Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17
ECLI:NL:GHARL:2026:1818
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000267-22 Uitspraakdatum: 17 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2022 met parketnummer 08-997031-18 in de strafzaak tegen: [verdachte] [adres] . Hoger beroep Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissingen betrokken wat besproken is op de zittingen van het hof van 3 februari 2026 en 17 maart 2026 en de zittingen bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door haar raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. A.C. Huisman, is aangevoerd. Vonnis De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor: valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feiten 1 en feit 4); opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feiten 2 en 5); medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (feit 3). De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Voorvragen Geldigheid van de dagvaarding De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota het standpunt ingenomen dat de dagvaarding voor zover het de feiten 1 en 2 betreft nietig is op het onderdeel ‘een groot aantal’ en voor wat betreft de slechts door middel van paginanummers aangeduide vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (hierna: VDM’s) die onderaan het onder 1 en 2 tenlastegelegde staan genoemd. Het hof stelt in dit verband voorop dat artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het zou zijn begaan, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte op basis van de tenlastelegging weet waartegen hij zich moet verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd, is zo uit te leggen dat het tenlastegelegde duidelijk en begrijpelijk moet zijn, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk. Naar het oordeel van het hof kan de tenlastelegging onder 1 en 2 redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat verdachte veertien specifieke VDM’s – de zes VDM’s die in de tenlastelegging achter zes gedachtestreepjes met datum, nummer en vindplaats zijn aangeduid en de acht VDM’s waarvan de vindplaats in het politiedossier onderaan de tenlastelegging onder 1 en 2 is vermeld – respectievelijk valselijk heeft opgemaakt, of laten opmaken, en daarvan gebruik heeft gemaakt of heeft laten maken. De tenlastelegging is ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde daarmee voldoende feitelijk en het moet voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn, ook in het licht van de inhoud van de overige processtukken, waartegen verdachte zich moet verdedigen. Het hof verwerpt het verweer. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De verdediging heeft ter zitting bepleit dat sprake is van een dubbele bestraffing. Het hof begrijpt dit verweer zo dat het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk d Voluit is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1.zij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 te [plaats] gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, 14, althans een groot aantal geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, waaronder - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer] (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer] (pag 1455 ordner 5 ZD1.1), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 240 ton mest, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer [nummer] , (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 504 ton mest, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer [nummer] , (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer [nummer] (pag 2400, ordner 8 ZD1.4), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer [nummer] , (pag 2403, ordner 8 ZD1.4), (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), en/of - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), en/of - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), en/of - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), en/of - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), en/of - op dat vervoersbewijs met nummer [nummer] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] ( [bedrijf] ), dit terwijl in alle voornoemde gevallen in het geheel geen mest was afgevoerd, met het oogmerk om die vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; (overige VDM’s zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM’s zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412) 2.Zij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 9 september 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van 14, althans een groot aantal, valselijk opgemaakte geschrift(en) en/of vervalst(e) geschrift(en), dat (die) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als was/waren deze echt en onvervalst, door, waaronder, - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [bedrijf] was,(pag 1452 ordner 5 ZD 1.1), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden aan en/of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO),(pag 1557 ordner 5 ZD 1.1), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer] (ongeveer 36 ton mest), waarop in str Overige VDM’s zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412) 3.Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2016 tot en met 12 mei 2017 [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten Dienstverlenend [bedrijf] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater heeft ontdaan; 4.Zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2018 tot en met 23 maart 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, 989, althans 12, althans een groot aantal, geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig te dienen, waaronder - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 08 februari 2019,nummer [nummer] ,(pag 4042, Ordner 12 zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer] ,(pag 4045, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018,nummer [nummer] ,(pag 4048, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018,nummer [nummer] ,(pag 4051, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer] (pag 4054, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4056, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4059, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4061, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4064, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4067, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer] ,(pag 4070, Ordner 12, zaak ZD3), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer] ,(pag 4073, Ordner 12, zaak ZD3), (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 08 februari 2019, nummer [nummer] ,in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met [postcode] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf] , en/of - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met [postcode] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf] , en/of - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met [postcode] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf] , en/of - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met [postcode] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf] , en/of - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) afkomstig van de laadplaats met [postcode] was vervoerden/of gelost bij afnemer [bedrijf] , en/of - op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, regel 899) en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4051, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 864), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4054, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621, excelbestand regel 177), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4056, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 11), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4059, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621, excelbestand regel 309), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4061, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 334), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4064, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV524-B01 201672621, excelbestand regel 383), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4067, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621, excelbestand regel 173), en/of - een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf] , (pag 4070, Ordner 12, zaak ZD3), te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621, excelbesta De verklaring van [naam] inhoudende dat [medeverdachte] met het idee is gekomen om het “op deze manier te doen” kan niet zonder meer als belastend worden uitgelegd, omdat met deze verklaring ook kan zijn gedoeld op de rol die [medeverdachte] had bij het bemiddelen tussen en het bij elkaar brengen van boeren (binnen de regio) voor het leveren en afnemen van dierlijke meststoffen. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de ten laste gelegde mesttransporten niet hebben plaatsgevonden en dat [verdachte] [bedrijf] daar op de ten laste gelegde manier bij betrokken is geweest. Bijgevolg ontbreekt ook wettig en overtuigend bewijs dat de ten laste gelegde VDM’s valselijk zijn opgemaakt en dat van de valselijk opgemaakte VDM’s gebruik is gemaakt. Het hof acht aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Bewijsoverweging feit 3 (het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen) Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft overeenkomstig een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Gelet op de manier waarop de ondernemingen van het Bakkerconcern waren ingericht en de wijze waarop binnen deze bedrijven werd gewerkt, is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere betrokken (rechts)personen. Standpunt van de verdediging De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Er is geen sprake van medeplegen, omdat de materiële en intellectuele bijdrage van verdachte nihil is geweest. Overwegingen van het hof Het hof neemt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde een deel van de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze overwegingen tot de zijne. Ingevolge artikel 1.1. van de Wet milieubeheer – zoals deze bepaling luidde ten tijde van het tenlastegelegde – wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen; huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; en gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit. Ingevolge artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. Op grond van het tweede artikellid geldt het verbod niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen of die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen. Het hof stelt op grond van de inhoud van de processtukken en het onderzoek op de zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 13 juni 2019 heeft in het kantoorpand van [verdachte] [bedrijf] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder andere de server van de [applicatie] , waarop meerdere facturen waren vastgelegd, in beslag is genomen. [bedrijf] heeft in 2016 facturen gestuurd naar Dienstverlenend [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). De eerste factuur heeft betrekking op proceswater met als oudste levering 13 januari 2016. Daarna heeft [bedrijf] nog andere facturen gestuurd naar [bedrijf] voor proceswater en uienwater . [bedrijf] heeft in 2017 ook facturen gestuurd naar [bedrijf] voor de levering van uienwater, met als laatste factuurdatum 12 mei 2017. [bedrijf] heeft in 2016 gefactureerd aan [bedrijf] . voor het transport van proceswater en aan [bedr Daarmee is de onder 3 ten laste gelegde gedraging wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat er sprake is geweest van het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen waardoor het verbod van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden. Dit verbod is onverkort van toepassing omdat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat [bedrijf] bevoegd is afvalstoffen in te zamelen of nuttig toe te passen of te verwijderen. Toerekening aan de rechtspersonen Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt, als de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging. [verdachte] [bedrijf] heeft het uienwater en het proceswater ingezameld en vervoerd. Gelet op de VIHB-registratie van [verdachte] [bedrijf] was zij daartoe bevoegd en pasten deze werkzaamheden in haar normale bedrijfsvoering. Daarnaast kon [verdachte] [bedrijf] erover beschikken of de werkzaamheden al dan niet zouden plaatsvinden. Zij heeft de vrijheid om te bepalen of een lading wordt aangenomen en naar wie die lading wordt vervoerd. Blijkens de verklaringen van [naam] en [bedrijf] heeft [medeverdachte] het initiatief genomen om het uienwater en het proceswater aan [bedrijf] te leveren. [verdachte] [bedrijf] heeft de bedrijfsafvalstoffen naar [bedrijf] vervoerd. Gelet op de feitelijke gang van zaken heeft [verdachte] [bedrijf] aanvaard dat het proceswater en het uienwater werden geleverd aan een persoon die niet bevoegd is om afvalstoffen te ontvangen. In een periode van ruim een jaar zijn tientallen transporten uienwater en proceswater uitgevoerd naar [bedrijf] , die niet over een VIHBregistratie beschikte. [bedrijf] heeft alles rondom de transporten georganiseerd, waaronder het aannemen en doorgeven aan [verdachte] [bedrijf] van de opdracht om de bedrijfsafvalstoffen af te voeren en vervolgens over te brengen naar [bedrijf] in [plaats] en het versturen van facturen. Deze werkzaamheden passen in de normale taakuitoefening van [bedrijf] Daarnaast kon [bedrijf] bepalen of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aan haar zijn de gegevens van de afnemer van de afvalstoffen door [verdachte] [bedrijf] doorgegeven. [bedrijf] heeft die informatie op haar beurt weer doorgegeven aan de chauffeurs. Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft [bedrijf] aanvaard dat het uienwater en het proceswater werden afgegeven aan een persoon die niet bevoegd is om afvalstoffen in te zamelen. Van belang hierbij is ook dat er over een periode van ruim een jaar tientallen van zulke transporten hebben plaatsgevonden. De onder 3 ten laste gelegde gedragingen hebben in de sfeer van zowel [verdachte] [bedrijf] als [bedrijf] plaatsgevonden. Zij kunnen daarom in redelijkheid aan deze rechtspersonen, die daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt (zi In ieder geval heeft de rechtspersoon geen opzet gehad op het valselijk opmaken van VDM’s. Daarnaast is er geen sprake van medeplegen door verdachte, omdat haar materiële en intellectuele bijdrage nihil is geweest. Overwegingen van het hof Het hof heeft niet uit het onderzoek op de zitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet moet een vracht dierlijke meststoffen tijdens het vervoer vergezeld gaan van een op die vracht betrekking hebbend vervoersbewijs (het VDM), dat overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens paragraaf 2 van hoofdstuk IX van dit besluit (over het vervoer van meststoffen) is opgemaakt. Ingevolge artikel 53, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet moet een VDM in ieder geval gegevens bevatten over de hoeveelheid meststoffen (onderdeel c) en het soort meststoffen (onderdeel d). Het bij ministeriële regeling vastgestelde VDMformulier biedt door middel van vier invulvelden ruimte om (vier) mestcodes met daarbij behorende percentages in te vullen. Artikel 53, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet bepaalt dat ter zake van het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer gezamenlijk een vervoersbewijs wordt opgemaakt, en artikel 50, eerste lid, van dat besluit bepaalt dat een vracht dierlijke meststoffen tijdens het vervoer vergezeld gaat van een op de vracht betrekking hebbend vervoersbewijs, dat overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens paragraaf 2 van hoofdstuk IX van het besluit is opgemaakt. Artikel 54 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet biedt de grondslag voor het stellen van regels over het vervoerbewijs en de manier en het tijdstip waarop de op het vervoersbewijs ingevulde gegevens en de overige ter zake van een vracht dierlijke meststoffen te verstrekken gegevens worden ingediend. Deze nadere regels zijn de voorschriften van de artikelen 60 tot en met 67 van de Uitvoeringregeling Meststoffenwet. Artikel 61, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet houdt in – voor zover hier van belang – dat uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen de gegevens van de leverancier, de mestcode van het soort meststoffen en het nettogewicht van de meststoffen worden ingevuld. Gelet op de verklaringen [naam] en [naam] , in samenhang bezien met de observaties bij de mestopslag in [gemeente] en de bij de doorzoeking aangetroffen VDM’s, stelt het hof vast dat in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 23 maart 2019 meerdere transporten met mest zijn uitgevoerd vanaf de mestopslag van [verdachte] [bedrijf] in [gemeente] naar verschillende afnemers in het land. Het hof heeft uit het verhandelde ter terechtzitting opgemaakt dat op deze locatie twee voorzieningen voor de opslag van mest aanwezig zijn en dat de ene was gevuld met alleen drijfmest afkomstig van vleesvarkens – waarop één mestcode (mestcode 50) van toepassing is – en de ander met een mengsel van verschillende soorten varkensmest, waarop verschillende mestcodes van toepassing zijn (zoals een mengsel van vleesvarkensdrijfmest (mestcode 50) en fokzeugenmest (mestcode 46)). In de ten laste gelegde periode hebben vanaf de opslag in [gemeente] 989 transporten met mest plaatsgevonden waarbij op het VDM telkens één mestcode is vermeld (eenmaal mestcode 46 en op de andere VDM’s steeds mestcode 50). Naar het oordeel van het hof kan als vaststaand worden aangenomen dat het bij deze transporten in een (groot) deel van de gevallen ging om een transport van een mengsel van verschillende soorten varkensmest met verschillende mestcodes waaronder drijfmest van vleesvarkens met mestcode 50. Op basis van de processtukken en het onderzoek op de zitting is aannemelijk geworden dat in de ten laste gelegde periode het gebrui Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd . Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 24.750,-. Standpunt van de verdediging De raadslieden hebben verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of het opleggen van een voorwaardelijke straf. Hierbij is onder andere gewezen op de ouderdom van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het afgeven van uienwater en proceswater aan een persoon die niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen. Door de handelswijze van verdachte zijn regels overtreden die ertoe dienen het milieu te beschermen. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van deze regels. Het hof neemt in strafmatigende zin in aanmerking dat het uienwater en het – van het wassen van aardappelen afkomstige – proceswater weliswaar een aanzienlijke hoeveelheid vormen, maar dat zij niet zonder meer voor het milieu schadelijke stoffen zijn. Ter zitting is gebleken dat de onderneming inmiddels wordt gerund door de dochter van [verdachte] . De vervolging en veroordeling door de rechtbank hebben gevolgen gehad voor de bankrelaties van verdachte en tot negatieve gevolgen geleid op grond van de Wet Bibob. Hoewel de door verdachte aangedragen gevolgen van de strafzaak meewegen bij de strafoplegging, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. De bewezenverklaarde grote hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen en het belang van normhandhaving, staan aan een dergelijke afdoening in de weg. Verdachte heeft op 24 januari 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 17 maart 2026 arrest wijst. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaren. Bij de bepaling van de gevolgen van die overschrijding houdt het hof ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn – waarbij geen sprake is van enige bijzondere omstandigheid die deze mate van overschrijding verklaart – aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Alles afwegend, acht het hof een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,- passend en geboden. Gelet op de ouderdom van het feit, wordt hieraan een proeftijd van één jaar verbonden. Wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert d