Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1803
Strafrecht
Hoger beroep
2,573 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1803 text/xml public 2026-04-17T14:24:51 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 21-002154-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1803 text/html public 2026-04-17T14:23:00 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1803 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / 21-002154-25 Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002154-25 Uitspraakdatum: 10 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 3 april 2025 met parketnummer 16-275373-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van: het op de zitting van het hof naar voren gebrachte standpunt van de raadsman, dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland en; de reactie daarop van de advocaat-generaal, inhoudende dat de advocaat-generaal zich verzet tegen terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Vernietiging vonnis politierechter en terugwijzing Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat hij zich in eerste aanleg heeft gesteld als advocaat van cliënt, maar geen parketnummer en geen afschrift van de stukken in het daarvoor bestemde systeem heeft ontvangen. Als gevolg hiervan was de raadsman niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg bij de rechtbank. Daarnaast was zijn cliënt ook niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Als gevolg hiervan is het appel pas op 7 mei 2025 ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2021:938. Tevens voert de raadsman aan dat, hoewel er sprake is van een geldige OM betekening, er geen enkel stuk in persoon aan cliënt is betekend en hij daardoor niet op de hoogte was van de behandeling van zijn strafzaak. Cliënt heeft hierdoor de behandeling van zijn strafzaak bij de eerste feitelijke instantie gemist. De verdediging wenst een berechting in twee feitelijke instanties. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak inhoudelijk behandeld dient te worden. Hiertoe voert zij aan dat er sprake is van een geldige dagvaarding in eerste aanleg. Daarnaast is er sprake van een geldige betekening daarvan aan verdachte. Dat dit een OM betekening betreft in plaats van een betekening in persoon aan verdachte, doet daar niet aan af. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen. Ter onderbouwing van het standpunt dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft de raadsman uiteengezet op welke manieren hij zowel het arrondissementsparket Midden-Nederland als de rechtbank Midden-Nederland kennis heeft gegeven van zijn optreden als raadsman van de verdachte in onderhavige strafzaak. Op basis van voorgaande is het hof van oordeel dat de raadsman in redelijkheid voldoende inspanningen heeft verricht om het openbaar ministerie en de rechtbank kennis te geven van zijn bijstand aan verdachte. Op grond van de aanwezige stukken in het dossier moet worden vastgesteld dat is verzuimd de raadsman te informeren over de dag van de terechtzitting van de politierechter, terwijl zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Gelet op de zogenoemde kernroljurisprudentie van de Hoge Raad verbindt het hof aan dat verzuim het rechtsgevolg dat het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen. Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. J. Dolfing en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1803 text/xml public 2026-04-17T14:24:51 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 21-002154-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1803 text/html public 2026-04-17T14:23:00 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1803 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / 21-002154-25 Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002154-25 Uitspraakdatum: 10 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 3 april 2025 met parketnummer 16-275373-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van: het op de zitting van het hof naar voren gebrachte standpunt van de raadsman, dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland en; de reactie daarop van de advocaat-generaal, inhoudende dat de advocaat-generaal zich verzet tegen terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Vernietiging vonnis politierechter en terugwijzing Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat hij zich in eerste aanleg heeft gesteld als advocaat van cliënt, maar geen parketnummer en geen afschrift van de stukken in het daarvoor bestemde systeem heeft ontvangen. Als gevolg hiervan was de raadsman niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg bij de rechtbank. Daarnaast was zijn cliënt ook niet op de hoogte van de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Als gevolg hiervan is het appel pas op 7 mei 2025 ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2021:938. Tevens voert de raadsman aan dat, hoewel er sprake is van een geldige OM betekening, er geen enkel stuk in persoon aan cliënt is betekend en hij daardoor niet op de hoogte was van de behandeling van zijn strafzaak. Cliënt heeft hierdoor de behandeling van zijn strafzaak bij de eerste feitelijke instantie gemist. De verdediging wenst een berechting in twee feitelijke instanties. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak inhoudelijk behandeld dient te worden. Hiertoe voert zij aan dat er sprake is van een geldige dagvaarding in eerste aanleg. Daarnaast is er sprake van een geldige betekening daarvan aan verdachte. Dat dit een OM betekening betreft in plaats van een betekening in persoon aan verdachte, doet daar niet aan af. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen. Ter onderbouwing van het standpunt dat strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft de raadsman uiteengezet op welke manieren hij zowel het arrondissementsparket Midden-Nederland als de rechtbank Midden-Nederland kennis heeft gegeven van zijn optreden als raadsman van de verdachte in onderhavige strafzaak. Op basis van voorgaande is het hof van oordeel dat de raadsman in redelijkheid voldoende inspanningen heeft verricht om het openbaar ministerie en de rechtbank kennis te geven van zijn bijstand aan verdachte. Op grond van de aanwezige stukken in het dossier moet worden vastgesteld dat is verzuimd de raadsman te informeren over de dag van de terechtzitting van de politierechter, terwijl zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Gelet op de zogenoemde kernroljurisprudentie van de Hoge Raad verbindt het hof aan dat verzuim het rechtsgevolg dat het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Midden-Nederland. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen. Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. J. Dolfing en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.