegens schadeverleden. Kostenvergoeding bezwaar 4.8. Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor het bezwaar is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 310. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Vergoeding immateriële schade 4.9. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is immers overschreden, en wel met minder dan zes maanden. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan na 1 januari 2024, is in deze zaak artikel 19a, lid 3, Wet BPM van toepassing waarin is bepaald – kort gezegd – dat het tarief van de vergoeding van de immateriële schade € 50 bedraagt per half jaar waarmee de termijn is overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Anders dan belanghebbende(s gemachtigde Bothof) bepleit, ziet het Hof geen grond om de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de gemachtigde Bothof – kort gezegd – als ‘bijzonder geval’ is aangemerkt zodat de wettelijke beperkingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in BPM-zaken niet op hem van toepassing zijn (zie onder meer HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375) door te trekken naar de vergoeding van immateriële schade. Er is hier geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19a, lid 3, Wet BPM. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 50 voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te vergoeden door de Staat. Slotsom 4.10. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.9 vermelde vergoeding van € 50 te worden toegekend. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2026 – nader vastgesteld op € 1.332 (2 punten x € 666). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu daartegen geen klachten zijn aangevoerd – in stand. 5.2 In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.482 (€ 1.332 + € 1.750 + € 400). 5.3. Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. 5.4. Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 50; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.482; en gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 De griffier, De raadsheer, (J.W.J. de Kort) (R. den Ouden) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.